Uitspraak · Personen- en familierecht
Rechtbank Den Haag, 3 september 2025
ECLI:NL:RBDHA:2025:28050Zaaknummer C/09/687335 / FA RK 25-4687
- Instantie
- Rechtbank Den Haag
- Datum uitspraak
- 3 september 2025
- Publicatiedatum
- 24 augustus 2026
- Zaaknummer
- C/09/687335 / FA RK 25-4687
- Rechtsgebied
- Civiel recht, Personen- en familierecht
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudig, Beschikking
- Zittingsplaats
- Den Haag
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
Vaststellen zorgregeling
De rechtbank:
*
bepaalt dat de minderjarige [minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2022 te [geboorteplaats], vanaf heden bij de vader zal zijn om de week van woensdag van 9.00 uur tot zondag 18.30 uur, waarbij de vader [minderjarige] ophaalt bij de moeder en haar daar weer terugbrengt;
bepaalt dat als het partijen niet lukt om in onderling overleg af te spreken wanneer deze regeling zal gelden, [minderjarige] in de oneven weken bij de vader zal zijn;bepaalt voorts dat het aan partijen is om in samenwerking met de hulpverleningsinstantie van ouderschapsbemiddeling toe te werken naar een week-op-week-af-regeling;
*
bepaalt ten aanzien van de vakantieregeling dat totdat [minderjarige] naar de basisschool gaat gedurende de schoolvakanties de reguliere zorgregeling zal doorlopen en tijdens de feestdagen de volgende regeling zal gelden:
- Oud en nieuw: van oneven naar even jaren bij de vader, van even jaren naar oneven jaren bij de moeder;
- Pasen: conform reguliere zorgregeling;
- Koningsdag: in de even jaren bij de vader, in de oneven jaren bij de moeder;
- Hemelvaartsdag: conform reguliere zorgregeling
- Pinksteren: conform reguliere zorgregeling
- Sinterklaas: in de oneven jaren bij de vader en in de even jaren bij de moeder;
- Kerst: in de oneven jaren Eerste Kerstdag bij de vader en Tweede Kerstdag bij de moeder en in de even jaren andersom;
- Moederdag: bij de moeder;
- Vaderdag: bij de vader;
- Verjaardag moeder: bij de moeder;
- Verjaardag vader: bij de vader;
- Verjaardag [minderjarige]: in de oneven jaren bij de vader en in de even jaren bij de moeder;
*
bepaalt dat vanaf het moment dat [minderjarige] naar de basisschool gaat, de feestdagenregeling zoals hierboven doorloopt en de ouders in onderling overleg een vakantieregeling zullen vastleggen, waarbij het uitgangspunt is dat deze bij helfte verdeeld wordt en de verdeling van de zomervakantie als volgt zal worden opgebouwd:
- 2026: [minderjarige] verblijft in gelijke perioden om en om bij beide ouders, waarbij zij in ieder geval één keer minstens tien dagen achtereenvolgens bij dezelfde ouder verblijft, zodat beide ouders met haar op vakantie kunnen voor tien dagen;
- 2027: [minderjarige] verblijft volgens een twee-een-twee-een regeling bij de ouders, zodat beide ouders twee weken met haar op vakantie kunnen;
- 2028: [minderjarige] verblijft drie weken bij de ene ouder en drie weken bij de andere ouder,
waarbij de invulling van de vakantie- en feestdagenregeling bij het ouderschapsbemiddelingstraject nader vormgegeven kan worden;
*
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
*
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. C.L. Strop, kinderrechter, bijgestaan door mr. L.E. Meisters als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 3 september 2025.
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
Rechtbank DEN HAAG
Enkelvoudige kamer
Rekestnummer: FA RK 25-4687
Zaaknummer: C/09/687335
Datum beschikking: 3 september 2025
Verdeling van de zorg- en opvoedingstaken
Beschikking op het op 23 juni 2025 ingekomen verzoek van:
[de vader],
de vader,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. G. van der Steen te Den Haag.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:
[de moeder],
de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. N. Meijer te Rotterdam.
Procedure
De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken waaronder:
- het verzoekschrift;
- het verweerschrift tevens zelfstandig verzoek;
- het F9-formulier van 22 juli 2025 van de vader, met bijlagen;
- het F9-formulier van 29 juli 2025 van de vader, met bijlagen;
- het F9-formulier van 29 juli 2025 van de moeder, met bijlage.
Op 30 juli 2025 is de zaak ter terechtzitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen: de vader en de moeder, bijgestaan door hun advocaten en [naam] namens de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad).
Feiten
- Partijen hebben een affectieve relatie met elkaar gehad.
- Zij zijn de ouders van het minderjarige kind:
- [minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2022 te [geboorteplaats].
- [minderjarige] verblijft bij de moeder.
- Partijen oefenen – blijkens een aantekening uit het gezagsregister – sinds 21 mei 2024 gezamenlijk het gezag over [minderjarige] uit.
- Bij vonnis van deze rechtbank van 1 december 2023 is – voor zover hier aan de orde – een omgangsregeling vastgesteld tussen [minderjarige] en de vader, in die zin dat zij omgang met elkaar hebben:
- gedurende de eerste twee weken na het vonnis twee uur op woensdag en twee uur op zondag;
- daarna op woensdag van 9.00 uur tot 13.00 uur en op zondag van 9.00 uur tot 13.00 uur;
- op 26 december 2023 van 9.00 uur tot 13.00 uur.
- Bij vonnis van deze rechtbank van 10 juli 2025 is – voor zover hier van belang – bepaald dat een voorlopige zorgregeling zal gelden waarbij [minderjarige] met ingang van 2 juli 2025:
- elke woensdag bij de vader zal verblijven van 9.00 uur tot 19.00 uur, waarbij de vader [minderjarige] ophaalt bij en terugbrengt naar de moeder; en
- om de week bij de vader zal verblijven van vrijdag 15.00 uur tot zondag 18.30 uur, waarbij de vader [minderjarige] op vrijdag om 15.00 uur ophaalt van de opvang en haar op zondag om 18.30 uur terugbrengt naar de moeder.
- Daarnaast is aan de vader bij vonnis van 10 juli 2025 vervangende toestemming verleend om van 12 augustus 2025 tot en met 19 augustus 2025 met [minderjarige] met vakantie te gaan naar [plaats] (Spanje) en zijn ouders doorverwezen naar Kenniscentrum Kind en Scheiding voor deelname aan het traject Ouderschapsbemiddeling, waarbij is bepaald dat partijen de rechtbank in de onderhavige procedure informeren over het verloop van dit traject.
Verzoek en verweer
Het verzoekschrift strekt tot wijziging van de beschikking van deze rechtbank van 1 december 2023, in die zin dat de vader verzoekt:
- een zorgregeling tussen de vader en [minderjarige] vast te stellen waarbij zij van zondag 18.30 uur tot de volgende zondag 18.30 uur bij de vader zal verblijven, dan wel een omgangs- dan wel zorgregeling vast te stellen als de rechtbank in goede justitie vermeent te behoren;
- een vakantie- en feestdagenregeling vast te stellen zoals onder punt 25, 26 en 27 van het verzoekschrift is geformuleerd,
voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad.
De moeder voert verweer, dat hierna – voor zover nodig – zal worden besproken, en verzoekt een verdeling van de zorg- en opvoedingstaken vast te stellen waarbij [minderjarige]:
- iedere woensdag van 09:00 uur tot 18:30 uur bij de vader zal verblijven. De vader haalt [minderjarige] open brengt haar ook weer terug bij de moeder;
- om de week bij de vader verblijft van vrijdag 15:00 uur tot zondag 18:30 uur, waarbij de vader [minderjarige] op vrijdag om 15:00 uur ophaalt van de opvang en haar op zondag om 18:30 uur terugbrengt bij de moeder,
- alsmede een vakantie- en feestdagenregeling vast te stellen zoals geformuleerd onder randnummer 4.3.,
voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad.
Beoordeling
Juridisch kader
Op grond van artikel 1:253a van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechtbank op verzoek van de ouders of een van hen een regeling vaststellen inzake de uitoefening van het ouderlijk gezag. Op grond van het tweede lid van dit artikel kan deze regeling een toedeling aan ieder van de ouders van de zorg- en opvoedingstaken omvatten (zorgregeling). De rechtbank neemt een zodanige beslissing als haar in het belang van het kind wenselijk voorkomt.
Stand van zaken
Aanvankelijk had de moeder van rechtswege alleen het gezag over [minderjarige]. Op 1 december 2023 is bij een kortgedingvonnis een omgangsregeling vastgesteld. Deze omgangsregeling is door partijen nooit nageleefd omdat zij daarna weer op goede voet met elkaar zijn geraakt en samen het gezamenlijk gezag over [minderjarige] hebben geregeld. De vader stelt dat er toen tussen de ouders weer sprake was van een relatie, maar de moeder betwist dit. Wel staat vast dat de ouders toen de zorgtaken voor [minderjarige] met elkaar in goed overleg verdeelden. In 2025 is de verhouding tussen de ouders verslechterd. Inmiddels zijn zij niet meer in staat om samen afspraken te maken over de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken over [minderjarige]. De ouders kijken verschillend naar hoe een regeling zou moeten worden ingevuld. Wel zijn de ouders het erover eens dat er een zorgregeling moet worden vastgesteld, zodat de ouders en [minderjarige] meer duidelijkheid en structuur krijgen.
Op 10 juli 2025 heeft deze rechtbank een kortgedingvonnis gewezen waarin een voorlopige zorgregeling is vastgelegd. De rechtbank moet tegen de achtergrond van die regeling beoordelen of het in het belang is van [minderjarige] om de door de vader gewenste week-op-week-afregeling vast te stellen of de door de moeder gewenste zorgregeling, bijna gelijk aan de huidige regeling zoals in kort geding bepaald.
Standpunten
De vader wenst een meer gelijkwaardigere verdeling van de zorg- en opvoedingstaken over [minderjarige]. Hij stelt dat hij hier liever met de moeder zelf afspraken over had gemaakt, maar onder andere vanwege de verschillende communicatiestijlen van de ouders komen zij hier niet uit. De vader heeft het gevoel dat de moeder alles in haar eentje beslist, terwijl hij juist samen met de moeder beslissingen wil nemen en een grotere rol wil spelen in het leven van [minderjarige]. Door de opstelling van de moeder wordt een uitbreiding van het contact tussen de vader en [minderjarige] beperkt. De vader wenst dat er een co-ouderschapsregeling vastgesteld wordt. Er zijn geen contra-indicaties om niet een gelijkwaardige verdeling van de zorg- en opvoedtaken vast te kunnen stellen. De vader betwist dan ook de beschuldigingen en door de moeder geuite zorgen. Hij kan heel goed een co-ouderschapsregeling combineren met zijn werk als ZZP’er, in samenwerking met zijn netwerk van familie en vrienden. Daarnaast verzoekt de vader een vakantie- en feestdagenregeling vast te stellen.
De moeder verzoekt bijna dezelfde regeling als voorlopig is vastgelegd bij vonnis in kort geding van 10 juli 2025 vast te leggen. Zij kan zich niet vinden in de week-op-week-afregeling zoals de vader heeft verzocht. [minderjarige] heeft vanwege haar jonge leeftijd behoefte aan stabiliteit, continuïteit en nabijheid van haar primaire verzorger, de moeder. [minderjarige] kan volgens de moeder niet zo lang weg zijn bij haar als primaire hechtingsfiguur. Daarnaast is de communicatie tussen de ouders erg slecht en maakt zij zich zorgen over de opvoedcapaciteiten van de vader. De moeder heeft het gevoel dat met name de moeder van de vader, oma, [minderjarige] meer wil zien en dat dit de reden is dat de vader dit verzoek doet. Ook heeft de moeder haar zorgen geuit over mogelijk misbruik van de moeder van de vader richting [minderjarige] en het alcoholgebruik van de familie van de vader.
De Raad heeft aangevoerd dat hij geen contra-indicaties ziet om een co-ouderschapsregeling vast te leggen. Op het moment dat ouders uit elkaar gaan, is het logisch dat zij op hun eigen manier een opvoedstijl ontwikkelen die misschien niet helemaal overeenkomt met die van de andere ouder. De vader moet van de moeder wel de kans krijgen om zich hierin te ontwikkelen en de moeder moet op de zorgdagen van de vader de verantwoordelijkheid bij de vader laten en dit loslaten. De Raad ziet het niet als bezwaarlijk dat de familie van de vader een rol in de zorgregeling speelt, omdat het vaak voorkomt dat grootouders betrokken zijn bij de zorg en opvoeding, zeker in het geval van een co-ouderschapsregeling. De Raad ziet ook in de leeftijd van [minderjarige] geen belemmering voor co-ouderschap en benadrukt in verband daarmee dat het voor de hechting aan beide ouders juist belangrijk is dat zij met haar vader ook vaak contact heeft. De moeder is niet het enige hechtingsfiguur. Mocht de rechtbank tot een co-ouderschapsregeling komen, is belangrijk dat de moeder aan de vader communiceert hoe zij het dag- en nachtritme van [minderjarige] vormgeeft en welke signalen zij geeft aan de moeder, zodat de vader weet hoe hij hierop moet reageren en dan op de juiste manier op de behoeften van [minderjarige] kan aansluiten.
Inhoudelijke beoordeling
De rechtbank overweegt als volgt. Net als de Raad ziet de rechtbank geen contra-indicaties voor het vastleggen van een gelijkwaardige verdeling van de zorg- en opvoedingstaken. Het is duidelijk dat het schort aan de huidige communicatie tussen de ouders en dat zij de communicatie in het belang van [minderjarige] zullen moeten verbeteren. De door de moeder geuite zorgen lijken voornamelijk voort te komen uit de slechte onderlinge communicatie van de ouders. Op de zitting is het de rechtbank ook opgevallen dat de ouders andere communicatiestijlen hebben en dat het voor hen nu moeilijk is om nader tot elkaar te komen. De rechtbank heeft er vertrouwen in dat de ouders hieraan zullen gaan werken in het ouderschapsbemiddelingstraject waarnaar de rechtbank de ouders al eerder heeft verwezen.
De ouders en [minderjarige] zijn erbij gebaat dat er duidelijkheid komt over de zorgregeling. De rechtbank is van oordeel dat er op termijn toegewerkt moet worden naar een week-op-week-afregeling, maar dat het nu nog te vroeg is om deze regeling al vast te leggen. De rechtbank acht het belangrijk dat zowel [minderjarige] als de moeder went aan een andere regeling. Daarom zal de rechtbank een opbouwregeling vastleggen als tussenstap naar die week-op-week-afregeling. De rechtbank gaat ervanuit dat de ouders in samenwerking met de hulpverlening bij het ouderschapsbemiddelingstraject zullen toewerken naar een week-op-week-afregeling, waarbij de rechtbank de regie hiervoor bij de hulpverleningsinstantie van dit traject laat om te bepalen wanneer de ouders de stap kunnen zetten naar de week-op-week-afregeling. De rechtbank gaat ervanuit dat de ouders hier beiden in het belang van [minderjarige] aan zullen meewerken.
Voor nu zal de rechtbank bepalen dat [minderjarige] bij de vader is om de week van woensdagochtend 9.00 uur tot zondagavond 18.30 uur, waarbij de vader [minderjarige] ophaalt bij de moeder en haar daar weer terugbrengt. Het is aan partijen om af te spreken wanneer deze regeling zal gelden, in de even of de oneven weken. Als partijen daar niet in onderling overleg uitkomen, zal de [minderjarige] in de oneven weken bij de vader zijn. De rechtbank is van oordeel dat deze regeling in het belang is van [minderjarige], omdat dit het aantal overdrachtsmomenten beperkt, waardoor er hopelijk minder frictie tussen de ouders bij deze momenten kan ontstaan. Daarnaast kan [minderjarige] op deze manier wennen aan het voor langere tijd bij één ouder zijn, zodat partijen kunnen toewerken naar de week-op-week-afregeling. Vanwege het belang bij rust en duidelijkheid zal de rechtbank een eindbeschikking wijzen.
De rechtbank geeft de ouders daarnaast mee dat het hun beider verantwoordelijkheid is om de communicatie rondom de zorgregeling goed te laten verlopen. Met de Raad is de rechtbank van oordeel dat zij daarnaast moeten werken aan het loslaten van de zorg voor [minderjarige] op het moment dat zij bij de andere ouder is. De ouder bij wie [minderjarige] op dat moment is, vult de tijd met [minderjarige] zelf in en dit is dan zijn/haar verantwoordelijkheid.
Omdat [minderjarige] nog niet naar de basisschool gaat, ziet de rechtbank nu geen aanleiding om een vakantieregeling vast te stellen. Dit ook omdat de ouders het niet eens zijn over een dergelijke regeling en het belangrijk is dat zij eerst de reguliere zorgregeling goed gaan vormgeven. De reguliere zorgregeling zal dan ook doorlopen in de vakanties. Ten aanzien van de feestdagen zal de rechtbank het voorstel van de vader volgen, waarbij de rechtbank de kanttekening van de moeder volgt dat gedurende de tijd dat [minderjarige] tijdens de feestdagen bij de vader is, er verantwoordelijk met alcohol moet worden omgegaan in het bijzijn van [minderjarige].
Tegen de tijd dat [minderjarige] naar de basisschool gaat, is het aan de ouders om hier goede afspraken over te maken en in onderling overleg aan het begin van het schooljaar een verdeling van de vakanties te maken. Het uitgangspunt dient hierbij te zijn – in lijn met de co-ouderschapsregeling – dat de vakanties bij helfte verdeeld zullen worden. Nadere invulling hiervan kunnen partijen ook bij het ouderschapsbemiddelingstraject bespreken.
Aannemende dat voor [minderjarige] voor het eerst in 2026 de zomervakantie volgens de landelijke regeling voor schoolvakanties zal gelden, zal de rechtbank niet het voorstel van de moeder volgen dat [minderjarige] in dat jaar volgens een week-op-week-afregeling bij de ouders moet verblijven, omdat beide ouders dan niet langer dan een week met haar op vakantie kunnen. De rechtbank legt vast dat [minderjarige] in de zomervakantie van 2026 in gelijke perioden om en om bij beide ouders zal verblijven, waarbij beide ouders allebei in ieder geval tien dagen met [minderjarige] op vakantie kunnen. De precieze invulling hiervan dienen zij zelf in onderling overleg af te spreken. In 2027 zal [minderjarige] volgens een regeling van twee-een-twee-een bij de ouders verblijven gedurende de zomervakantie, zodat beide ouders twee weken met haar op vakantie kunnen en in 2028 zal de zomervakantie bij helfte van drie om drie weken moeten worden verdeeld.
Beslissing
De rechtbank:
*
bepaalt dat de minderjarige [minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2022 te [geboorteplaats], vanaf heden bij de vader zal zijn om de week van woensdag van 9.00 uur tot zondag 18.30 uur, waarbij de vader [minderjarige] ophaalt bij de moeder en haar daar weer terugbrengt;
bepaalt dat als het partijen niet lukt om in onderling overleg af te spreken wanneer deze regeling zal gelden, [minderjarige] in de oneven weken bij de vader zal zijn;bepaalt voorts dat het aan partijen is om in samenwerking met de hulpverleningsinstantie van ouderschapsbemiddeling toe te werken naar een week-op-week-af-regeling;
*
bepaalt ten aanzien van de vakantieregeling dat totdat [minderjarige] naar de basisschool gaat gedurende de schoolvakanties de reguliere zorgregeling zal doorlopen en tijdens de feestdagen de volgende regeling zal gelden:
- Oud en nieuw: van oneven naar even jaren bij de vader, van even jaren naar oneven jaren bij de moeder;
- Pasen: conform reguliere zorgregeling;
- Koningsdag: in de even jaren bij de vader, in de oneven jaren bij de moeder;
- Hemelvaartsdag: conform reguliere zorgregeling
- Pinksteren: conform reguliere zorgregeling
- Sinterklaas: in de oneven jaren bij de vader en in de even jaren bij de moeder;
- Kerst: in de oneven jaren Eerste Kerstdag bij de vader en Tweede Kerstdag bij de moeder en in de even jaren andersom;
- Moederdag: bij de moeder;
- Vaderdag: bij de vader;
- Verjaardag moeder: bij de moeder;
- Verjaardag vader: bij de vader;
- Verjaardag [minderjarige]: in de oneven jaren bij de vader en in de even jaren bij de moeder;
*
bepaalt dat vanaf het moment dat [minderjarige] naar de basisschool gaat, de feestdagenregeling zoals hierboven doorloopt en de ouders in onderling overleg een vakantieregeling zullen vastleggen, waarbij het uitgangspunt is dat deze bij helfte verdeeld wordt en de verdeling van de zomervakantie als volgt zal worden opgebouwd:
- 2026: [minderjarige] verblijft in gelijke perioden om en om bij beide ouders, waarbij zij in ieder geval één keer minstens tien dagen achtereenvolgens bij dezelfde ouder verblijft, zodat beide ouders met haar op vakantie kunnen voor tien dagen;
- 2027: [minderjarige] verblijft volgens een twee-een-twee-een regeling bij de ouders, zodat beide ouders twee weken met haar op vakantie kunnen;
- 2028: [minderjarige] verblijft drie weken bij de ene ouder en drie weken bij de andere ouder,
waarbij de invulling van de vakantie- en feestdagenregeling bij het ouderschapsbemiddelingstraject nader vormgegeven kan worden;
*
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
*
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. C.L. Strop, kinderrechter, bijgestaan door mr. L.E. Meisters als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 3 september 2025.
Wetsartikelen in deze uitspraak
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.