Uitspraak · Vreemdelingenrecht
Rechtbank Den Haag, 23 januari 2023
ECLI:NL:RBDHA:2023:3225Zaaknummer NL23.375
- Instantie
- Rechtbank Den Haag
- Datum uitspraak
- 23 januari 2023
- Publicatiedatum
- 23 maart 2023
- Zaaknummer
- NL23.375
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht, Vreemdelingenrecht
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Zittingsplaats
- Den Haag
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
met onbekende bestemming vertrokken - beroep niet-ontvankelijk wegens ontbreken van proces-belang
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.M. Meijers, rechter, in aanwezigheid van mr. C.M. van den Berg, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: NL23.375
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , eiser
V-nummer: [v-nummer]
(gemachtigde: mr. F.H. Bruggink),
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder.
Procesverloop Bij besluit van 2 januari 2023 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd in de algemene procedure afgewezen als kennelijk ongegrond.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
De rechtbank heeft het beroep op 19 januari 2023 op zitting behandeld.Partijen zijn, met voorafgaande mededeling, niet verschenen.
Overwegingen
1. Verweerder heeft bij bericht van 17 januari 2023 laten weten dat eiser met onbekende bestemming is vertrokken. Uit navraag bij het COA[_7a0958b6-414b-4eb3-bc5b-a121a095950b] blijkt dat eiser op 6 januari 2023 de opvang zelfstandig heeft verlaten, en niet is gebleken dat eiser zich inmiddels weer heeft gemeld bij het COA.
2. Uit vaste rechtspraak van de hoogste bestuursrechter[_235a2c6a-c771-42ca-b6a2-6240e1259ae1] volgt dat, als een vreemdeling die in Nederland bescherming heeft gevraagd met onbekende bestemming vertrekt zonder aan verweerder te laten weten waar hij verblijft, er in beginsel vanuit gegaan moet worden dat die vreemdeling geen prijs stelt op de door hem aanvankelijk gezochte bescherming in Nederland. Dit is slechts anders als een vreemdeling laat weten dat hij contact met zijn gemachtigde onderhoudt en dus nog prijs stelt op de behandeling van zijn beroep. Dit impliceert dat de gemachtigde weet dat een vreemdeling nog in Nederland verblijft, waar hij verblijft en met de vreemdeling contact heeft over de verdere voortgang van de procedure en de keuzes die in dit kader moeten worden gemaakt.
3. Vaststaat dat eiser met onbekende bestemming is vertrokken. De gemachtigde heeft hierin aanleiding gezien om eiser ter zitting niet te vertegenwoordigen. Hieruit leidt de rechtbank af dat de gemachtigde van eiser niet weet dat, en zo ja waar, eiser in Nederland verblijft. Gelet hierop moet ervan worden uitgegaan dat eiser kennelijk geen prijs meer stelt op de door hem gezochte bescherming en dus geen belang heeft bij de beoordeling van zijn beroep.
4. Het beroep is daarom niet-ontvankelijk.
5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.M. Meijers, rechter, in aanwezigheid van mr. C.M. van den Berg, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.