Uitspraak · Vreemdelingenrecht
Rechtbank Den Haag, 12 november 2024
ECLI:NL:RBDHA:2024:18790Zaaknummer NL24.25496
- Instantie
- Rechtbank Den Haag
- Datum uitspraak
- 12 november 2024
- Publicatiedatum
- 14 november 2024
- Zaaknummer
- NL24.25496
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht, Vreemdelingenrecht
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Zittingsplaats
- Middelburg
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
niet-ontvankelijk, Wbv 2023/3, ingebrekestelling prematuur, geen aanleiding voor proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan op 12 november 2024 door mr. J.F.I. Sinack, rechter, in aanwezigheid van A.A.M. Mangroe, griffier, en openbaar gemaakt door middel van een geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
Deze uitspraak is bekendgemaakt op:
Informatie over verzet
Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.25496
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], eiser,
V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: [gemachtigde]),
en
de minister van Asiel en Migratie, voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid,
verweerder.
Procesverloop
Eiser heeft op 21 juni 2024 beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op zijn asielaanvraag van 7 maart 2023.
De rechtbank doet uitspraak buiten zitting op grond van artikel 8:54, eerste lid, van de Awb[_78bd5ef6-4888-4656-bcc3-4694df967e33] uitspraak zonder zitting.
Overwegingen
1. Op grond van artikel 6:2, aanhef en onder b, van de Awb wordt voor de toepassing van wettelijke voorschriften over bezwaar en beroep het niet tijdig nemen van een besluit met een besluit gelijkgesteld. In artikel 6:12, tweede lid, van de Awb is bepaald dat het beroepschrift kan worden ingediend zodra het bestuursorgaan in gebreke is om op tijd een besluit te nemen en twee weken zijn verstreken nadat een schriftelijke ingebrekestelling door het bestuursorgaan is ontvangen.
2. Verweerder heeft onderzocht of de asielaanvraag van eiser niet in behandeling moet worden genomen omdat een andere lidstaat van de Europese Unie daarvoor verantwoordelijk is zoals bedoeld in de Dublinverordening.[_a2ac27a8-51cc-467a-81a0-14c7b7ab760d] Artikel 42, zesde lid, van de Vw[_530d7e95-bd7e-4db3-b5e0-0302ce09cd14] bepaalt dat de beslistermijn in dergelijke gevallen aanvangt op het moment waarop is komen vast te staan dat Nederland verantwoordelijk is of zal worden voor de behandeling van de asielaanvraag. Dat moment is in ieder geval aangebroken wanneer de in de Dublinverordening neergelegde uiterste overdrachtstermijn is verstreken. Dat moment kan zich echter ook eerder voordoen, bijvoorbeeld als verweerder zelf eerder besluit om de asielaanvraag aan zich te trekken of als door feiten en omstandigheden blijkt dat de
verantwoordelijkheid vanaf een bepaald moment aan Nederland behoort of zal gaan behoren.
3. Op 21 april 2023 zijn de autoriteiten van Oostenrijk gevraagd om eiser terug te nemen op grond van de Dublinverordening. Dit verzoek is op 24 april 2023 afgewezen. Het verzoek om heroverweging van 25 april 2023 is door de autoriteiten van Oostenrijk op 26 april 2023 ook afgewezen. Bij brief van 2 mei 2023 is eiser toegelaten tot de nationale procedure, omdat volgens verweerder niet is gebleken dat sprake is van een beoordelingsfout of er sprake is van nieuwe informatie zodat geen verzoek om heroverweging zal worden gedaan.[_f3086325-539e-40dd-b1d0-f80b61d0e8b1] Nederland is daarom op 2 mei 2023 verantwoordelijk geworden voor de inhoudelijke behandeling van de asielaanvraag.
3. Op grond van artikel 42, eerste lid, van de Vw moet binnen zes maanden op een asielaanvraag worden beslist. De wettelijke beslistermijn van zes maanden zou daarom in het geval van eiser op 2 november 2023 eindigen. Verweerder heeft met inwerkingtreding van de WBV 2023/3[_c0705f1d-862d-4219-b15d-595ab4d233d6] de beslistermijn verlengd met negen maanden, waardoor deze voor eiser pas op 2 augustus 2024 zal eindigen. Deze rechtbank en zittingsplaats heeft in haar uitspraken van 21 maart 2023[_c6a9f37f-45a0-412e-b07b-1c9670de3230] geoordeeld dat deze verlenging rechtsgeldig is. De rechtbank ziet geen reden om in deze zaak van dit oordeel af te wijken. Deze verlenging is daarom rechtsgeldig.
4. Eiser heeft verweerder op 6 juni 2024 in gebreke gesteld. Op dat moment was de wettelijke beslistermijn nog niet verstreken. Dat maakt dat de ingebrekestelling prematuur is ingediend en niet geldig is. Nu niet aan de vereisten van artikel 6:12 van de Awb is voldaan, is het beroep kennelijk niet-ontvankelijk.
5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan op 12 november 2024 door mr. J.F.I. Sinack, rechter, in aanwezigheid van A.A.M. Mangroe, griffier, en openbaar gemaakt door middel van een geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
Deze uitspraak is bekendgemaakt op:
Informatie over verzet
Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.
Wetsartikelen in deze uitspraak
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.