Uitspraak · Vreemdelingenrecht

Rechtbank Den Haag, 18 december 2024

ECLI:NL:RBDHA:2024:21673Zaaknummer NL24.44021

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
18 december 2024
Publicatiedatum
20 december 2024
Zaaknummer
NL24.44021
Rechtsgebied
Bestuursrecht, Vreemdelingenrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats
Middelburg
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Verlengen van de overdrachtstermijn, onderduiken, berekening van de uiterste overdrachtsdatum, beroep ongegrond.

De uitspraak is bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. [eiser], eiser
  2. Procesverloop
  3. Overwegingen
  4. Beslissing

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

zaaknummer: NL24.44021

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], eiser

V-nummer: [V-nummer]

(gemachtigde: mr. H.A.C. Klein Hesselink),

en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. A.R.J. Maas).

Procesverloop

Met het besluit van 5 november 2024 (het bestreden besluit) heeft verweerder de overdrachtstermijn voor de overdracht van eiser aan Frankrijk tot achttien maanden verlengd.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

De rechtbank heeft het beroep op 28 november 2024 op zitting behandeld. Eiser en verweerder hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden.

Overwegingen

1. Eiser heeft op 31 januari 2024 in Nederland een asielaanvraag gedaan. Verweerder heeft deze asielaanvraag op grond van de Dublinverordening[_aea6a84c-3d36-44d5-8c23-4375c6ccc865] niet in behandeling genomen, omdat is vastgesteld dat Frankrijk de verantwoordelijke lidstaat is voor de behandeling daarvan. Het beroep van eiser daartegen is niet-ontvankelijk verklaard.[_d2331441-7067-4ae4-b583-d77d0680f4b9]

2. Vervolgens was verweerder voornemens om eiser op 5 november 2024 over te dragen aan Frankrijk. De overdracht is echter niet uitgevoerd, omdat eiser volgens verweerder op die datum was ondergedoken. Verweerder heeft daarom besloten om op grond van artikel 29, tweede lid, van de Dublinverordening de overdrachtstermijn te verlengen tot achttien maanden.

3. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit en stelt het volgende. Hij betwist dat hij op 5 november 2024 was ondergedoken. Hij verbleef tot en met 4 november 2024 in een opvanglocatie in Haarlem en sinds 5 november in de vrijheidsbeperkende locatie in Ter Apel. Verder was de uiterste overdrachtsdatum op 5 november 2024 al verstreken. Nederland heeft namelijk op 4 maart 2024 een overnameverzoek aan Frankrijk verzonden. Doordat Frankrijk niet tijdig heeft gereageerd op het overnameverzoek, zijn zij op 4 mei 2024 verantwoordelijk geworden voor de behandeling van eisers asielaanvraag. Eisers overdracht diende dus uiterlijk 3 november 2024 plaats te vinden. Verweerder kon eiser dan ook niet meer op 5 november 2024 aan Frankrijk overdragen.

De rechtbank oordeelt als volgt.

4. Eisers stelling dat hij niet was ondergedoken op 5 november 2024 wordt niet gevolgd. Bij zijn verweerschrift heeft verweerder een schermafdruk van zijn registratiesysteem ‘Indigo’ overgelegd. Hieruit volgt dat het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COA) op 5 november 2024 heeft geregistreerd dat eiser met onbekende bestemming (MOB) is vertrokken. Ook heeft verweerder een mailwisseling overgelegd, waaruit volgt dat de Dienst Terugkeer en Vertrek eiser niet heeft aangetroffen op 5 november 2024 op zijn opvanglocatie. Verder heeft verweerder een interne notitie ‘Bezoek (info)loket’ aan het dossier toegevoegd. Hierin staat dat eiser zich op 6 november 2024 in Ter Apel heeft gemeld voor een nieuwe asielaanvraag en dat eiser heeft verklaard dat hij bewust de procedure heeft gefrustreerd en MOB is gegaan. Met deze stukken heeft verweerder voldoende gemotiveerd dat eiser op 5 november 2024 was ondergedoken. Ter zitting heeft eiser gesteld dat de interne notitie van verweerder geen op ambtseed opgemaakt proces-verbaal betreft. Deze enkele stelling geeft geen aanleiding voor een andere conclusie. Eiser heeft namelijk niet gemotiveerd waar hij wel verbleef ten tijde van de voor hem bekende overdrachtsdatum.

5. Eisers beroepsgrond over de uiterste overdrachtsdatum slaagt ook niet. Op 4 maart 2024 heeft Nederland aan Frankrijk verzocht om eiser over te nemen. Uit artikel 22, eerste lid, van de Dublinverordening volgt dat de lidstaat twee maanden de gelegenheid heeft om hierop te reageren. Nu Frankrijk niet uiterlijk op 4 mei 2024 heeft gereageerd, is het overnameverzoek impliciet aanvaard op 5 mei 2024 op grond van artikel 22, zevende lid, van de Dublinverordening.[_2e737208-9868-42a1-8ed3-a9acbfc17985] Nederland had dan ook tot en met 5 november 2024 de tijd om eiser over te dragen.[_9c2efeda-e26a-4d7b-8fe3-073463837a8f] Dit betekent dat de uiterste overdrachtsdatum op 5 november 2024 nog niet was verstreken.

6. Nu eiser op 5 november 2024 was ondergedoken en de uiterste overdrachtsdatum op die datum niet was verstreken, heeft verweerder kunnen besluiten om de overdrachtstermijn te verlengen tot achttien maanden.

7. Het beroep is ongegrond. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan op 18 december 2024 door mr. M.L. Weerkamp, rechter, in aanwezigheid van mr. R. de Mul, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

De uitspraak is bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.