Uitspraak · Socialezekerheidsrecht

Rechtbank Den Haag, 28 juli 2025

ECLI:NL:RBDHA:2025:28184Zaaknummer 23/8281

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
28 juli 2025
Publicatiedatum
26 oktober 2026
Zaaknummer
23/8281
Rechtsgebied
Bestuursrecht, Socialezekerheidsrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats
Den Haag
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Beroep gegrond. Het besluit waarvan herziening wordt gevraagd, staat nog niet in rechte vast, omdat ten tijde van de indienen van het herzieningsverzoek hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank aanhangig is. Verweerder kon niet tot de conclusie komen dat eiser geen belang had bij wijziging van dat besluit. Verweerder heeft het bezwaar van eiser ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard.

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;- vernietigt het besluit van verweerder van 23 oktober 2023;- verklaart het bezwaar van eiser tegen het besluit van 18 augustus 2023 ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. C.J. Waterbolk, rechter, in aanwezigheid van

E.M.J. Kemper, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 28 juli 2025.

griffierrechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. Procesverloop
  2. Overwegingen
  3. Beslissing
  4. Informatie over hoger beroep

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: SGR 23/8281

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 28 juli 2025 in de zaak tussen

drs. [eiser], wonende te [woonplaats], eiser,

en

het dagelijks bestuur van de Intergemeentelijke Sociale Dienst Bollenstreek, verweerder

(gemachtigde: [gemachtigde]).

Procesverloop

Bij besluit van 18 augustus 2023 (het primaire besluit) heeft verweerder het verzoek van eiser van 6 augustus 2023 om herziening van het besluit van 16 augustus 2021 afgewezen.

Bij besluit van 23 oktober 2023 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen het besluit van 18 augustus 2023 niet-ontvankelijk verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft de gedingstukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 juli 2025. Eiser is, met kennisgeving vooraf, niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. In deze zaak moet de rechtbank beoordelen of verweerder het bezwaar van eiser terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard.

2. Uit de gedingstukken blijkt het volgende. Eiser heeft op 5 april 2021 een aanvraag om individuele inkomenstoeslag ingediend. Verweerder heeft die aanvraag bij besluit van 9 april 2021 afgewezen omdat eiser (kort gezegd) geen recht heeft op die toeslag. Eiser heeft tegen dat besluit bezwaar gemaakt. Bij besluit van 16 augustus 2021 heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard. Daartoe heeft verweerder overwogen dat eiser in beginsel per 1 mei 2021 in aanmerking zou komen voor een individuele inkomenstoeslag. Verweerder heeft echter besloten de inkomenstoeslag te verlagen met 100% omdat de kosten waarvoor eiser bijstand vraagt een gevolg zijn van het tekortschietend besef van verantwoordelijkheid. In de visie van verweerder was eiser als gevolg van verwijtbaar handelen (het verkopen van zijn woning voor een te laag bedrag, onder de marktwaarde) tenminste 6 maanden eerder dan noodzakelijk aangewezen op een bijstandsuitkering.Tegen dit besluit heeft eiser destijds beroep ingesteld bij deze rechtbank.

3. Eiser heeft bij brief van 6 augustus 2023 verzocht om herziening van het besluit van 16 augustus 2021. Daartoe heeft hij verwezen naar de uitspraak van deze rechtbank van 26 juli 2023, zaaknummer SGR 21/6187, overweging 8.3.[_7fcf983c-823d-42e4-b54b-5f1b35825782] Daarin staat dat de gemachtigde van de Intergemeentelijke Sociale Dienst (ISD) Bollenstreek heeft gesteld dat de primaire afwijzing van de aanvraag had moeten worden gehandhaafd omdat eiser niet voldeed aan de voorwaarde van artikel 2, onder c, van de Verordening individuele inkomenstoeslag Participatiewet, IOAW, IOAZ 2020. Hij heeft de rechtbank verzocht om de ISD Bollenstreek door middel van een bestuurlijke lus in de gelegenheid te stellen dit gebrek te herstellen. Aan dit verzoek is de rechtbank voorbijgegaan. Daarom heeft eiser gevraagd om het besluit van 16 augustus 2021 te herzien en het door de ISD Bollenstreek zelf geconstateerde gebrek te herstellen.

4. Verweerder heeft het verzoek van eiser bij (primair) besluit van 18 augustus 2023 afgewezen omdat blijkens de eerdere uitspraak van de rechtbank geen sprake was van een inhoudelijk gebrek (waarmee is bedoeld dat eiser hoe dan ook geen aanspraak kon maken op een inkomenstoeslag) en omdat eiser geen nieuw gebleken feiten of omstandigheden heeft aangevoerd die aanleiding zouden geven voor een herziening van de eerdere beslissing. In het bestreden besluit op bezwaar heeft verweerder (na heroverweging) het standpunt ingenomen dat eiser geen procesbelang heeft, omdat hij met een herziening van de grondslag van het eerdere afwijzende besluit niet in een andere (betere) positie kan komen dan de bestaande uitgangspositie waarin is geoordeeld dat eiser in beginsel wel voor de inkomenstoeslag in aanmerking zou zijn gekomen, zij het, dat deze bij wijze van maatregel met 100% diende te worden verlaagd. Daarnaast heeft verweerder overwogen dat eiser hoger beroep heeft ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank van 26 juli 2023 en dat eiser langs die weg zijn grieven tegen het besluit van 16 augustus 2021 (opnieuw) aan de orde kan stellen.

5. Eiser betwist in beroep dat hij door afwijzing van (het recht op) de individuele inkomenstoeslag (zoals destijds bij besluit van 9 april 2021) niet in een betere positie kan komen dan door handhaving van het besluit van 16 augustus 2021. Verder beroept hij zich op het verzoek van de gemachtigde van de ISD Bollenstreek zoals weergeven in overweging 3 van de rechtbankuitspraak. Aangezien de rechtbank aan dat verzoek is voorbijgegaan had verweerder zelf het besluit van 16 augustus 2021 moeten herzien, zoals door hem verzocht.

6. De rechtbank heeft het verzoek van eiser opgevat als een verzoek om herziening van het besluit van 16 augustus 2021 in die zin, dat het oorspronkelijke primaire besluit van 9 april 2021 wordt hersteld.

7. Voor een verzoek om herziening geldt dat de aanvrager nieuw gebleken feiten of omstandigheden moet aanvoeren.[_7bc6c1ea-7d37-43be-b618-9df49aed852b] Daaronder worden verstaan feiten of omstandigheden die ná het eerdere besluit zijn voorgevallen, dan wel feiten of omstandigheden die weliswaar vóór het eerdere besluit zijn voorgevallen, maar die niet vóór dat besluit konden worden aangevoerd. Nieuw gebleken feiten zijn ook bewijsstukken van al eerder gestelde feiten of omstandigheden, als deze bewijsstukken niet eerder konden worden overgelegd.

8. Een verzoek om herziening van een eerder besluit kan alleen worden gedaan indien de mogelijkheid van (hoger) beroep tegen dat besluit niet meer bestaat, anders gezegd wanneer het besluit waarvan herziening wordt gevraagd in rechte vaststaat. In dit geval was ten tijde van de indiening van het herzieningsverzoek nog hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank van 26 juli 2023 aanhangig. De Centrale Raad van Beroep (CRvB) heeft nog niet op het hoger beroep beslist. Eiser kon zijn grieven tegen het besluit van 16 augustus 2021 in de hoger beroepsprocedure aan de orde stellen. Reeds hierom is een verzoek om herziening van het besluit van 16 augustus 2021 niet mogelijk. Op grond hiervan had verweerder het herzieningsverzoek moeten afwijzen.

9. Nu het oorspronkelijke besluit waarvan herziening is verzocht nog onderwerp is van een (hoger beroeps)procedure bij de CRvB, kon verweerder naar het oordeel van de rechtbank niet tot de conclusie komen dat eiser geen belang bij wijziging van dat besluit heeft. Daarom heeft verweerder het bezwaar ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard.

10. Gelet op overweging 7 was herziening van het besluit van 16 augustus 2021 niet mogelijk en had verweerder het bezwaar ongegrond dienen te verklaren. Hierin ziet de aanleiding om het beroep gegrond te verklaren en het bestreden besluit van 23 oktober 2023 te vernietigen. De rechtbank voorziet met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht zelf in de zaak door het bezwaar van eiser tegen het besluit van 18 augustus 2023 ongegrond te verklaren.

11. Van voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten is niet gebleken. Aangezien eiser in deze procedure is vrijgesteld van de betaling van griffierecht, hoeft verweerder geen griffierecht te vergoeden.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;- vernietigt het besluit van verweerder van 23 oktober 2023;- verklaart het bezwaar van eiser tegen het besluit van 18 augustus 2023 ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. C.J. Waterbolk, rechter, in aanwezigheid van

E.M.J. Kemper, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 28 juli 2025.

griffierrechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

  1. ECLI:NL:RBDHA:2023:11470
  2. Dit volgt uit artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht.

Wetsartikelen in deze uitspraak

Deze uitspraak verwijst naar

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.