Uitspraak · Vreemdelingenrecht

Rechtbank Den Haag, 15 augustus 2025

ECLI:NL:RBDHA:2025:19504Zaaknummer NL25.36472

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
15 augustus 2025
Publicatiedatum
10 november 2025
Zaaknummer
NL25.36472
Rechtsgebied
Bestuursrecht, Vreemdelingenrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats
Amsterdam
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Artikel 59b lid 1 Vw. Terecht geen lichter middel. Betrokkene heeft zich niet gehouden aan het terugkeerbesluit en is eerder met onbekende bestemming vertrokken. Beroep ongegrond.

De rechtbank:

  • verklaart het beroep ongegrond;
  • wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. L.M. Klinkhamer, rechter, in aanwezigheid van

B.S. Beens, griffier.

De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

15 augustus 2025

Documentcode: DSR52374014

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. Procesverloop
  2. Overwegingen
  3. Beslissing
  4. Documentcode: DSR52374014
  5. Rechtsmiddel

uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Amsterdam Bestuursrecht Zaaknummer: NL25.36472 V-nummer: [V nummer]

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], eiser (gemachtigde: mr. E. El Assrouti),

en

de minister van Asiel en Migratie, de minister (gemachtigde: mr. L.O. Augustinus).

Procesverloop

Bij besluit van 6 augustus 2025 (het bestreden besluit) heeft de minister aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

De rechtbank heeft het beroep op 12 augustus 2025 op zitting behandeld. Eiser is niet verschenen. De gemachtigde van eiser heeft zich afgemeld voor de zitting. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

De minister heeft op 13 augustus 2025 de maatregel van bewaring opgeheven. Het beroep moet daarom worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.

Overwegingen

1. Eiser stelt dat hij de Marokkaanse nationaliteit heeft en is geboren op [geboortedatum] 1990.

2. Omdat de bewaring is opgeheven, beperkt de beoordeling zich in deze zaak tot de vraag of aan eiser schadevergoeding moet worden toegekend.1 In dit verband moet de vraag worden beantwoord of de tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring op enig moment voorafgaande aan de opheffing daarvan onrechtmatig is geweest.

1. Op grond van artikel 106 van de Vw.

3. Eiser voert aan dat de minister voorafgaande aan de opheffing van de bewaring had moeten volstaan met een lichter middel. Omdat hij in afwachting was van het besluit op zijn asielaanvraag, had hij in een AZC kunnen verblijven en had de minister kunnen volstaan met een borgtocht of een meldplicht.

4. Bij de beantwoording van de vraag of de minister met toepassing van een lichter middel had moeten volstaan, beoordeelt de rechtbank of de minister zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat geen andere afdoende maar minder dwingende maatregelen dan de inbewaringstelling doeltreffend konden worden toegepast. Daarbij past een grondig onderzoek naar de feitelijke elementen van het concrete geval en een specifieke motivering van de minister; verwijzing naar de bewaringsgronden volstaat daarvoor niet. De rechtbank wijst op de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van

23 februari 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:674) en 10 april 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:1309)

en het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 5 juni 2014 (ECLI:EU:C:2014:1320, [naam]).

5. Behalve dat hij in afwachting was van het besluit op zijn asielaanvraag, heeft eiser zijn standpunt dat kon worden volstaan met een borgtocht of een meldplicht niet gemotiveerd. De minister heeft daarentegen terecht gewezen op de omstandigheden dat eiser zich niet heeft gehouden aan een terugkeerbesluit uit 2022 en eerder een asielaanvraag heeft gedaan, maar toen met onbekende bestemming is vertrokken in plaats van zich te houden aan zijn meldplicht. De rechtbank is van oordeel dat de minister zich daarom, en ook gelet op de andere niet bestreden omstandigheden die aan de maatregel van bewaring ten grondslag zijn gelegd, terecht op het standpunt heeft gesteld dat in dit geval geen andere afdoende, maar minder dwingende maatregelen dan de inbewaringstelling doeltreffend konden worden toegepast.

6. Deze beroepsgrond slaagt niet.

7. De rechtbank ziet ook ambtshalve geen aanleiding om te oordelen dat de maatregel onrechtmatig aan eiser is opgelegd of onrechtmatig heeft voortgeduurd tot de opheffing daarvan.

8. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:

  • verklaart het beroep ongegrond;
  • wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. L.M. Klinkhamer, rechter, in aanwezigheid van

B.S. Beens, griffier.

De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

15 augustus 2025

Documentcode: DSR52374014

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Wetsartikelen in deze uitspraak

Samenhangende uitspraken

Deze uitspraak verwijst naar

Aangehaald in

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.