Uitspraak · Vreemdelingenrecht

Rechtbank Den Haag, 22 juli 2025

ECLI:NL:RBDHA:2025:13308Zaaknummer NL25.18626

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
22 juli 2025
Publicatiedatum
22 juli 2025
Zaaknummer
NL25.18626
Rechtsgebied
Bestuursrecht, Vreemdelingenrecht
Procedure
Proceskostenveroordeling, Vereenvoudigde behandeling
Zittingsplaats
Groningen
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

beroep niet tijdig, pkv

De uitspraak is bekendgemaakt op:

Informatie over verzet

Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. Inleiding
  2. Beoordeling door de rechtbank
  3. Conclusie en gevolgen
  4. Beslissing

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Groningen

Bestuursrecht

zaaknummer: NL25.18626

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam], verzoeker,

V-nummer: [nummer],

(gemachtigde: mr. V.L. van Wieringen),

en

de Minister van Asiel en Migratie, de minister.

Inleiding

1. Deze uitspraak gaat over het verzoek van verzoeker om de minister te veroordelen in de vergoeding van de proceskosten.

1.1.

De rechtbank doet uitspraak zonder zitting.[_044d7dc7-794c-4488-83f1-8ce17928f91e]

Beoordeling door de rechtbank

2. Verzoeker heeft een opvolgend beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op zijn asielaanvraag. Vervolgens heeft de minister alsnog een besluit genomen. Verzoeker heeft daarop het beroep ingetrokken en daarbij gevraagd om de minister te veroordelen in de vergoeding van de proceskosten.[_335fb846-3fb1-49ff-810d-d4d69bb49f08]

3. De rechtbank stelt vast dat de minister na het indienen van het opvolgende beroep tegen het niet tijdig beslissen alsnog een besluit heeft genomen. Daarmee is de minister aan verzoeker tegemoetgekomen. De minister dient daarom de proceskosten van verzoeker te betalen. 3.1. Dat de rechterlijke dwangsomperiode volgend uit de uitspraak in het eerste beroep niet tijdig beslissen nog niet (volledig) was verstreken op het moment dat verzoeker het onderhavige opvolgende beroep indiende, doet aan het voorgaande, anders dan de minister in haar verweerschrift stelt, niet af. Verzoeker houdt ook in die situatie procesbelang.

Conclusie en gevolgen

4. Het verzoek wordt toegewezen. De minister moet de door verzoeker gemaakte proceskosten vergoeden. Deze kosten stelt de rechtbank vast op € 453,50.[_117a965b-3635-495e-8681-8f93eb4edcf8] De rechtbank ziet geen aanleiding een hogere vergoeding toe te kennen.

Beslissing

De rechtbank veroordeelt de minister in de proceskosten van verzoeker tot een bedrag van

€ 453,50.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.G.D. Overmars, rechter, in aanwezigheid van mr. B.A. Smit, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.

De uitspraak is bekendgemaakt op:

Informatie over verzet

Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.