Uitspraak · Vreemdelingenrecht

Rechtbank Den Haag, 5 april 2024

ECLI:NL:RBDHA:2024:5111Zaaknummer NL24.11840

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
5 april 2024
Publicatiedatum
11 april 2024
Zaaknummer
NL24.11840
Rechtsgebied
Bestuursrecht, Vreemdelingenrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats
Middelburg
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Geen beroepsgronden ingediend – beroep niet-ontvankelijk

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.

Overwegingen

1. Op grond van artikel 6:5, eerste lid, aanhef en onder d, van de Awb[_6182193e-151e-4c4b-a352-540022760b45] bevat het beroepschrift de gronden van beroep. Indien niet is voldaan aan artikel 6:5 van de Awb, kan ingevolge artikel 6:6 van de Awb het beroep niet-ontvankelijk worden verklaard, mits de indiener de gelegenheid heeft gehad het verzuim te herstellen binnen een hem daartoe gestelde termijn.

2. Eiser heeft geen gronden van beroep vermeld in het beroepschrift van 18 maart 2024. De rechtbank heeft eiser om deze reden bij bericht van 19 maart 2024 verzocht om de gronden alsnog binnen vijf werkdagen in te dienen. Daarbij is eiser medegedeeld dat het beroep anders niet-ontvankelijk kan worden verklaard. Er is geen reactie ingekomen. Vervolgens heeft de rechtbank eiser op 27 maart 2024 de gelegenheid geboden om toe te lichten waarom de gronden van beroep niet zijn ingediend. Ook hierop is niet gereageerd.

3. Eiser heeft tot aan het moment van het sluiten van het onderzoek geen gronden van beroep ingediend. Gesteld noch gebleken is dat in het geval van eiser sprake is van verschoonbare redenen voor de termijnoverschrijding.

4. Gelet hierop dient de rechtbank slechts de vraag te beantwoorden of het digitale dossier aanleiding geeft om aan te nemen dat sprake is van bijzondere, op de individuele zaak betrekking hebbende feiten of omstandigheden als bedoeld in het arrest Bahaddar.[_6bc1c2af-2f3c-41d4-988c-657646d459a9] Dergelijke bijzondere feiten of omstandigheden doen zich voor, indien hetgeen is aangevoerd en overgelegd onmiskenbaar tot het oordeel leidt dat gedwongen overdracht schending zou opleveren van artikel 3 van het EVRM.[_cdbac1ea-6db8-4957-8cab-3fcc98ce8f67] Naar het oordeel van de rechtbank is hiervan geen sprake.

5. De rechtbank zal het beroep dan ook met toepassing van artikel 6:6 van de Awb niet-ontvankelijk verklaren vanwege het ontbreken van de gronden van beroep.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 4 april 2024 door mr. K.M. de Jager, rechter, in aanwezigheid van mr. J. de Winter, griffier, en het proces-verbaal daarvan is openbaar gemaakt door middel van een geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

Dit proces-verbaal is bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking van dit proces-verbaal.

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. Procesverloop
  2. Beslissing
  3. Overwegingen

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

zaaknummer: NL24.11840

proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam eiser], eiser,

V-nummer: [V-nr.]

(gemachtigde: mr. J.M. Bell),

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder,

(gemachtigde: mr. S.J.R.R. Brock).

Procesverloop

Bij besluit van 17 maart 2024 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag van eiser niet in behandeling genomen op de grond dat Duitsland verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

De rechtbank heeft het beroep op 4 april 2024 op zitting behandeld. Eiser en zijn gemachtigde zijn zonder nader bericht niet verschenen noch hebben zij anderszins van zich laten horen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Na afloop van de behandeling van de zaak ter zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.

Overwegingen

1. Op grond van artikel 6:5, eerste lid, aanhef en onder d, van de Awb[_6182193e-151e-4c4b-a352-540022760b45] bevat het beroepschrift de gronden van beroep. Indien niet is voldaan aan artikel 6:5 van de Awb, kan ingevolge artikel 6:6 van de Awb het beroep niet-ontvankelijk worden verklaard, mits de indiener de gelegenheid heeft gehad het verzuim te herstellen binnen een hem daartoe gestelde termijn.

2. Eiser heeft geen gronden van beroep vermeld in het beroepschrift van 18 maart 2024. De rechtbank heeft eiser om deze reden bij bericht van 19 maart 2024 verzocht om de gronden alsnog binnen vijf werkdagen in te dienen. Daarbij is eiser medegedeeld dat het beroep anders niet-ontvankelijk kan worden verklaard. Er is geen reactie ingekomen. Vervolgens heeft de rechtbank eiser op 27 maart 2024 de gelegenheid geboden om toe te lichten waarom de gronden van beroep niet zijn ingediend. Ook hierop is niet gereageerd.

3. Eiser heeft tot aan het moment van het sluiten van het onderzoek geen gronden van beroep ingediend. Gesteld noch gebleken is dat in het geval van eiser sprake is van verschoonbare redenen voor de termijnoverschrijding.

4. Gelet hierop dient de rechtbank slechts de vraag te beantwoorden of het digitale dossier aanleiding geeft om aan te nemen dat sprake is van bijzondere, op de individuele zaak betrekking hebbende feiten of omstandigheden als bedoeld in het arrest Bahaddar.[_6bc1c2af-2f3c-41d4-988c-657646d459a9] Dergelijke bijzondere feiten of omstandigheden doen zich voor, indien hetgeen is aangevoerd en overgelegd onmiskenbaar tot het oordeel leidt dat gedwongen overdracht schending zou opleveren van artikel 3 van het EVRM.[_cdbac1ea-6db8-4957-8cab-3fcc98ce8f67] Naar het oordeel van de rechtbank is hiervan geen sprake.

5. De rechtbank zal het beroep dan ook met toepassing van artikel 6:6 van de Awb niet-ontvankelijk verklaren vanwege het ontbreken van de gronden van beroep.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 4 april 2024 door mr. K.M. de Jager, rechter, in aanwezigheid van mr. J. de Winter, griffier, en het proces-verbaal daarvan is openbaar gemaakt door middel van een geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

Dit proces-verbaal is bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking van dit proces-verbaal.

Wetsartikelen in deze uitspraak

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.