Uitspraak · Socialezekerheidsrecht
Rechtbank Den Haag, 28 juli 2025
ECLI:NL:RBDHA:2025:28189Zaaknummer 23/3167
- Instantie
- Rechtbank Den Haag
- Datum uitspraak
- 28 juli 2025
- Publicatiedatum
- 26 oktober 2026
- Zaaknummer
- 23/3167
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht, Socialezekerheidsrecht
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Zittingsplaats
- Den Haag
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
Beroep ongegrond. Eiser krijgt een schadevergoeding van de Staat van € 50,- wegens overschrijding van de redelijke termijn.
Beslissing
De rechtbank:- verklaart het beroep ongegrond;- veroordeelt de Staat tot een schadevergoeding aan eiser van € 50,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.J. Waterbolk, rechter, in aanwezigheid van
E.M.J. Kemper, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 28 juli 2025.
| griffier | rechter |
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 23/3167
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 28 juli 2025 in de zaak tussen
[eiser], wonende te [woonplaats], eiser,
en
het dagelijks bestuur van de Intergemeentelijke Sociale Dienst Bollenstreek, verweerder
(gemachtigde: [gemachtigde]).
Verder heeft als partij aan deze zaak deelgenomen:
de Staat der Nederlanden (de minister voor Rechtsbescherming).
Procesverloop
Bij besluit van 9 november 2022 (het primaire besluit) heeft verweerder eisers aanvraag van 22 september 2022 om bijzondere bijstand op grond van de Participatiewet (Pw) voor de reiskosten van Hillegom naar Den Haag in verband met het bijwonen van een zitting afgewezen.
Bij besluit van 21 maart 2023 (het bestreden besluit) heeft verweerder het hiertegen door eiser gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft de gedingstukken ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 juli 2025. Eiser is, met kennisgeving vooraf, niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
1. In deze zaak moet de rechtbank beoordelen of verweerder terecht de aanvraag van eiser om bijzondere bijstand voor reiskosten heeft afgewezen. De reiskosten zijn volgens eiser gemaakt vanwege een oproep voor een zitting van het gerechtshof te Den Haag op 1 september 2022.
2. Verweerder heeft het bestreden besluit (samengevat) doen steunen op de overweging dat de gemaakte reiskosten van € 19,16 behoren tot de algemeen noodzakelijke kosten die normaliter uit de algemene bijstandsnorm voldaan moeten kunnen worden. Eiser heeft volgens verweerder niet aannemelijk gemaakt dat de algemene bijstandsuitkering die hij ontvangt niet toereikend is. De omstandigheid dat eiser naar het gerechtshof moest komen maakt niet dat sprake is van uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende kosten die voor bijzondere bijstand in aanmerking komen.
3. De rechtbank onderschrijft de overwegingen van het bestreden besluit. Het daarin weergegeven oordeel is in overeenstemming met vaste rechtspraak over de bijzondere bijstand.
4. Eiser richt zich in het beroepschrift niet specifiek tegen de overwegingen van het bestreden besluit, maar suggereert dat medewerkers van de Intergemeentelijke Sociale Dienst Bollenstreek verantwoordelijk zijn voor de aangifte die tegen hem is gedaan en die ertoe leidde dat hij verplicht werd om te verschijnen bij het gerechtshof te Den Haag. De rechtbank heeft in het dossier geen aanknopingspunten gevonden die het betoog van eiser ondersteunen. Afgezien daarvan doet dit niets af aan het uitgangspunt dat reiskosten, behoudens zeer bijzondere gevallen, tot de algemeen noodzakelijke bestaanskosten behoren, en dat deze in beginsel uit de algemene bijstandsnorm bekostigd moeten kunnen worden. Eiser heeft geen feiten of omstandigheden aangevoerd waaruit kan worden afgeleid dat hij de gemaakte kosten niet zou kunnen betalen.
Het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn
5. Eiser heeft voorafgaand aan de zitting verzocht om vergoeding van immateriële schade, omdat deze procedure volgens hem onredelijk lang heeft geduurd. Vanwege dit verzoek is de Staat der Nederlanden (hierna: de Staat) na sluiting van het onderzoek aangemerkt als partij in deze zaken. De minister voor Rechtsbescherming voert het beleid dat hij in dit soort zaken geen verweer voert. De rechtbank heeft het onderzoek daarom niet heropend.
6. Volgens vaste, op artikel 6 van het EVRM gebaseerde rechtspraak dienen geschillen binnen een redelijke termijn te worden beslist. De redelijke termijn is overschreden als de bezwaar- en beroepsfase samen langer dan twee jaar hebben geduurd. Daarbij is een termijn van zes maanden voor de behandeling van het bezwaar en een termijn van anderhalf jaar voor de behandeling van het beroep redelijk.
7. In deze zaak heeft eiser op 20 december 2022 een bezwaarschrift ingediend tegen de afwijzing van bijzondere bijstand bij primair besluit van 9 november 2022. Gelet op de datum van deze uitspraak is de redelijke termijn met iets meer dan zeven maanden overschreden. Aangezien verweerder tijdig (binnen zes maanden) op het bezwaarschrift heeft beslist, is de overschrijding van de termijn geheel aan de rechtbank toe te rekenen. Normaliter wordt verondersteld dat degene die het beroep indiende daardoor spanning en frustratie heeft ervaren. Daarbij geldt dan wel het uitgangspunt dat er enig belang moet zijn bij de uitkomst van de procedure.
8. De vraag die vervolgens voorligt is hoe hoog de schadevergoeding in dit geval zou moeten zijn. Voor iedere periode van zes maanden overschrijding van de redelijke termijn moet volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad (HR) een immateriële schadevergoeding van € 500,- worden toegekend, waarbij het totaal van de termijnoverschrijding naar boven wordt afgerond[_4b52f4e4-ada0-4fdb-bb56-38b4135f9890].
9. De rechtbank is van oordeel dat de bestuursrechter, binnen de ruimte die de rechtspraak van het EHRM daarvoor biedt, in bepaalde gevallen moet kunnen differentiëren bij de toekenning van een schadevergoeding vanwege het overschrijden van de redelijke termijn, namelijk in die gevallen waarin het (financiële) belang bij de uitkomst van de procedure zeer gering is. De huidige door de hoogste bestuursrechter toegepaste forfaitaire vergoeding van € 500,- per half jaar, die in beginsel geldt voor alle door de bestuursrechter te beslissen geschillen, is naar het oordeel van de rechtbank in dit geval niet passend. Hierbij heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat eiser bijzondere bijstand heeft aangevraagd voor een bedrag van € 19,16. De rechtbank is van oordeel dat eiser met een vergoeding van € 50,- ruim voldoende financiële compensatie krijgt voor de spanning en frustratie die hij mogelijk heeft ervaren als gevolg van de (te) lange duur van deze procedure.
10. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Eiser krijgt wel een schadevergoeding van de Staat van € 50,- wegens overschrijding van de redelijke termijn.
Beslissing
De rechtbank:- verklaart het beroep ongegrond;- veroordeelt de Staat tot een schadevergoeding aan eiser van € 50,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.J. Waterbolk, rechter, in aanwezigheid van
E.M.J. Kemper, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 28 juli 2025.
| griffier | rechter |
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Voetnoten
- Zie het overzichtsarrest van de HR van19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252.
Wetsartikelen in deze uitspraak
Deze uitspraak verwijst naar
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.