Uitspraak · Socialezekerheidsrecht
Rechtbank Den Haag, 28 juli 2025
ECLI:NL:RBDHA:2025:28187Zaaknummer 23/588
- Instantie
- Rechtbank Den Haag
- Datum uitspraak
- 28 juli 2025
- Publicatiedatum
- 26 oktober 2026
- Zaaknummer
- 23/588
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht, Socialezekerheidsrecht
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Zittingsplaats
- Den Haag
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
Beroep ongegrond. Eiser krijgt een schadevergoeding van de Staat van € 128,88 wegens overschrijding van de redelijke termijn.
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- veroordeelt de Staat tot het betalen van een schadevergoeding aan eiser van € 128,88.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.J. Waterbolk, rechter, in aanwezigheid van
E.M.J. Kemper, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 28 juli 2025.
| griffier | rechter |
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 23/588
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 28 juli 2025 in de zaak tussen
[eiser], wonende te [woonplaats], eiser,
en
het dagelijks bestuur van de Intergemeentelijke Sociale Dienst Bollenstreek, verweerder
(gemachtigde: [gemachtigde]).
Verder heeft als partij aan deze zaak deelgenomen:
de Staat der Nederlanden (de minister voor Rechtsbescherming).
Procesverloop
Bij besluit van 23 augustus 2022 (primair besluit 1) heeft verweerder de aanvraag van eiser van 5 juli 2022 om bijzondere bijstand op grond van de Participatiewet (Pw) voor de kosten van de tandarts en van de chiropractor afgewezen. Bij besluit van 6 september 2022 (primair besluit 2) heeft verweerder de aanvraag van eiser van 18 juli 2022 om bijzondere bijstand voor de kosten van de chiropractor afgewezen.
Bij besluit van 8 december 2022 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen beide primaire besluiten ongegrond verklaard.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 juli 2025. Eiser is, met kennisgeving vooraf, niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
1. De rechtbank gaat bij de beoordeling van dit beroep uit van de volgende feiten en omstandigheden. Eiser ontvangt van verweerder een uitkering op grond van de Pw om in de algemeen noodzakelijke bestaanskosten te voorzien. Op 5 juli 2022 en 18 juli 2022 heeft hij aanvragen om bijzondere bijstand ingediend teneinde de eigen bijdrage in de kosten van een behandeling door de tandarts en de chiropractor vergoed te krijgen. Verweerder heeft deze aanvragen bij de primaire besluiten van 23 augustus 2022 en 6 september 2022 afgewezen. De bezwaren tegen beide besluiten zijn door verweerder bij het bestreden besluit ongegrond verklaard. 2. Het bestreden besluit berust (samengevat) op de overweging dat chiropractie een alternatieve geneeswijze is. De kosten daarvan komen op grond van de Zorgverzekeringswet (Zvw) niet voor vergoeding in aanmerking. Daarom is er in beginsel geen ruimte om voor deze kosten bijzondere bijstand te verlenen. Alleen voor reguliere zorg bevatten de Uitvoeringsregels bijzondere bijstand (Uitvoeringsregels) beleid dat ruimte biedt om in bepaalde gevallen een hoge eigen bijdrage in zorgkosten te vergoeden. Wat de tandartskosten betreft biedt de Zvw in beginsel een passende en toereikende voorziening. De eigen bijdrage van de tandarts komt in beginsel wel voor bijzondere bijstand in aanmerking, maar alleen als het totaal van de in een kalenderjaar verschuldigde bijdragen hoger is dan € 250,-. In het geval van eiser was die drempel nog niet overschreden, aldus verweerder.
3. De rechtbank is van oordeel dat de in het beroepschrift van eiser vermelde beroepsgrond geen doel treft. Eiser volstaat met de grief dat het bestreden besluit zich niet verdraagt met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, en meer specifiek met het zorgvuldigheidsbeginsel. Deze beroepsgrond wordt echter verder niet toegelicht, behalve dan met de algemene stelling dat verweerder bij de voorbereiding van het bestreden besluit niet de nodige kennis omrent de relevante feiten en de af te wegen belangen heeft vergaard en dat de gronden van het bezwaar niet aan bod zijn gekomen. Daarmee wordt niet specifiek ingegaan op de motivering van het bestreden besluit, en blijft het onduidelijk waarom eiser die motivering onjuist acht.
4. Verweerder heeft in het bestreden besluit voldoende gemotiveerd waarom beide aanvragen om bijzondere bijstand niet zijn ingewilligd. Daarbij heeft verweerder uitleg gegeven omtrent het wettelijk kader en de toetsing van de aanvragen aan de van toepassing zijnde regels. Ook is verweerder ingegaan op de tegen de primaire besluiten aangevoerde bezwaren. Eiser heeft in beroep niet aangegeven waarom deze beoordeling onjuist is. De rechtbank volstaat daarom met een verwijzing naar de overwegingen van het bestreden besluit.
Het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn
5. Eiser heeft voorafgaand aan de zitting verzocht om vergoeding van immateriële schade, omdat deze procedure volgens hem onredelijk lang heeft geduurd. Vanwege dit verzoek is de Staat der Nederlanden (hierna: de Staat) na sluiting van het onderzoek aangemerkt als partij in deze zaken. De minister voor Rechtsbescherming voert het beleid dat hij in dit soort zaken geen verweer voert. De rechtbank heeft het onderzoek daarom niet heropend.
6. Volgens vaste, op artikel 6 van het EVRM gebaseerde rechtspraak dienen geschillen binnen een redelijke termijn te worden beslist. De redelijke termijn is overschreden als de bezwaar- en beroepsfase samen langer dan twee jaar hebben geduurd. Daarbij is een termijn van zes maanden voor de behandeling van het bezwaar en een termijn van anderhalf jaar voor de behandeling van het beroep redelijk.
7. In deze zaak heeft eiser op 5 oktober 2022 respectievelijk 18 oktober 2022 bezwaarschriften ingediend tegen de afwijzingen van 23 augustus 2022 en 6 september 2022. Gelet op de datum van deze uitspraak is de redelijke termijn met ongeveer 10 maanden overschreden. Aangezien verweerder tijdig (binnen zes maanden) op de bezwaarschriften heeft beslist, is de overschrijding van de termijn geheel aan de rechtbank toe te rekenen. Normaliter wordt verondersteld dat degene die het beroep indiende daardoor spanning en frustratie heeft ervaren. Daarbij geldt dan wel het uitgangspunt dat er enig belang moet zijn bij de uitkomst van de procedure.
8. De vraag die vervolgens voorligt is hoe hoog de schadevergoeding in dit geval zou moeten zijn. Voor iedere periode van zes maanden overschrijding van de redelijke termijn moet volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad (HR) een immateriële schadevergoeding van € 500,- worden toegekend, waarbij het totaal van de termijnoverschrijding naar boven wordt afgerond[_f8156dae-12bf-4ebc-b217-f1cee50d814f]
9. De rechtbank is van oordeel dat de bestuursrechter, binnen de ruimte die de rechtspraak van het EHRM daarvoor biedt, in bepaalde gevallen moet kunnen differentiëren bij de toekenning van een schadevergoeding vanwege het overschrijden van de redelijke termijn, namelijk in die gevallen waarin het (financiële) belang bij de uitkomst van de procedure zeer gering is. De huidige door de hoogste bestuursrechter toegepaste forfaitaire vergoeding van € 500,- per half jaar, die in beginsel geldt voor alle door de bestuursrechter te beslissen geschillen, is naar het oordeel van de rechtbank in dit geval niet passend. Hierbij heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat eiser bijzondere bijstand heeft aangevraagd tot een bedrag van € 128,88 (tandartskosten van € 96,88 en kosten voor de chiropractor van€ 32,-). De rechtbank is van oordeel dat eiser met een vergoeding van dit totale bedrag voldoende financiële compensatie krijgt voor de spanning en frustratie die hij mogelijk heeft ervaren als gevolg van de (te) lange duur van deze procedure.
10. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Eiser krijgt wel een schadevergoeding van de Staat van € 128,88 wegens overschrijding van de redelijke termijn.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- veroordeelt de Staat tot het betalen van een schadevergoeding aan eiser van € 128,88.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.J. Waterbolk, rechter, in aanwezigheid van
E.M.J. Kemper, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 28 juli 2025.
| griffier | rechter |
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Voetnoten
- Zie het overzichtsarrest van de HR van 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252.
Wetsartikelen in deze uitspraak
Deze uitspraak verwijst naar
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.