Uitspraak · Socialezekerheidsrecht

Rechtbank Den Haag, 8 mei 2023

ECLI:NL:RBDHA:2023:7105Zaaknummer SGR 21/5496

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
8 mei 2023
Publicatiedatum
3 april 2025
Zaaknummer
SGR 21/5496
Rechtsgebied
Bestuursrecht, Socialezekerheidsrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats
Den Haag
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Opschorting / intrekking / bijstandsuitkering / beroep ongegrond

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M. van Paridon, rechter, in aanwezigheid van mr. L.Z. Meijer, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 8 mei 2023.

griffierrechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. [eiser], uit [woonplaats], eiseres
  2. Inleiding
  3. Overwegingen
  4. Beslissing
  5. Informatie over hoger beroep

DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: SGR 21/5496

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 8 mei 2023 in de zaak tussen

[eiser], uit [woonplaats], eiseres

(gemachtigde: mr. A.A. van Harmelen),

en

het college van burgemeester en wethouders van Rijswijk, verweerder

(gemachtigde: mr. M. Drazenovic).

Inleiding

Bij besluit van 8 maart 2021 (primair besluit I) heeft verweerder het recht op bijstand van eiseres op grond van de Participatiewet (Pw) per 8 maart 20221 opgeschort.

Bij besluit van 23 maart 2021 (primair besluit II) heeft verweerder het recht op bijstand van eiseres met ingang van 8 maart 2021 ingetrokken.

Bij besluit van 2 juli 2021 (bestreden besluit) heeft verweerder de bezwaren van eiseres tegen de primaire besluiten I en II ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 maart 2023. Eiseres en verweerder hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden.

Overwegingen

1. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1.

Eiseres is geboren op 14 december 2000 en ontving sinds 24 augustus 2019 bijstand op grond van de Pw naar de norm voor een jongere.

1.2.

Bij brief van 16 februari 2021 heeft [naam], consulent Werk van team werk en schuldhulpverlening (consulent), namens verweerder eiseres uitgenodigd voor een gesprek op 24 februari 2021 over werk. Het gaat, zo staat in de uitnodiging, over het ontslag van eiseres en over houding en gedrag. Eiseres is niet verschenen op het gesprek.

1.3.

Bij brief van 24 februari 2021 heeft de consulent namens verweerder eiseres een tweede uitnodiging gestuurd voor een gesprek op 8 maart 2021 om 11 uur bij het WerkgeversServicepunt, adres X, met hetzelfde onderwerp als in de brief van 16 februari 2021 staat. In de brief staat ook dat eiseres zonder geldige reden niet is verschenen op de afspraak van 24 februari 2021.

1.4.

Namens verweerder heeft de manager inkomen en participatie bij brief van 25 februari 2021 eiseres uitgenodigd voor een gesprek op 8 maart 2021 om 11 uur bij het WerkgeversServicepunt, adres X, om het recht op voortzetting van de uitkering vast te stellen. In deze brief staat: “ik verzoek u het inlichtingenformulier dat u hierbij aantreft in te vullen en mee te nemen. De stukken waar in het inlichtingenformulier om wordt gevraagd, dient u dan eveneens mee te nemen. Het verstrekken van informatie is voor u verplicht… Als u de gevraagde informatie niet, niet volledig, of niet tijdig verstrekt, kan aan u een boete worden opgelegd. Bovendien wordt dan uw recht op uitkering opgeschort (artikel 54 eerste lid Participatiewet). Dit kan leiden tot intrekking van uw uitkering.”. Bij de brief is een heronderzoeksformulier gevoegd. Op het heronderzoeksformulier staat bij vraag 5 “vermogen, vermeld hieronder al uw betaal- en/of spaarrekeningen…” en vetgedrukt, onderstreept in grote letters “Neem van alle rekeningen afschriften over de laatste drie maanden mee.”.

1.5.

Bij brief van 8 maart 2021 heeft de consulent werk een brief gestuurd naar eiseres met als onderwerp “uitnodiging maatregelgesprek”. In de brief staat dat eiseres op 24 februari 2021 en op 8 maart 2021 niet is verschenen en zich niet heeft afgemeld met een dringende geldige reden. Om het gedrag van eiseres nader te verklaren wordt eiseres uitgenodigd voor een hoor- en wederhoorgesprek op 22 maart 2021. In de brief staat ook dat als eiseres verhinderd is, zij zo spoedig mogelijk een nieuwe afspraak moet maken.

1.6.

In het primaire besluit heeft verweerder eiseres in de gelegenheid gesteld om het inlichtingenformulier en de stukken waar in het inlichtingenformulier om wordt gevraagd “(o.a. bankafschriften van de afgelopen drie maanden)” voor 22 maart 2021 met de bijgevoegde retourenvelop op te sturen.

1.7.

Eiseres heeft het inlichtingenformulier ingevuld en gedateerd op 4 maart 2021. Volgens de poststempel heeft verweerder dit op 9 maart 2021 ontvangen. Bij het formulier zijn geen bankafschriften gevoegd.

1.8.

Bij e-mailbericht van 9 maart 2021 heeft de consulente Participatiewet (consulente Pw) aan eiseres bericht dat aan eiseres onder meer is gevraagd om de bankafschriften over de periode van 1 maart 2020 tot heden. De consulente Pw meldt dat deze gegevens niet of niet volledig zijn ontvangen. Verder staat in het e-mailbericht: “overigens bent u, zonder bericht, gisteren niet verschenen op de afspraak met [naam] en mij. Hiervoor is een nieuwe uitnodiging verstuurd.”.

1.9.

Hierop heeft eiseres per e-mailbericht van 13 maart 2021 geantwoord dat zij alles allang heeft verstuurd. Eiseres schrijft “Verder inderdaad mijn excuus dat ik niet ben gekomen maar ik had geen geld om te komen naar de afspraak. Ik kan moeilijk helemaal daarnaar toe gaan lopen. Verder heb ik sowieso weer voorlopig geen geld omdat ik mijn rekeningen heb betaald, dus weet niet hoe we een afspraak gaan maken. Denk dat telefonisch het beste is.”.

1.10.

Bij het primaire besluit II wordt het recht op bijstand met ingang van 8 maart 2021 door verweerder ingetrokken.

1.11.

Verweerder heeft in het bestreden besluit de opschorting en de intrekking van de bijstand gehandhaafd. Hieraan heeft verweerder ten grondslag gelegd dat eiseres niet is verschenen op 8 maart 2021 en niet de bankafschriften heeft overgelegd. Ter zitting heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat het vooral om de bankafschriften gaat.

2. De rechtbank komt tot de volgende beoordeling van het tegen het bestreden besluit ingestelde beroep.

2.1.

Volgens vaste rechtspraak staat bij de beantwoording van de vraag of verweerder op grond van artikel 54, vierde lid van de Pw bevoegd is tot intrekking van verleende bijstand, ter beoordeling of de betrokkene verzuimd heeft binnen de daartoe gestelde termijn de gegevens of bewijsstukken te verstrekken. Indien dat het geval is, dient vervolgens te worden nagegaan of de betrokkene hiervan een verwijt kan worden gemaakt.

2.2.

Niet in geschil is dat eiseres niet is verschenen op 8 maart 2021 en geen bankafschriften heeft ingeleverd.

2.3.

Eiseres heeft aangevoerd dat haar niet kan worden verweten dat zij geen bankafschriften heeft overgelegd. Uit het e-mailbericht van 9 maart 2021 mocht zij afleiden dat zij nog een uitnodiging zou krijgen voor een gesprek en dat zij de bankafschriften dan zou mogen meenemen naar dat gesprek. Eiseres heeft daarna geen uitnodiging voor een gesprek meer ontvangen. Deze grond slaagt niet.

2.3.1.

Uit de brief van 25 februari 2021 en uit primair besluit I, dat eiseres, gezien de datum van dit besluit, op z’n vroegst op 9 maart 2021 zal hebben ontvangen, blijkt duidelijk dat eiseres de bankafschriften van de afgelopen drie maanden moet inleveren. Uit primair besluit I blijkt dat eiseres deze alsnog kan opsturen naar verweerder in de bijgeleverde retourenvelop. Anders dan eiseres heeft betoogd staat in het e-mailbericht van 9 maart 2021 niet dat eiseres de bankafschriften kan meenemen naar een gesprek waarvoor zij nog zal worden uitgenodigd. Bovendien is niet aannemelijk dat eiseres op of na 9 maart 2021 in afwachting was van een uitnodiging voor een gesprek om de bankafschriften in te leveren. Immers, op 13 maart 2021 heeft zij nog gemaild dat zij niet zal komen op gesprek.

2.4.

Gelet op 3.3. en 3.3.1 behoeft wat verder is aangevoerd over de (on)mogelijkheden om te reizen geen bespreking.

2.5.

Het beroep is ongegrond. Dit betekent dat de intrekking van de bijstand in stand blijft.

3. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M. van Paridon, rechter, in aanwezigheid van mr. L.Z. Meijer, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 8 mei 2023.

griffierrechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Wetsartikelen in deze uitspraak

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.