Uitspraak · Socialezekerheidsrecht

Rechtbank Den Haag, 18 april 2025

ECLI:NL:RBDHA:2025:6334Zaaknummer 23/541

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
18 april 2025
Publicatiedatum
2 mei 2025
Zaaknummer
23/541
Rechtsgebied
Bestuursrecht, Socialezekerheidsrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats
Den Haag
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Pkv uitspraak na intrekking. Wel tegemoetgekomen met kwijtschelding. Herroeping is geen vereiste. Afgewezen omdat er geen aanleiding bestaat voor een proceskostenveroordeling. Geen griffierecht ivm betalingsonmacht.

Beslissing

De rechtbank wijst het verzoek om proceskostenvergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. N.E.M. de Coninck, rechter, in aanwezigheid van mr. H.J. Verspuij-Fung, griffier, en uitgesproken in het openbaar op 18 april 2025.

griffierrechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over verzet

Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. [verzoekster] , uit [woonplaats] , verzoekster
  2. Inleiding
  3. Beoordeling door de rechtbank
  4. Beslissing
  5. Informatie over verzet

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: SGR 23/541

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 18 april 2025 in de zaak tussen

[verzoekster] , uit [woonplaats] , verzoekster

en

het college van burgemeester en wethouders van Leiden, verweerder

(gemachtigde: P. van de Ven).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het verzoek om een veroordeling van verweerder in de proceskosten. Verzoekster heeft dit verzoek gedaan bij de intrekking van haar beroep tegen het besluit van verweerder van 1 december 2022 (bestreden besluit).

1.1.

Verweerder voert tegen het verzoek aan dat de intrekking het gevolg is van een gehonoreerd verzoek om kwijtschelding en dat niet alsnog aan de bezwaren van verzoekster is tegemoetgekomen.

1.2.

De rechtbank doet zonder zitting uitspraak op het verzoek om proceskostenveroordeling.[_60915210-cae4-4677-bc05-b6555ef9b776]

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank wijst het verzoek om proceskostenveroordeling af.

3. Als een beroep wordt ingetrokken omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, kan de bestuursrechter op verzoek van de indiener dat bestuursorgaan bij afzonderlijke uitspraak veroordelen in de proceskosten.[_1667821e-7cd8-48eb-96d1-0eb64888c118]

3.1.

Bij besluit van 5 augustus 2022 heeft verweerder de aanvraag van verzoekster om een Bbz-uitkering afgewezen en een bedrag van € 1.965,06 aan voorschotten teruggevorderd. Op 15 oktober 2022 heeft verweerder het bezwaar van verzoekster tegen het besluit van 5 augustus 2022 ontvangen. Bij besluit van 1 december 2022 heeft verweerder het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard vanwege een niet verschoonbare termijnoverschrijding van het bezwaar. Op 16 januari 2023 heeft verzoekster beroep ingediend tegen het bestreden besluit.

3.2.

Bij besluit van 4 maart 2025 heeft verweerder het openstaande schuldbedrag van € 1.965,06 kwijt gescholden. Daarop heeft verzoekster haar beroep tegen het bestreden besluit ingetrokken. Verweerder heeft weliswaar het bestreden besluit niet herroepen maar is met het kwijtschelden geheel tegemoet gekomen aan wat verzoekster met haar bezwaar en beroep wilde bereiken. Verzoekster heeft steeds gesteld dat zij de terugvordering niet betwist maar enkel in aanmerking wil komen voor kwijtschelding. Verweerder had het bezwaar al kunnen begrijpen als verzoek om kwijtschelding, maar heeft dat niet gedaan. In beroep heeft verzoekster haar standpunt herhaald. Uiteindelijk heeft verweerder pas in februari 2025 het kwijtscheldingsverzoek van verzoekster beoordeeld en daarop positief beslist. Hiermee is verweerder tegemoetgekomen aan het beroep van verzoekster. Herroeping van het bestreden besluit is daartoe geen voorwaarde.

4. Desondanks bestaat geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Het beroepschrift is niet ingediend door een derde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent en ook verder is niet gebleken van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen zoals bedoeld in artikel 1 van het Besluit proceskosten bestuursrecht. De rechtbank wijst het verzoek daarom als kennelijk ongegrond af.

5. Verzoekster is wegens betalingsonmacht vrijgesteld van het betalen van griffierecht, zodat verweerder geen griffierecht hoeft te vergoeden.

Beslissing

De rechtbank wijst het verzoek om proceskostenvergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. N.E.M. de Coninck, rechter, in aanwezigheid van mr. H.J. Verspuij-Fung, griffier, en uitgesproken in het openbaar op 18 april 2025.

griffierrechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over verzet

Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.

Wetsartikelen in deze uitspraak

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.