Uitspraak · Vreemdelingenrecht

Rechtbank Den Haag, 15 oktober 2024

ECLI:NL:RBDHA:2024:17033Zaaknummer NL24.37776

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
15 oktober 2024
Publicatiedatum
21 oktober 2024
Zaaknummer
NL24.37776
Rechtsgebied
Bestuursrecht, Vreemdelingenrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats
Middelburg
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Eerste beroep. Bewaring. Redelijk vermoeden van illegaal verblijf. Zicht op overdracht. Ongegrond.

De uitspraak is bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. Procesverloop
  2. Overwegingen
  3. Beslissing

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

zaaknummer: NL24.37776

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], eiser,

V-nummer: [V-nummer]

(gemachtigde: mr. W.A.E.M. Amesz),

en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder,

(gemachtigde: mr. K. Bruin).

Procesverloop

Bij besluit van 27 september 2024 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring opgelegd.[_a7cb57c1-a848-4499-a7e0-886d32cdc863]

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.

Eiser heeft desgevraagd ingestemd met een schriftelijke afdoening van het beroep. Op 15 oktober 2024 heeft de rechtbank het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. Eiser stelt te zijn geboren op [datum] 1998 en de Iraakse nationaliteit te hebben.

Redelijk vermoeden van illegaal verblijf

2. Eiser voert aan dat geen sprake is geweest van een redelijk vermoeden van illegaal verblijf.

3. De rechtbank stelt vast dat uit het proces-verbaal van staandehouding van 27 september 2024 blijkt dat eiser geen of onvoldoende medewerking heeft verleend aan zijn overdracht aan Duitsland en hij om die reden staande is gehouden, zodat reeds hierom voldoende duidelijk is geworden dat en waarom sprake was van een redelijk vermoeden van illegaal verblijf.

Maatregel van bewaring

4. In de maatregel van bewaring heeft verweerder overwogen dat de maatregel nodig is, omdat een concreet aanknopingspunt bestaat voor een overdracht als bedoeld in de Dublinverordening[_51119817-90ba-426a-954c-090af9c6ed0a] en een significant risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. Als zware gronden[_ea22fa5e-c369-4647-a1b5-5d68ad9f4e68] staan in de maatregel vermeld dat eiser:

  • 3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;
  • 3k. een overdrachtsbesluit heeft ontvangen en geen medewerking verleent aan de overdracht aan de lidstaat die verantwoordelijk is voor de behandeling van zijn asielverzoek;

En als lichte gronden[_df719b72-f768-4d21-b02a-8441197da3e0] staan in de maatregel vermeld dat eiser:

  • 4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;
  • 4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
  • 4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.

5. De rechtbank stelt vast dat eiser de gronden die aan de maatregel van bewaring ten grondslag liggen niet heeft betwist. De gronden zijn feitelijk juist en voldoende om een significant risico aan te nemen dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. Deze kunnen de maatregel van bewaring dragen.

Zicht op overdracht binnen een redelijke termijn

6. Uit artikel 28, derde lid, van de Dublinverordening volgt dat de maatregel van bewaring zo kort mogelijk duurt en niet langer dan de tijd die redelijkerwijs nodig is om de vereiste administratieve procedures zorgvuldig af te ronden totdat de overdracht is uitgevoerd. Dit volgt onder meer uit het arrest Amayry[_c135959c-0f24-4713-bcca-4c306326d8f2] en de uitspraak van de Afdeling van 14 maart 2020.[_7bc51896-4098-4fa6-acc5-fe7807729cf5] Nu uit het dossier blijkt dat eiser op 17 oktober 2024 met behulp van medische escorts zal worden overgedragen aan de Duitse autoriteiten, volgt de rechtbank eiser niet in zijn stelling dat het zicht op overdracht binnen een redelijke termijn ontbreekt.

Ambtshalve toets

7. Tot slot leidt de ambtshalve toetsing niet tot het oordeel dat de maatregel van bewaring tot aan de opheffing daarvan op enig moment onrechtmatig was.

Conclusie

8. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:

  • verklaart het beroep ongegrond; en
  • wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan op 15 oktober 2024 door mr. E.F. Bethlehem, rechter, in aanwezigheid van R. Ben Sellam, griffier, en openbaar gemaakt door middel van een geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

De uitspraak is bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.