Uitspraak · Vreemdelingenrecht

Rechtbank Den Haag, 11 februari 2025

ECLI:NL:RBDHA:2025:1823Zaaknummer NL25.3977

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
11 februari 2025
Publicatiedatum
11 februari 2025
Zaaknummer
NL25.3977
Rechtsgebied
Bestuursrecht, Vreemdelingenrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats
Middelburg
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

BZ. Bewaring. Eerste beroep. Marokkaanse. Reeds opgeheven. Ongegrond.

De uitspraak is bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. Procesverloop
  2. Overwegingen
  3. Beslissing

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

zaaknummer: NL25.3977

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], eiser,

V-nummer: [V-nummer]

(gemachtigde: mr. H.A.C. Klein Hesselink),

en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder,

(gemachtigde: mr. G.T. Cambier).

Procesverloop

Bij besluit van 27 januari 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring opgelegd.[_fdb93fef-9768-46f4-81a4-7b0d6e7da9d6]

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.

Verweerder heeft op 7 februari 2025 de maatregel van bewaring opgeheven.

Eiser heeft desgevraagd ingestemd met schriftelijke afdoening van het beroep. Op 10 februari 2025 heeft de rechtbank het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. Eiser stelt te zijn geboren op [datum] 1993 en de Marokkaanse nationaliteit te hebben.

2. Omdat de bewaring is opgeheven, beperkt de beoordeling zich in deze zaak tot de vraag of aan eiser schadevergoeding moet worden toegekend. In dit verband moet de vraag worden beantwoord of de tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring op enig moment voorafgaande aan de opheffing daarvan onrechtmatig is geweest. Op grond van artikel 106 van de Vw kan de rechtbank indien de bewaring al is opgeheven vóór de behandeling van het verzoek om opheffing van de bewaring aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen.

Maatregel van bewaring

3. In de maatregel van bewaring heeft verweerder overwogen dat de maatregel nodig was, omdat een concreet aanknopingspunt bestond voor een overdracht als bedoeld in de Dublinverordening[_3dae6cb0-6210-440f-b076-f3a243f1c5fb] en een significant risico bestond dat eiser zich aan het toezicht zou onttrekken. Als zware gronden[_8342e583-4f69-41e5-8312-78de56bbf9b2] zijn in de maatregel vermeld dat eiser:

  • 3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;
  • 3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;
  • 3d. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;

En als lichte gronden[_2fca68ac-85d3-4842-8485-f5f643c8805c] zijn in de maatregel vermeld dat eiser:

  • 4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;
  • 4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
  • 4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.

4. Eiser betwist alle zware en lichte gronden. Hiertoe voert hij aan dat hij een asielzoeker is en om die reden hij niet op voorgeschreven wijze Nederland kon binnenkomen. Verder verbleef hij op de AZC[_d4922b7b-bdb9-4374-b7ef-41c59636d3e8] Grave en heeft hij geen dan wel te laat uitnodigingen ontvangen voor de vertrekgesprekken waar hij niet bij aanwezig is geweest. Dit kan niet aan eiser worden toegerekend. Ook is niet gebleken dat aan eiser ooit is gevraagd om inspanningen te verrichten om aan identiteitsdocumenten te komen. De lichte grond 4a is geen zelfstandige grond en betreft een herhaling van de motivering bij de zware gronden. Tot slot kan eiser zich niet inschrijven in de BRP[_2acd8ba8-b939-4629-80f3-89dab6e7aef6], omdat hij nog geen zes maanden in Nederland verblijft. Hij verblijft in het AZC en heeft daar beperkte inkomsten, zodat hij traceerbaar is voor de autoriteiten.

5. De rechtbank is van oordeel dat verweerder in ieder geval terecht de zware grond 3a en de lichte grond 4a aan de maatregel ten grondslag heeft gelegd. Eiser beschikt niet over een nationaal paspoort of ander document voor grensoverschrijding waarmee hij Nederland mocht inreizen. Dat hij als asielzoeker is ingereisd, maakt niet dat deze grond niet aan hem kan worden tegenworpen. Verder heeft verweerder in de maatregel van bewaring concreet onderbouwd aan welke verplichtingen eiser niet heeft voldaan, zoals de verplichting uit artikel 4.21 van het Vb. Deze gronden zijn reeds voldoende om aan te nemen dat sprake is van een significant risico dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. Deze gronden kunnen de maatregel van bewaring dragen. De overige gronden behoeven daarom geen bespreking meer.

Ambtshalve toets

6. Tot slot leidt de ambtshalve toetsing niet tot het oordeel dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig was.

Conclusie

7. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:

  • verklaart het beroep ongegrond; en
  • wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan op 11 februari 2025 door mr. M.L. Weerkamp, rechter, in aanwezigheid van R. Ben Sellam, griffier, en openbaar gemaakt door middel van een geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

De uitspraak is bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Wetsartikelen in deze uitspraak

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.