Uitspraak · Vreemdelingenrecht

Rechtbank Den Haag, 18 juni 2025

ECLI:NL:RBDHA:2025:13039Zaaknummer NL25.25122

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
18 juni 2025
Publicatiedatum
18 juli 2025
Zaaknummer
NL25.25122
Rechtsgebied
Bestuursrecht, Vreemdelingenrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats
Utrecht
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Bewaring; vervolgberoep; Marokko; ongegrond; De rechtbank stelt vast dat wat eiser heeft aangevoerd nagenoeg hetzelfde is als hetgeen hij in het vorige vervolgberoep heeft aangevoerd; onderzoek loopt, er wordt gerappelleerd en er worden vertrekgesprekken gevoerd;

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. S.G.M. van Veen, rechter, in aanwezigheid van N. Dayerizadeh, griffier.

De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

18 juni 2025

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. Procesverloop
  2. Overwegingen
  3. Beslissing
  4. Rechtsmiddel

uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: NL25.25122

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], V-nummer: [V-nummer], eiser (gemachtigde: mr. W.R.S. Ramhit),

en

de Minister van Asiel en Migratie.

Procesverloop

De minister heeft op 4 maart 2025 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.

Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. De minister heeft een voortgangsrapportage overgelegd.

Eiser heeft desgevraagd hierop niet gereageerd.

De rechtbank heeft bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft.

Overwegingen

1. Eiser stelt dat hij de Marokkaanse nationaliteit heeft en dat hij is geboren op [geboortedatum] 1998.

2. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.

3. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 30 april 2025 (in de zaak NL25.25122) volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom is bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het voortduren van de maatregel van bewaring slechts de periode van belang sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek.

4. De rechtbank stelt vast dat wat eiser heeft aangevoerd nagenoeg hetzelfde is als hetgeen hij in het vorige vervolgberoep heeft aangevoerd. De rechtbank verwijst om die reden naar wat zij daarover heeft overwogen in haar uitspraak van 30 april 2025 (in de zaak NL25.18630), rechtsoverwegingen 6 en 7. Daaraan voegt de rechtbank toe dat het onderzoek bij de Marokkaanse autoriteiten loopt. De minister rappelleert regelmatig bij de Marokkaanse autoriteiten in verband met de afgifte van een laissez passer (lp), laatstelijk op 21 mei 2025. Niet gebleken dat de Marokkaanse autoriteiten te kennen hebben gegeven geen lp te zullen verstrekken ten behoeve van eiser. Daarnaast heeft de minister op 7 mei 2025 en 6 juni 2025 een vertrekgesprek gevoerd met eiser. In hetgeen eiser thans heeft aangevoerd ziet de rechtbank dan ook geen aanleiding voor het oordeel dat er geen zicht op uitzetting is naar Marokko of dat de minister onvoldoende voortvarend handelt met betrekking tot eisers uitzetting. Ook met inachtneming van de ambtshalve toetsing waartoe zij gehouden is, is de rechtbank van oordeel dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek niet op enig moment onrechtmatig was. Eisers beroepsgronden slagen daarom niet..

5. Het beroep is ongegrond.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. S.G.M. van Veen, rechter, in aanwezigheid van N. Dayerizadeh, griffier.

De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

18 juni 2025

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Wetsartikelen in deze uitspraak

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.