Uitspraak · Belastingrecht
Rechtbank Den Haag, 29 januari 2025
ECLI:NL:RBDHA:2025:2236Zaaknummer SGR 23/7920
- Instantie
- Rechtbank Den Haag
- Datum uitspraak
- 29 januari 2025
- Publicatiedatum
- 26 oktober 2026
- Zaaknummer
- SGR 23/7920
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht, Belastingrecht
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Zittingsplaats
- Den Haag
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
Bpm.
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- veroordeelt verweerder tot vergoeding van immateriële schade tot een bedrag van € 1.000;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 218,75;
- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van 184 aan eiseres te vergoeden;
- draagt verweerder op om de toegekende vergoedingen te betalen op een bankrekening die op naam staat van eiseres.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E. Kouwenhoven, rechter, in aanwezigheid van
mr. A.J. Kwestro, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 29 januari 2025.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof Den Haag (team belastingrecht).
Dat kan digitaal via www.rechtspraak.nl, daar klikt u op “Formulieren en inloggen”. Hoger beroep instellen kan ook door verzending van een brief aan het gerechtshof Den Haag (belastingkamer), Postbus 20302, 2500 EH Den Haag.
Bij het instellen van het hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:
1 - bij het hogerberoepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;
2 - het hogerberoepschrift is, indien het op papier wordt ingediend, ondertekend.
Verder vermeldt u ten minste het volgende:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de datum van verzending;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;
d. de redenen waarom u het niet eens bent met de uitspraak (de gronden van het hoger beroep).
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
Rechtbank DEN HAAG
Team belastingrecht
zaaknummer: SGR 23/7920
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 29 januari 2025 in de zaak tussen
[eiseres] h.o.d.n. [handelsnaam], gevestigd te [woonplaats], eiseres
(gemachtigde: mr. S.M. Bothof),
en
de inspecteur van de Belastingdienst, verweerder.
Procesverloop
Verweerder heeft aan eiseres een naheffingsaanslag belasting van personenauto’s en motorrijwielen (Bpm) opgelegd.
Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 18 oktober 2023 de naheffingsaanslag gehandhaafd.
Eiseres heeft daartegen beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Verweerder heeft voorafgaand aan de zitting een nader stuk ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 december 2024.
Eiseres is vertegenwoordigd door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. [medewerker belastingdienst 1] en mr. [medewerker belastingdienst 2].
Overwegingen
Feiten
1. Eiseres heeft op 22 november 2021 aangifte Bpm gedaan ter zake van een Mercedes-Benz AMG G 63 (de auto). De datum van eerste toelating is 18 augustus 2020.
In de aangifte staat vermeld dat de datum van keuring door de RDW 14 november 2021 is.
2. In de aangifte Bpm is de te betalen belasting berekend op basis van een taxatierapport van Haaglanden Expertise. Daarin is de historische nieuwprijs van de auto vastgesteld op € 274.173 en de handelsinkoopwaarde in onbeschadigde staat op € 149.487 (koerslijst Eurotax). Met inachtneming van een waardevermindering wegens schade aan de auto (de schade is bepaald op € 47.118,14 en is, met uitzondering van € 250 voor gebruikerssporen op basis van een tabel, voor 100% in aanmerking genomen), en een vermindering wegens ‘geen oordeel kilometerstand RDW’ (€ 4.000) is de handelsinkoopwaarde in beschadigde staat bepaald op € 98.620. De fysieke opname heeft volgens het taxatierapport plaatsgevonden op 5 november 2021.
3. De inkoopfactuur is niet verstrekt.
4. De te betalen Bpm is berekend op € 26.630 en is voldaan.
5. De datum van keuring door de RDW is 15 december 2021, waarbij de kilometerstand 9.315 km bedroeg. De RDW heeft de CO2-uitstoot vastgesteld op 299 gr/km NEDC en 344 g/km WLTP. De fysieke opname heeft volgens het taxatierapport plaatsgevonden op 19 januari 2019.
6. De aangifte is geselecteerd voor een controle. Eiseres is op 21 december 2021 uitgenodigd om het voertuig te tonen aan de dienst Domeinen Roerende Zaken (DRZ) op 22 december 2023. Eiseres heeft het voertuig niet getoond.
7. De deskundige van DRZ heeft de waarde bepaald op basis van de koerslijst,
aan de hand van het SilverDAT VIN-informatie Rapport. Het DRZ-rapport van 23 december 2021 vermeldt een historische nieuwprijs van € 273.163, een netto catalogusprijs van € 151.325 en een handelsinkoopwaarde van € 148.731 (koerslijst Eurotax XchangeNet). De DRZ heeft geen waardevermindering wegens schade in aanmerking genomen.
8. Op basis van de rapportage van DRZ heeft verweerder de te betalen Bpm berekend en vastgesteld op € 39.375. Verweerder heeft een naheffingsaanslag van € 12.745 opgelegd.
Geschil
9. In geschil is of de naheffingsaanslag terecht en tot het juiste bedrag is opgelegd. Meer specifiek in geschil is:
- of verweerder terecht geen waardevermindering wegens schade in aanmerking heeft genomen;
- of de verschuldigde Bpm kan worden bepaald aan de hand van de herrekende Bpm van eerder ingevoerde gelijksoortige auto’s (de herleidingsmethode).
Beoordeling van het geschil
Waardevermindering wegens schade
10. Eiseres stelt dat de verschuldigde Bpm op een te hoog bedrag is berekend, omdat ten onrechte geen rekening is gehouden met de waardevermindering door schade, in de omvang als door eiseres gesteld. De bewijslast daartoe rust op eiseres. Zij heeft daartoe verwezen naar het taxatierapport dat ten grondslag is gelegd aan de aangifte. Dienaangaande overweegt de rechtbank het volgende.
11. De rechtbank stelt ten eerste vast dat eiseres in haar aangifte een onjuiste datum van keuring door de RDW heeft vermeld, namelijk 14 november 2021 (datum volgens aangifte) in plaats van 15 december 2021 (feitelijke datum keuring). Dat betekent ook dat de fysieke opname door eiseresses taxateur (5 november 2021) heeft plaatsgevonden méér dan een maand voor de keuring door de RDW. Verweerder stelt terecht dat dat het taxatierapport daarmee in feite te oud is en dat om die reden ook niet kan worden vastgesteld dat de toestand tijdens de fysieke opname ook de toestand op het moment van belastbaar moment is. Dat doet reeds af aan de overtuigingskracht van het taxatierapport.
12. Verder is komen vast te staan, naar verweerder eerst op heeft gewezen in zijn nader stuk van 11 december 2024 en eiseresses gemachtigde ter zitting ook heeft erkend, dat de auto waarvoor eiseres aangifte heeft gedaan (als Mercedes-Benz AMG G 63) in feite een Brabus (Mercedes-Benz) betreft. Brabus is een ander bedrijf dan Mercedes-Benz en maakt high-end en zeer exclusieve voertuigen van de originele Mercedes-Benz AMG G 63, waarbij tussen de voertuigen een groot prijs en kwaliteitsverschil zit, aldus verweerder. Verweerder wijst in dit verband ook op een passage die hij heeft van [website], een gerenommeerd autobedrijf, waarin – onder meer – staat weergegeven: “Er zijn maar 25 exemplaren van de Brabus G-klasse gemaakt. Wat een nieuwe Mercedes G-Klasse Brabus kost? De prijs voor de G63 Brabus bedroeg in Duitsland zo’n 480.000 euro.”.
Eiseres heeft ter zitting erkend dat de Brabus-variant aanmerkelijk duurder is dan de uitvoeringen van Mercedes-Benz zelf, maar stelt dat de door Brabus aangebrachte verbeteringen voor de Bpm buiten beschouwing moeten worden gelaten omdat dit geen verbeteringen/opties/toevoegingen zijn die door de fabrikant zijn aangebracht, en voor de Bpm moet worden aangehaakt bij de prijs/waarde van de fabrikant.
13. De rechtbank leidt uit hetgeen partijen over en weer hebben aangevoerd en overgelegd af dat de Brabus-variant van een Mercedes-Benz een eigensoortig voertuig is, omdat, naar ter zitting onweersproken is verklaard, na de door Brabus aangebrachte wijzigingen (óók op het vermogen van de auto) een keuring van het bewuste voertuig moet plaatsvinden waarbij (individuele) goedkeuring moet worden verleend voor toelating op de weg. Daar komt bij dat Brabus-voertuigen ook als zodanig (dus onder die naam en niet als Mercedez-Benz) te koop worden aangeboden en ook als zodanig kenbaar zijn. Immers, naar ook duidelijk blijkt uit de tot de gedingstukken behorende foto’s voert een Brabus niet de kenmerkende ster van Mercedes maar in plaats daarvan de ‘B’, van Brabus.
Onder deze omstandigheden moet naar het oordeel van de rechtbank van de waarde van het voertuig als Brabus-variant worden uitgegaan. De rechtbank verwerpt aldus het tegengestelde standpunt van eiseres zoals hiervoor onder 13. weergegeven. Voor dat geval geldt dat, naar verweerder onweersproken heeft aangevoerd, de waarde van de auto dan zoveel hoger is dan die van de aangegeven Mercedes-Benz dat reeds daarom de naheffingsaanslag niet te hoog is, ook niet indien eiseres zou worden gevolgd in haar standpunt(en) over in aanmerking te nemen schade.
14. De rechtbank volgt eiseres hierbij ook niet in haar stelling dat door alsnog uit te gaan van de Brabus-variant sprake is van een schending van het vertrouwensbeginsel. Ten eerste omdat eiseres haar aangifte ook niet juist en volledig is; zij heeft immers zelf een onjuiste datum van keuring door de RDW vermeld. Ten tweede omdat eiseres in haar aangifte niets heeft vermeld over de Brabus-variant. En ten derde omdat verweerder noch DRZ voorafgaand aan het nadere stuk van verweerder in dit verband ooit enige toezegging of uitlating hebben gedaan aan eiseres. Het enkele feit dat verweerder of DRZ niet eerder dit standpunt hebben ingenomen, is onvoldoende om een beroep op het vertrouwensbeginsel te kunnen doen.
Herleidingsmethode
15. Eiseres heeft ook nog aangevoerd dat artikel 110 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) zich er tegen verzet dat er een hogere Bpm op de auto rust dan de herrekende bruto Bpm die is vastgesteld bij vergelijkbare voertuigen die zich op het moment van registratie reeds op de Nederlands markt bevonden, en dat de verschuldigde Bpm daarom dient te worden herleid uit de herrekende bruto Bpm van de eerder ingevoerde vergelijkbare voertuigen.
16. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder terecht aangevoerd dat er op basis van de artikelen 9 en 10 Wet BPM 1992 slechts 3 methoden zijn om de verschuldigde Bpm te berekenen bij invoer van een gebruikte auto. De waardevermindering kan worden bepaald aan de hand van de forfaitaire afschrijvingstabel, aan de hand van een koerslijst en, in bepaalde gevallen, door middel van een taxatierapport. De herleidingmethode van eiseres behoort daar niet toe[_736a71fc-dbe5-4a5f-95db-b49cedb45b7a]. Ook leidt artikel 110 VWEU niet tot aanvaarding van de herleiding methode.[_a37f7494-6496-4642-b49e-e3a69ea59440]
17. Gelet op wat hiervoor is overwogen, is het beroep ongegrond.
Immateriële schadevergoeding
18. Eiseres heeft verzocht om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn (isv). Het (pro-forma) bezwaarschrift is door verweerder ontvangen op 19 april 2022 en verweerder heeft de uitspraak op bezwaar gedaan op 18 oktober 2023. De uitspraak van de rechtbank is op 29 januari 2025 gedaan. Dat is dus afgerond 34 maanden na indiening van het bezwaarschrift, zodat de redelijke termijn met afgerond 10 maanden is overschreden. Aangezien verweerder op 18 oktober 2023 uitspraak op bezwaar heeft gedaan dient de overschrijding geheel aan de bezwaarfase te worden toegerekend.
19. Voor de bepaling van de hoogte van de toe te kennen vergoeding van immateriële schade is de mate waarin belanghebbende daadwerkelijk spanning en frustratie heeft ondervonden in beginsel niet van belang, behoudens bijzondere omstandigheden. Van dergelijke omstandigheden is de rechtbank in onderhavige zaak niet gebleken. Dit betekent dat eiseres recht heeft op een vergoeding van immateriële schade tot een bedrag van € 1.000, geheel te vergoeden door verweerder.
Proceskosten
20. De rechtbank ziet in de overschrijding van de redelijke termijn reden om verweerder te veroordelen in de door eiseres gemaakte proceskosten. De rechtbank baseert zich hierbij op het arrest van de Hoge Raad van 10 november 2023[_77c1d615-a14b-4609-b3c6-174ca58ab78a] Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 218,75 (1 procespunt vanwege het verzoek om vergoeding van isv met een waarde per punt van € 875 en een wegingsfactor 0,25).
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- veroordeelt verweerder tot vergoeding van immateriële schade tot een bedrag van € 1.000;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 218,75;
- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van 184 aan eiseres te vergoeden;
- draagt verweerder op om de toegekende vergoedingen te betalen op een bankrekening die op naam staat van eiseres.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E. Kouwenhoven, rechter, in aanwezigheid van
mr. A.J. Kwestro, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 29 januari 2025.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof Den Haag (team belastingrecht).
Dat kan digitaal via www.rechtspraak.nl, daar klikt u op “Formulieren en inloggen”. Hoger beroep instellen kan ook door verzending van een brief aan het gerechtshof Den Haag (belastingkamer), Postbus 20302, 2500 EH Den Haag.
Bij het instellen van het hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:
1 - bij het hogerberoepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;
2 - het hogerberoepschrift is, indien het op papier wordt ingediend, ondertekend.
Verder vermeldt u ten minste het volgende:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de datum van verzending;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;
d. de redenen waarom u het niet eens bent met de uitspraak (de gronden van het hoger beroep).
Voetnoten
- ECLI:NL:GHSHE:2022:1894
- Vergelijk Gerechtshof Den Haag van 25 april 2024, ECLI:NL:GHDHA:2024:754 en Gerechtshof Den Haag 24 oktober 2024, ECLI:NL:GHDHA:2024:2194.
- ECLI:NL:HR:2023:1526.
Wetsartikelen in deze uitspraak
Samenhangende uitspraken
- ECLI:NL:GHDHA:2026:1605 http://psi.rechtspraak.nl/hogerBeroep
Deze uitspraak verwijst naar
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.