Uitspraak · Vreemdelingenrecht

Rechtbank Den Haag, 2 mei 2024

ECLI:NL:RBDHA:2024:7016Zaaknummer NL24.17897

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
2 mei 2024
Publicatiedatum
8 mei 2024
Zaaknummer
NL24.17897
Rechtsgebied
Bestuursrecht, Vreemdelingenrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats
Middelburg
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Bewaring, eerste beroep, geen opschortende werking te laat ingediend bezwaarschrift, beroep ongegrond

De uitspraak is bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. [naam], eiser
  2. Procesverloop
  3. Overwegingen
  4. Beslissing

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

zaaknummer: NL24.17897

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam], eiser

V-nummer: [nummer]

(gemachtigde: mr. A.M.V. Bandhoe),

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. I. Vugs).

Procesverloop

Bij besluit van 23 april 2024 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw[_6922e775-e2fd-46dc-acb3-b8165f38d94a] opgelegd.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding

De rechtbank heeft het beroep op 1 mei 2024 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen A.M. Mazur. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser stelt te zijn geboren op [geboortedatum] en de Poolse nationaliteit te hebben.

Opschortende werking bezwaarschrift

2. Eiser voert aan dat hij op 18 april 2024 bezwaar heeft gemaakt tegen het besluit van 18 maart 2024, waarin is vastgesteld dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft op grond van het Unierecht. Eiser mag de behandeling van het bezwaar in Nederland afwachten. Er is dan ook geen grondslag om eiser in bewaring te stellen. Voor zover het bezwaarschrift niet tijdig is ingediend, stelt eiser dat termijnen geen punt meer zijn van openbare orde en dat het mogelijk is dat eiser verschoonbaar te laat bezwaar heeft gemaakt.

3. Eiser wordt hierin niet gevolgd. Zoals verweerder terecht ter zitting heeft opgemerkt, heeft eiser niet tijdig bezwaar gemaakt tegen het besluit van 18 maart 2024. Tegen dat besluit kon namelijk binnen vier weken, dus uiterlijk 16 april 2024, bezwaar worden gemaakt. Ingevolge artikel 73, derde lid, van de Vw wordt de werking van het besluit niet opgeschort als het bezwaarschrift niet tijdig is ingediend. Gelet hierop heeft eiser geen rechtmatig verblijf gedurende de behandeling van het bezwaar. De bewaring is dan ook terecht gebaseerd op artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw.

Ambtshalve toets

4. Tot slot leidt ambtshalve toetsing niet tot het oordeel dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig

was.

Conclusie

5. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond;- wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.L. Weerkamp, rechter, in aanwezigheid van mr. W. van Loon, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

De uitspraak is bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Wetsartikelen in deze uitspraak

Samenhangende uitspraken

Aangehaald in

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.