Uitspraak · Vreemdelingenrecht

Rechtbank Den Haag, 19 april 2024

ECLI:NL:RBDHA:2024:6187Zaaknummer NL24.12970

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
19 april 2024
Publicatiedatum
25 april 2024
Zaaknummer
NL24.12970
Rechtsgebied
Bestuursrecht, Vreemdelingenrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats
Middelburg
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

PV mondelinge uitspraak, statushouder Bulgarije, interstatelijk vertrouwensbeginsel, ongegrond

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Overwegingen

1. Op grond van het interstatelijk vertrouwensbeginsel gaat de staatssecretaris er terecht van uit dat de lidstaten van de Europese Unie de verplichtingen uit het Vluchtelingenverdrag, artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) naleven.

2. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat ten aanzien van Bulgarije niet kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. De situatie is voor statushouders in Bulgarije weliswaar verslechterd, maar de situatie is niet zo ernstig dat er sprake is van ‘verregaande materiële deprivatie’ zoals in het arrest Ibrahim.[_fa302f71-c45b-478f-bd93-ad4089eb8657] De rechtbank verwijst in dit verband naar een recente uitspraak van 1 november 2023 van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.[_31511633-82bb-490e-8896-d98fcc23fcbc] De Afdeling overweegt in die uitspraak dat de Bulgaarse autoriteiten weliswaar nog steeds geen ondersteuning verlenen bij integratievoorzieningen aan statushouders en dat statushouders nog steeds het risico lopen om in een catch-22-situatie terecht te komen, maar dat zij niet structureel op grote schaal en voor langere periodes het reële risico lopen dat zij daadwerkelijk geen toegang hebben tot fundamentele behoeften zoals wonen, onderdak en eten. De situatie in Bulgarije waar er onzekerheid bestaat over een mogelijke catch-22-situatie en de gevolgen van het zero integration policy, haalt de drempel van een reëel risico op schending van artikel 4 van het Handvest[_4b18e486-a15a-456f-aa07-6a5c73cf11dc] en artikel 3 van het EVRM[_fe68fedb-bfea-4da8-b73e-7334c200dc43] niet.

3. Eiser heeft ook niet aannemelijk gemaakt dat in zijn geval bij terugkeer naar Bulgarije de hoge drempel van het Ibrahim-arrest wordt overschreden. Hij heeft geen elementen aangevoerd waaruit blijkt dat hij terecht zal komen in een toestand van zeer verregaande deprivatie, waardoor hij niet kan voorzien in zijn belangrijkste basisbehoeften.

4. Eiser heeft verklaard dat hij in eerste instantie opvang heeft genoten in Bulgarije. Na het verkrijgen van internationale bescherming heeft hij de opvang moeten verlaten. Hij heeft op straat moeten leven zonder uitzicht op werk, zonder hulp en zonder toegang tot medische zorg. Hij heeft enige tijd gewerkt als stoffeerder maar werd onder druk gezet om voor mensensmokkelaars te werken. Deze verklaringen zijn echter niet met documenten onderbouwd. Eiser verklaart verder geen problemen te hebben ondervonden met de Bulgaarse autoriteiten. Uit de verklaringen van eiser blijkt niet dat hij serieuze inspanningen heeft verricht om zich in Bulgarije te vestigen en zijn rechten daar te effectueren. Eiser heeft bovendien niet aannemelijk gemaakt dat er sprake is van zodanige psychische problemen dat hij zich in Bulgarije niet staande zal kunnen houden. Onder die omstandigheden wordt eiser niet gevolgd in zijn stelling dat in zijn geval niet van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan ten aanzien van Bulgarije of dat het bestreden besluit onzorgvuldig tot stand is gekomen.

5. De aanvraag is daarom terecht niet-ontvankelijk verklaard.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 18 april 2024 door mr. S.E. van de Merbel, rechter, in aanwezigheid van mr. S.S. van der Velde, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

Dit proces-verbaal is bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking van dit proces-verbaal.

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. [naam eiser] , eiser
  2. Procesverloop
  3. Beslissing
  4. Overwegingen

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

zaaknummer: NL24.12970

proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam eiser] , eiser

V-nummer: [V-nr.]

(gemachtigde: mr. I.M. van Kuilenburg),

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. H.J. Metselaar).

Procesverloop

Bij besluit van 21 maart 2024 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag van eiser niet-ontvankelijk verklaard.[_2910e39f-3fba-4ceb-8f5d-45a50ab169d6]

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

De rechtbank heeft het beroep op 18 april 2024 op zitting behandeld. Eiser is, met bericht vooraf, niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Na afloop van de behandeling van de zaak ter zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Overwegingen

1. Op grond van het interstatelijk vertrouwensbeginsel gaat de staatssecretaris er terecht van uit dat de lidstaten van de Europese Unie de verplichtingen uit het Vluchtelingenverdrag, artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) naleven.

2. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat ten aanzien van Bulgarije niet kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. De situatie is voor statushouders in Bulgarije weliswaar verslechterd, maar de situatie is niet zo ernstig dat er sprake is van ‘verregaande materiële deprivatie’ zoals in het arrest Ibrahim.[_fa302f71-c45b-478f-bd93-ad4089eb8657] De rechtbank verwijst in dit verband naar een recente uitspraak van 1 november 2023 van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.[_31511633-82bb-490e-8896-d98fcc23fcbc] De Afdeling overweegt in die uitspraak dat de Bulgaarse autoriteiten weliswaar nog steeds geen ondersteuning verlenen bij integratievoorzieningen aan statushouders en dat statushouders nog steeds het risico lopen om in een catch-22-situatie terecht te komen, maar dat zij niet structureel op grote schaal en voor langere periodes het reële risico lopen dat zij daadwerkelijk geen toegang hebben tot fundamentele behoeften zoals wonen, onderdak en eten. De situatie in Bulgarije waar er onzekerheid bestaat over een mogelijke catch-22-situatie en de gevolgen van het zero integration policy, haalt de drempel van een reëel risico op schending van artikel 4 van het Handvest[_4b18e486-a15a-456f-aa07-6a5c73cf11dc] en artikel 3 van het EVRM[_fe68fedb-bfea-4da8-b73e-7334c200dc43] niet.

3. Eiser heeft ook niet aannemelijk gemaakt dat in zijn geval bij terugkeer naar Bulgarije de hoge drempel van het Ibrahim-arrest wordt overschreden. Hij heeft geen elementen aangevoerd waaruit blijkt dat hij terecht zal komen in een toestand van zeer verregaande deprivatie, waardoor hij niet kan voorzien in zijn belangrijkste basisbehoeften.

4. Eiser heeft verklaard dat hij in eerste instantie opvang heeft genoten in Bulgarije. Na het verkrijgen van internationale bescherming heeft hij de opvang moeten verlaten. Hij heeft op straat moeten leven zonder uitzicht op werk, zonder hulp en zonder toegang tot medische zorg. Hij heeft enige tijd gewerkt als stoffeerder maar werd onder druk gezet om voor mensensmokkelaars te werken. Deze verklaringen zijn echter niet met documenten onderbouwd. Eiser verklaart verder geen problemen te hebben ondervonden met de Bulgaarse autoriteiten. Uit de verklaringen van eiser blijkt niet dat hij serieuze inspanningen heeft verricht om zich in Bulgarije te vestigen en zijn rechten daar te effectueren. Eiser heeft bovendien niet aannemelijk gemaakt dat er sprake is van zodanige psychische problemen dat hij zich in Bulgarije niet staande zal kunnen houden. Onder die omstandigheden wordt eiser niet gevolgd in zijn stelling dat in zijn geval niet van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan ten aanzien van Bulgarije of dat het bestreden besluit onzorgvuldig tot stand is gekomen.

5. De aanvraag is daarom terecht niet-ontvankelijk verklaard.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 18 april 2024 door mr. S.E. van de Merbel, rechter, in aanwezigheid van mr. S.S. van der Velde, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

Dit proces-verbaal is bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking van dit proces-verbaal.

Wetsartikelen in deze uitspraak

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.