Uitspraak · Vreemdelingenrecht

Rechtbank Den Haag, 7 februari 2025

ECLI:NL:RBDHA:2025:1626Zaaknummer NL24.51444 en AWB24/21481

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
7 februari 2025
Publicatiedatum
7 februari 2025
Zaaknummer
NL24.51444 en AWB24/21481
Rechtsgebied
Bestuursrecht, Vreemdelingenrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats
Groningen
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Plaatsingsbesluit + vrijheidsbeperkende maatregel. Beroepen ongegrond. Rechtbank gaat uit van verslaglegging COa. Incident terecht aangemerkt als zijnde zeer grote impact. Terecht geen lichtere maatregel gelet op ernst incident.

De rechtbank:

  • verklaart de beroepen ongegrond;
  • wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Munsterman, rechter, in aanwezigheid van mr. K.E. Mulder, griffier op 7 februari 2025 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.

de griffier de rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak, voor zover het betreft het beroep tegen het plaatsingsbesluit, kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen vier weken na de dag van bekendmaking. Tegen deze uitspraak, voor zover het betreft het beroep tegen de vrijheidsbeperkende maatregel, staat geen rechtsmiddel open.

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. Inleiding
  2. Beoordeling door de rechtbank
  3. Beslissing
  4. Rechtsmiddel

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Groningen

Bestuursrecht

zaaknummers: NL24.51444 en AWB24/21481

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 7 februari 2025 in de zaken tussen

[naam], eiser,

geboren op [geboortedatum],

van Jeminitische nationaliteit,

V-nummer: [nummer],

(gemachtigde: mr. R.J. Schenkman),

en

het bestuur van het Centraal Orgaan opvang Asielzoekers, het COa,

evenals

de minister van Asiel en Migratie, de minister,

(gemachtigde: mr. K.J. Diender).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank twee beroepen. Het eerste beroep van eiser is gericht tegen het besluit van het COa van 1 december 2024, waarbij het COa heeft besloten om eiser vanaf 1 december 2024 in een Handhaving- en Toezichtlocatie (HTL) in Hoogeveen te plaatsen (het plaatsingsbesluit).[_4311469d-a9b0-4622-98c5-d304a06b044a] Het tweede beroep van eiser is gericht tegen het besluit van de minister van dezelfde datum om hem een vrijheidsbeperkende maatregel als bedoeld in artikel 56 van de Vw[_d1d69b2b-776d-4168-ba92-3f2dc57e17a8] op te leggen.

1.1.

Het COa heeft gereageerd met een verweerschrift.

1.2.

De rechtbank heeft de beroepen op 24 januari 2025 op zitting behandeld. Eiser en zijn gemachtigde zijn met bericht niet verschenen op de zitting. De minister en het COa hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigde. De rechtbank heeft het onderzoek op de zitting gesloten.

Beoordeling door de rechtbank

2. De beroepen zijn ongegrond. Dit betekent dat eiser geen gelijk krijgt en ook geen vergoeding in de proceskosten. Hierna legt de rechtbank, aan de hand van de beroepsgronden, uit hoe zij tot dit oordeel komt.

3. Uit de verslaglegging van het COa blijkt - kort samengevat - het volgende. Eiser kwam een medebewoner tegen op de gang. Eiser en de medebewoner hadden een discussie. De medebewoner duwde eiser, waarna de discussie zich voortzette. Vervolgens gaf eiser de medebewoner een kopstoot, werkte hem naar de grond, schopte de medebewoner en gaf hem een knietje in zijn gezicht. De medebewoner heeft hierbij letsel opgelopen en moest worden onderzocht door de medische dienst. Andere bewoners van de opvanglocatie waren getuige van het incident en hebben geprobeerd tussenbeide te komen. Volgens het COa is er geen sprake van zelfverdediging, omdat eiser, ook nadat hij de mogelijkheid had om te stoppen, niet is gestopt met zijn agressieve gedrag.

4. De rechtbank is van oordeel dat het COa op goede gronden en voldoende gemotiveerd heeft besloten, dat eiser in de HTL kan worden geplaatst.

4.1.

De rechtbank overweegt dat het COa het incident gedetailleerd heeft weergegeven. De enkele - niet nader onderbouwde - stelling van eiser dat het incident anders is verlopen dan zoals vastgelegd in het plaatsingsbesluit is onvoldoende om te twijfelen aan de door het COa geschetste gang van zaken. De rechtbank volgt eiser niet in zijn stelling dat het COa onvoldoende zou hebben gekeken naar de situatie voorafgaand aan het incident. Het COa heeft in het plaatsingsbesluit opgenomen dat er een discussie tussen eiser en de medebewoner was ontstaan en dat eiser door de medebewoner werd geduwd. De beroepsgrond slaagt niet.

4.2.

De rechtbank is van oordeel dat het incident terecht is aangemerkt als een incident met zeer grote impact en dat het COa terecht geen lichtere maatregel aan eiser heeft opgelegd.[_6a3ab9db-55f6-440f-bdca-c863818fc5ee] Daarvoor acht de rechtbank van belang dat vaststaat dat eiser de medebewoner heeft geschopt en een knietje in zijn gezicht heeft gegeven terwijl deze op de grond lag en omstanders probeerden tussenbeide te komen. De stelling van eiser dat de medebewoner het geweld is gestart doet niet af aan de ernst en impact van de gedragingen van eiser. Dat eiser alleen heeft gehandeld uit zelfverdediging is niet gebleken. Eiser heeft immers nadat zijn medebewoner al op de grond lag, geschopt en een knietje in het gezicht gegeven. Eisers stelling dat hij niet eerder negatief in beeld is geweest bij het COa maakt dit oordeel ook niet anders. Dit doet namelijk ook niet af aan de impact van het incident. Het incident is op zichzelf staand voldoende ernstig voor plaatsing in de HTL. Dat er drie dagen zitten tussen het incident en de plaatsing leidt niet tot een ander oordeel en doet niet af aan de ernst van de gedraging.

5. Het beroep tegen het plaatsingsbesluit is daarom ongegrond. Omdat het beroep tegen het plaatsingsbesluit ongegrond is en de vrijheidsbeperkende maatregel volledig steunt op dat besluit, oordeelt de rechtbank dat het beroep tegen de vrijheidsbeperkende maatregel ook ongegrond moet worden verklaard en wijst het verzoek tot schadevergoeding af.

Beslissing

De rechtbank:

  • verklaart de beroepen ongegrond;
  • wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Munsterman, rechter, in aanwezigheid van mr. K.E. Mulder, griffier op 7 februari 2025 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.

de griffier de rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak, voor zover het betreft het beroep tegen het plaatsingsbesluit, kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen vier weken na de dag van bekendmaking. Tegen deze uitspraak, voor zover het betreft het beroep tegen de vrijheidsbeperkende maatregel, staat geen rechtsmiddel open.

Wetsartikelen in deze uitspraak

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.