Uitspraak · Vreemdelingenrecht
Rechtbank Den Haag, 20 september 2024
ECLI:NL:RBDHA:2024:14968Zaaknummer NL24.25265
- Instantie
- Rechtbank Den Haag
- Datum uitspraak
- 20 september 2024
- Publicatiedatum
- 20 september 2024
- Zaaknummer
- NL24.25265
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht, Vreemdelingenrecht
- Procedure
- Vereenvoudigde behandeling
- Zittingsplaats
- Groningen
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
beroep niet tijdig, asiel
De uitspraak bekendgemaakt op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.25265
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam], eiseres,
V-nummer: [nummer],
(gemachtigde: mr. T.M. van der Wal),
mede namens haar minderjarige kinderen:
[naam],
V-nummer: [nummer],
[naam],
V-nummer: [nummer],
en
de minister van Asiel en Migratie, voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, de minister.
Procesverloop
Eiseres heeft op 19 februari 2023 een aanvraag tot het verlenen van en verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Vanaf 3 januari 2024 is de aanvraag van eiseres opgenomen in de nationale procedure.
Eiseres heeft de minister bij brief van 31 mei 2024 in gebreke gesteld wegens het niet tijdig beslissen op haar asielaanvraag. Eiseres heeft vervolgens op 19 juni 2024 beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van het besluit.
De minister heeft geen verweerschrift ingediend.
De rechtbank heeft partijen laten weten dat zij een zitting niet nodig vindt. Partijen hebben hier mee ingestemd, waarna de rechtbank het onderzoek heeft gesloten en het beroep dus niet heeft behandeld op een zitting.
Overwegingen
1. In artikel 6:2, aanhef en onder b, van de Awb is bepaald dat voor de toepassing van wettelijke voorschriften over bezwaar en beroep, het niet tijdig nemen van een besluit met een besluit wordt gelijkgesteld.
2. In artikel 6:12, tweede lid, van de Awb, voor zover hier van belang, is bepaald, dat een beroepschrift gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit kan worden ingediend zodra het bestuursorgaan in gebreke is om op tijd een besluit te nemen en twee weken zijn verstreken nadat een schriftelijke ingebrekestelling door het bestuursorgaan is ontvangen.
3. Op grond van artikel 42, eerste lid, van de Vreemdelingenwet (Vw) moet de
minister binnen zes maanden na ontvangst van de aanvraag beslissen. Op grond van artikel 42, vierde lid, aanhef en onder b, van de Vw kan de termijn, als bedoeld in het eerste lid, met ten hoogste negen maanden worden verlengd, indien een groot aantal vreemdelingen tegelijk een aanvraag indient waardoor het in de praktijk zeer moeilijk is de procedure binnen de termijn van zes maanden af te ronden. Uit artikel 42, zesde lid, van de Vw blijkt dat bovengenoemde beslistermijn aanvangt wanneer overeenkomstig de Dublinverordening wordt vastgesteld dat Nederland verantwoordelijk is voor de behandeling van de asielaanvraag van eiser.
4. Eiseres heeft haar asielaanvraag ingediend op 19 februari 2023. Uit de stukken in het dossier blijkt dat eiseres met ingang van 3 januari 2024[_09e5580b-0ab9-4bf6-a723-e7a2d31dcb26] is toegelaten tot de nationale procedure en dat Nederland op dat moment verantwoordelijk werd voor de behandeling van de asielaanvraag van eiseres. Dit betekent dat de wettelijke beslistermijn van zes maanden in het geval van eiseres eindigde op 3 juli 2024. De ingebrekestelling van 31 mei 2024 is dan ook reeds om die reden prematuur ingediend.
5. Daarbij acht de rechtbank het van belang op te merken dat de minister, met inwerkingtreding van het WBV 2023/3, de beslistermijn van asielaanvragen, ingediend tussen 1 januari 2023 en 1 januari 2024, met negen maanden heeft verlengd. Deze rechtbank en zittingsplaats heeft in de uitspraak van 11 april 2024 (ECLI:NL:RBDHA:2024:5087) geoordeeld dat de minister voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat op het moment van de inwerkingtreding van het WBV 2023/3 sprake was van een situatie, zoals bedoeld in artikel 42, vierde lid, aanhef en onder b, van de Vw. De rechtbank ziet geen aanleiding om in deze zaak van dat oordeel af te wijken. De verlenging van de beslistermijn is daarom rechtsgeldig. Dit betekent dat de wettelijke beslistermijn om te beslissen op de aanvraag van eiseres zal verstrijken op 3 april 2025.
6. Omdat de ingebrekestelling van 31 mei 2024 prematuur is ingediend, voldoet het beroep niet aan de vereisten voor het indienen van een beroep tegen het niet tijdig beslissen, als bedoeld in artikel 6:12, tweede lid, van de Awb.
7. Het beroep is niet-ontvankelijk.
8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.G.D. Overmars, rechter, in aanwezigheid van mr. B.A. Smit, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak bekendgemaakt op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.
Voetnoten
- Uit de brief van de minister van 31 januari 2024 blijkt dat Italië op 2 juli 2023 verantwoordelijk werd voor eiseres op grond van artikel 22, zevende lid, van de Dublinverordening. De overdrachtstermijn eindigde derhalve op 2 januari 2024.
Wetsartikelen in deze uitspraak
- Artikel 6:12 Awb meer uitspraken over dit artikel
- Artikel 42 Vw
Samenhangende uitspraken
- ECLI:NL:RVS:2026:5071 http://psi.rechtspraak.nl/hogerBeroep
Deze uitspraak verwijst naar
Aangehaald in
- ECLI:NL:RVS:2026:5071 Raad van State, 31 augustus 2026 (vreemdelingenrecht)
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.