Uitspraak · Vreemdelingenrecht
Rechtbank Den Haag, 12 juni 2025
ECLI:NL:RBDHA:2025:10278Zaaknummer NL25.7050
- Instantie
- Rechtbank Den Haag
- Datum uitspraak
- 12 juni 2025
- Publicatiedatum
- 13 juni 2025
- Zaaknummer
- NL25.7050
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht, Vreemdelingenrecht
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Zittingsplaats
- Middelburg
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
BNT asiel. Uitspraak na gegrond verzet. Arrest Hof van 8 mei 2025. Beroep gegrond. Beslistermijn en rechtelijke dwangsom.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.7050
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], eiser
V-nummer: [V-nummer],
(gemachtigde: mr. P.H. Hillen),
en
de minister van Asiel en Migratie,[_d251f18c-884e-402e-96f6-d21cd8652499] verweerder,
Inleiding
Bij uitspraak van 19 maart 2025 heeft deze rechtbank en zittingsplaats het beroep van eiser tegen het niet tijdig nemen van een besluit op zijn asielaanvraag met toepassing van artikel 8:54 van de Awb[_68fa003e-b4ce-4a0d-83f8-0ee213166e34] niet-ontvankelijk verklaard.[_f71013fb-bee9-4eaf-a491-5dc008fc546c]
Eiser heeft verzet gedaan tegen deze uitspraak.
Bij uitspraak van 12 mei 2025 heeft deze rechtbank en zittingsplaats het verzet gegrond verklaard.[_3a321777-07e8-48ab-97ea-06ae87c81cb3] Dit betekent dat de eerdere uitspraak vervalt en het onderzoek wordt voortgezet in de stand waarin het zich bevond.
De rechtbank doet uitspraak zonder zitting op grond van artikel 8:57 van de Awb.
Beoordeling door de rechtbank
1. Eiser heeft op 18 oktober 2023 een asielaanvraag ingediend. Verweerder heeft met de inwerkingtreding van de WBV 2023/3[_bef43c62-6af5-440e-9fea-b32fab037fc0] de wettelijke beslistermijn van zes maanden verlengd met negen maanden. Deze rechtbank en zittingsplaats heeft eerder in haar uitspraken van 19 april 2024[_ba8b2684-90f5-4320-b399-17a4bf9ffd75] geoordeeld dat verweerder voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat op het moment van de inwerkingtreding van de WBV 2023/3 sprake was van een situatie, zoals bedoeld in artikel 42, vierde lid, aanhef en onder b, van de Vw.[_6d61bb44-e244-4d50-be83-c1e1491146ea] De rechtbank ziet echter reden om van dit oordeel af te wijken en zal dat hieronder toelichten.
2. In de toelichting van de motivering van de verlenging van de WBV 2023/3 wordt ter onderbouwing verwezen naar de Kamerbrief van verweerder van 3 februari 2023.[_1c1113db-1e0b-4254-a143-348c48367af1] In deze brief staat dat er eind 2022 een beoordeling heeft plaatsgevonden of het noodzakelijk is om ook de beslistermijn voor asielaanvragen die worden ingediend vanaf 1 januari 2023 te verlengen met negen maanden. In deze brief staat verder dat het aantal eerste asielaanvragen in de afgelopen jaren sterk is gestegen en dat de instroom naar verwachting ook in 2023 hoog zal blijven en de besliscapaciteit van de IND ruim zal overstijgen. Zodra duidelijk is dat weer binnen de wettelijke termijn van zes maanden kan worden beslist, zal de maatregel worden afgeschaft.
3. Het Hof van Justitie van de Europese Unie (het Hof) heeft in het arrest van 8 mei
2025 geconcludeerd dat artikel 31, derde lid, derde alinea, onder b), van richtlijn 2013/32
aldus moet worden uitgelegd dat de in die bepaling bedoelde termijn van zes maanden voor
de behandeling van verzoeken om internationale bescherming door de beslissingsautoriteit
met negen maanden kan worden verlengd wanneer het aantal verzoeken in een kort
tijdsbestek aanzienlijk toeneemt ten opzichte van het in de betrokken lidstaat gebruikelijke
en voorzienbare patroon, hetgeen een situatie die wordt gekenmerkt door een geleidelijke
toename van het aantal verzoeken over een lange periode uitsluit. [_f1bd67be-0f54-49c8-99da-5500619cc069]
4. Deze uitleg van het Hof brengt met zich dat – anders dan verweerder eerder heeft bepleit en de rechtbank eerder heeft aangenomen – het niet mogelijk is om de bevoegdheid van artikel 42, vierde lid, aanhef en onder b, van de Vw te gebruiken in een situatie waarin sprake is van een meer graduele toename over een langere periode. De motivering van de verlenging van de WBV 2023/3 is gelet hierop onvoldoende. Hiermee komt de rechtsgrond aan het besluit tot verlenging te ontvallen. Dat betekent dat op het moment van de ingebrekestelling de wettelijke beslistermijn van zes maanden was verstreken, waardoor de ingebrekestelling van 21 januari 2025 geldig is. Daarom is het beroep van eiser tegen het uitblijven van een besluit op zijn asielaanvraag kennelijk gegrond.
5. Er is sprake van bijzondere omstandigheden. Er zijn achterstanden in de behandeling van asielaanvragen. De rechtbank acht een nadere beslistermijn tot uiterlijk 18 juli 2025 redelijk. Hierbij wordt zowel recht gedaan aan het belang van verweerder om een zorgvuldige beslissing te nemen, als aan het belang van eiser om op korte termijn een beslissing te krijgen op de aanvraag. Ook wordt daarmee de uiterste termijn van 21 maanden zoals genoemd in artikel 31, vijfde lid, van de Procedurerichtlijn niet overschreden.
6. Op grond van artikel 8:55d, tweede lid, van de Awb bepaalt de rechtbank dat verweerder een dwangsom van € 100 aan eiser verbeurt voor elke dag waarmee deze termijn wordt overschreden, met een maximum van € 15.000.
7. In de gegrondverklaring van het beroep ziet de rechtbank aanleiding om verweerder te veroordelen in de door eiser gemaakte proceskosten Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Bpb[_6cfca7a9-148c-4383-b9fe-5d2740e002bf] voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op
€ 453,50 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 907 met een wegingsfactor 0,5). De rechtbank is van oordeel dat de wegingsfactor ‘licht’ van toepassing is aangezien het beroep alleen ziet op het niet tijdig nemen van een besluit.
Beslissing
De rechtbank:
verklaart het beroep gegrond;
vernietigt het met een besluit gelijk te stellen niet tijdig nemen van een besluit;
draagt verweerder op om uiterlijk 18 juli 2025 een besluit bekend te maken met inachtneming van deze uitspraak;
bepaalt dat verweerder aan eiser een dwangsom van € 100 verbeurt voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000;
veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser € 453,50.
Deze uitspraak is gedaan op 12 juni 2025 door mr. J.F.I. Sinack, rechter, in aanwezigheid van mr. N.M.L. van der Kammen, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Wetsartikelen in deze uitspraak
Aangehaald in
- ECLI:NL:RBDHA:2026:31529 Rechtbank Den Haag, 26 oktober 2026 (vreemdelingenrecht)
- ECLI:NL:RBDHA:2026:31638 Rechtbank Den Haag, 26 oktober 2026 (vreemdelingenrecht)
- ECLI:NL:RBDHA:2026:31639 Rechtbank Den Haag, 26 oktober 2026 (vreemdelingenrecht)
- ECLI:NL:RBDHA:2026:31640 Rechtbank Den Haag, 26 oktober 2026 (vreemdelingenrecht)
- ECLI:NL:RBDHA:2026:31641 Rechtbank Den Haag, 26 oktober 2026 (vreemdelingenrecht)
- ECLI:NL:RBDHA:2026:31642 Rechtbank Den Haag, 26 oktober 2026 (vreemdelingenrecht)
- ECLI:NL:RBDHA:2026:31643 Rechtbank Den Haag, 26 oktober 2026 (vreemdelingenrecht)
- ECLI:NL:RBDHA:2026:31444 Rechtbank Den Haag, 19 oktober 2026 (vreemdelingenrecht)
- ECLI:NL:RBDHA:2026:31445 Rechtbank Den Haag, 19 oktober 2026 (vreemdelingenrecht)
- ECLI:NL:RBDHA:2026:31446 Rechtbank Den Haag, 19 oktober 2026 (vreemdelingenrecht)
- ECLI:NL:RBDHA:2026:31447 Rechtbank Den Haag, 19 oktober 2026 (vreemdelingenrecht)
- ECLI:NL:RBDHA:2026:31448 Rechtbank Den Haag, 19 oktober 2026 (vreemdelingenrecht)
- ECLI:NL:RBDHA:2026:30822 Rechtbank Den Haag, 16 oktober 2026 (vreemdelingenrecht)
- ECLI:NL:RBDHA:2026:30823 Rechtbank Den Haag, 16 oktober 2026 (vreemdelingenrecht)
- ECLI:NL:RBDHA:2026:30824 Rechtbank Den Haag, 16 oktober 2026 (vreemdelingenrecht)
- ECLI:NL:RBDHA:2026:30825 Rechtbank Den Haag, 16 oktober 2026 (vreemdelingenrecht)
- ECLI:NL:RBDHA:2026:30826 Rechtbank Den Haag, 16 oktober 2026 (vreemdelingenrecht)
- ECLI:NL:RBDHA:2026:30828 Rechtbank Den Haag, 16 oktober 2026 (vreemdelingenrecht)
- ECLI:NL:RBDHA:2026:30829 Rechtbank Den Haag, 16 oktober 2026 (vreemdelingenrecht)
- ECLI:NL:RBDHA:2026:30830 Rechtbank Den Haag, 16 oktober 2026 (vreemdelingenrecht)
- ECLI:NL:RBDHA:2026:30831 Rechtbank Den Haag, 16 oktober 2026 (vreemdelingenrecht)
- ECLI:NL:RBDHA:2026:30832 Rechtbank Den Haag, 16 oktober 2026 (vreemdelingenrecht)
- ECLI:NL:RBDHA:2026:30740 Rechtbank Den Haag, 15 oktober 2026 (vreemdelingenrecht)
- ECLI:NL:RBDHA:2026:30748 Rechtbank Den Haag, 15 oktober 2026 (vreemdelingenrecht)
- ECLI:NL:RVS:2026:4471 Raad van State, 31 juli 2026 (vreemdelingenrecht)
- ECLI:NL:RBDHA:2026:14906 Rechtbank Den Haag, 2 juni 2026 (vreemdelingenrecht)
- ECLI:NL:RBDHA:2026:8604 Rechtbank Den Haag, 2 april 2026 (vreemdelingenrecht)
- ECLI:NL:RBDHA:2026:876 Rechtbank Den Haag, 20 januari 2026 (vreemdelingenrecht)
- ECLI:NL:RBDHA:2026:879 Rechtbank Den Haag, 20 januari 2026 (vreemdelingenrecht)
- ECLI:NL:RBDHA:2026:646 Rechtbank Den Haag, 15 januari 2026 (vreemdelingenrecht)
- ECLI:NL:RBDHA:2025:25147 Rechtbank Den Haag, 23 december 2025 (vreemdelingenrecht)
- ECLI:NL:RBDHA:2025:25153 Rechtbank Den Haag, 23 december 2025 (vreemdelingenrecht)
- ECLI:NL:RBDHA:2025:25159 Rechtbank Den Haag, 23 december 2025 (vreemdelingenrecht)
- ECLI:NL:RBDHA:2025:25183 Rechtbank Den Haag, 23 december 2025 (vreemdelingenrecht)
- ECLI:NL:RBDHA:2025:25395 Rechtbank Den Haag, 23 december 2025 (vreemdelingenrecht)
- ECLI:NL:RBDHA:2025:25397 Rechtbank Den Haag, 23 december 2025 (vreemdelingenrecht)
- ECLI:NL:RBDHA:2025:23779 Rechtbank Den Haag, 9 december 2025 (vreemdelingenrecht)
- ECLI:NL:RBDHA:2025:20982 Rechtbank Den Haag, 6 november 2025 (vreemdelingenrecht)
- ECLI:NL:RBDHA:2025:19788 Rechtbank Den Haag, 27 oktober 2025 (vreemdelingenrecht)
- ECLI:NL:RBDHA:2025:15620 Rechtbank Den Haag, 20 augustus 2025 (vreemdelingenrecht)
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.