Uitspraak · Personen- en familierecht
Rechtbank Den Haag, 14 februari 2023
ECLI:NL:RBDHA:2023:1625Zaaknummer C/09/629944 / FA RK 22-3339
- Instantie
- Rechtbank Den Haag
- Datum uitspraak
- 14 februari 2023
- Publicatiedatum
- 3 maart 2026
- Zaaknummer
- C/09/629944 / FA RK 22-3339
- Rechtsgebied
- Civiel recht, Personen- en familierecht
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudig, Beschikking
- Zittingsplaats
- Den Haag
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
hoofdverblijfplaats en informatie- en consultatieregeling
De rechtbank:
*
bepaalt dat de minderjarige [de minderjarige 1], geboren op [geboortedatum 1] 2017 te [geboorteplaats 1] de voorlopige hoofdverblijfplaats zal hebben bij de vader, en verklaart deze bepaling uitvoerbaar bij voorraad;
*
houdt de behandeling aan tot 1 september 2023 pro forma; uiterlijk op die datum dient de Stichting Jeugdbescherming west Haaglanden schriftelijk verslag te hebben uitgebracht over het verloop van de ondertoezichtstelling aan de rechtbank met kopie aan beide ouders en hun advocaten;
bepaalt dat de behandeling op de zitting op een nader te bepalen datum en tijdstip, maar gelijktijdig met een eventueel verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling zal worden voortgezet in aanwezigheid van de Stichting Jeugdbescherming west Haaglanden;
beveelt de griffier partijen tegen het tijdstip van de nadere behandeling op de zitting ieder via de eigen advocaat op te roepen;
houdt iedere verdere beslissing ten aanzien van de definitieve hoofdverblijfplaats van [de minderjarige 1], de zorgregeling ten aanzien van [de minderjarige 1], de informatie- en consultatieregeling voor [de minderjarige 2] en [de minderjarige 1] en de daaraan gekoppelde dwangsom en de proceskosten aan.
| Deze beschikking is gegeven door mr. A.M. van der Vliet, kinderrechter, bijgestaan door mr. M.G. Coopmans-Veraa als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 14 februari 2023. |
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
Rechtbank DEN HAAG
Enkelvoudige kamer
Rekestnummer: FA RK 22-3339
Zaaknummer: C/09/629944
Datum beschikking: 14 februari 2023
Gezagsuitoefening
Beschikking op het op 24 mei 2022 ingekomen verzoek van:
[de vader],
de vader,
wonende te ’s-Gravenhage,
advocaat: mr. D. van den Bout - Kuhlmann te Voorburg.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:
[de moeder],
de moeder,
wonende te ’s-Gravenhage,
advocaat: mr. R.G.J. van Ommeren te Amsterdam.
Procedure
Bij beschikking van 15 juli 2022 heeft deze rechtbank:
- bepaald dat er voorlopig een zorgregeling tussen de kinderen en hun ouders geldt die onder regie van de Stichting Jeugdbescherming west Regio Haaglanden wordt ingevuld;
- de Raad voor de Kinderbescherming verzocht een onderzoek te verrichten en daarover aan de rechtbank te rapporteren en advies uit te brengen;
- dat onderzoek dient het antwoord te geven op de vraag welke hoofdverblijfplaats en welke regeling inzake de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken in het belang van [de minderjarige 1] ( [de minderjarige 1] ), geboren op
[geboortedatum 1] 2017 te [geboorteplaats 1] is te achten, waarbij ook onderzocht moet worden of de belangen van [de minderjarige 2] ( [de minderjarige 2] ), geboren op [geboortedatum 2] 2012 te [geboorteplaats 2] zich tegen een zorgregeling verzetten en zo nee, welke zorgregeling dan in haar belang wordt geacht;
- iedere verdere beslissing ten aanzien van de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige 1], de zorgregeling ten aanzien van [de minderjarige 1] en/of [de minderjarige 2], de informatie- en consultatieregeling ten aanzien van beide kinderen en de proceskosten aangehouden.
De rechtbank heeft wederom kennis genomen van de stukken, waaronder thans ook:
- het rapport en advies van de Raad voor de Kinderbescherming te ’s-Gravenhage
van 15 september 2022, kenmerk [kenmerk];
- de brief van 14 oktober 2022 namens de vader;
- de brief van 9 januari 2023, met bijlagen, namens de vader, inhoudende wijziging
van het verzoek.
Weergave van de nog voorliggende verzoeken
De vader heeft op 9 januari 2023 zijn verzoeken gewijzigd en verzoekt nu:
Primair te bepalen, indien en voor zover nodig met wijziging van het
overeengekomen ouderschapsplan, te weten de artikelen 2 en 3.3., dat het
hoofdverblijf van [de minderjarige 1] voortaan bij de vader is;
Subsidiair, indien en voor zover nodig met wijziging van het overeengekomen
ouderschapsplan, en indien en voor zover de rechtbank mocht oordelen dat het
hoofdverblijf van [de minderjarige 1] bij de moeder dient te zijn, een verdeling van de zorg-
en opvoedingstaken vast te stellen, inhoudende dat [de minderjarige 1] bij de vader verblijft
iedere week van vrijdagmiddag (vader haalt hem na zijn werk op) tot
maandagochtend naar school (de vader brengt [de minderjarige 1] naar school), alsmede
gedurende de helft van de schoolvakanties en de algemeen erkende feestdagen, als
ook op Vaderdag en op de verjaardagen van de familie van de vader;
Een informatie- en consultatieregeling voor [de minderjarige 2] en [de minderjarige 1] vast te stellen,
indien en voor zover nodig met wijziging van het overeengekomen
ouderschapsplan, te weten de artikelen 3.7. en 4, inhoudende dat de moeder de
vader ten minste één maal per twee weken per e-mail dient te informeren over het
wel en wee van [de minderjarige 2] en [de minderjarige 1], zoals hun gezondheid, hun school, hun
vorderingen op school, hun buitenschoolse activiteiten, hun financiën en alle
relevante zaken in hun leven onder toezending van een of meer recente foto’s van
[de minderjarige 2] alsmede te bepalen dat de moeder de vader in een zo vroeg mogelijk
stadium vooraf dient te consulteren over gezagsbeslissingen met betrekking tot
[de minderjarige 2] en [de minderjarige 1], en te bepalen dat de ouders in overleg kleine beslissingen
nemen omtrent de persoonlijke verzorging, sport en vrije tijd, medische zorg,
muziekles en bijzondere gebeurtenissen, een en ander op straffe van verbeurte van
een dwangsom van € 100,- per keer dat de moeder zich hieraan niet houdt;
De proceskosten tussen partijen te compenseren;
een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.
Op 17 januari 2023 is de behandeling op de zitting voortgezet. Hierbij zijn verschenen:
- de vader met zijn advocaat;
- de moeder met haar advocaat;
- namens de Raad voor de Kinderbescherming (de Raad) [naam 1];
- namens Stichting Jeugdbescherming west Haaglanden (Jeugdbescherming)
[naam 2] en [naam 3].
Beoordeling
De rechtbank handhaaft al hetgeen bij genoemde beschikking is overwogen en beslist.
Stand van zaken
Op 11 augustus 2022 zijn [de minderjarige 2] en [de minderjarige 1] weer teruggeplaatst bij de moeder. De terugplaatsing liep echter niet goed. Zo waren de kinderen op hun eerste schooldag op
22 augustus 2022 niet verschenen. Gebleken is dat de moeder –zonder de toestemming van de vader– wilde verhuizen naar Gelderland en dat zij de kinderen daar naar een zeer Christelijke school wilde laten gaan. Bij Jeugdbescherming ontstonden zorgen over de opvoedomgeving en het (psychisch) welbevinden van de moeder. Er was sprake van een negatieve gedragsverandering bij de moeder sinds de kinderen bij haar waren teruggeplaatst. Daarnaast leek de moeder steeds minder bereid om samen te werken met de jeugdbeschermer: zij was onbereikbaar, zei afspraken af en in gesprekken was zij gesloten. De kinderrechter heeft op 7 september 2022 het spoedverzoek van de Raad voor machtiging uithuisplaatsing voor [de minderjarige 2] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder en voor [de minderjarige 1] bij de vader toegewezen, van 7 september 2022 tot 21 september 2022. Op
20 september 2022 heeft de kinderrechter vervolgens [de minderjarige 2] en [de minderjarige 1] van 20 september 2022 tot 20 september 2023 onder toezicht gesteld alsmede is [de minderjarige 2] gedurende dag en nacht uit huis geplaatst uiterlijk tot 21 november 2022 in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder ( [instelling] ), vervolgens in een voorziening voor pleegzorg en vervolgens bij de vader tot 21 maart 2023, en [de minderjarige 1] gedurende dag en nacht uit huis geplaatst bij de vader van 21 september 2022 tot 21 maart 2023. Na de plaatsing op [instelling] waren de zorgen over [de minderjarige 2] ’s gedrag steeds meer toegenomen. In de avond van
13 november 2022 is [de minderjarige 2] weggelopen van [instelling] naar het huis van de moeder. Zij wilde alleen nog maar bij de moeder zijn en weigerde om terug te gaan. Binnen de thuissituatie waren er niet direct zorgen om de acute veiligheid van [de minderjarige 2], waardoor er met veiligheidsafspraken en compenserende zorg vanuit de grootmoeder moederszijde en de hulpverlening geen reden was om [de minderjarige 2] terug te sturen. De moeder was op dit moment (nog) niet in staat om de opvoeding en verzorging van [de minderjarige 2] zelfstandig te dragen. Tijdens het netwerkberaad van 17 november 2022 zijn de vader, de moeder en de grootmoeder moederszijde daarom met een plan gekomen om [de minderjarige 2] te helpen. Het plan was dat [de minderjarige 2] met de grootmoeder moederszijde mee zal gaan naar Suriname, zodat zij tot rust kan komen en stabiliseren, en weer toe kan komen aan haar ontwikkeling. De moeder kan in de tussentijd aan zichzelf werken met behulp van passende hulpverlening. Indien het in het belang is van [de minderjarige 2] kan ze vervolgens weer naar Nederland komen. Dit heeft er uiteindelijk toe geleid dat de kinderrechter bij beschikking van 21 december 2022 de ondertoezichtstelling van [de minderjarige 2] heeft opgeheven. Op de zitting is gebleken dat [de minderjarige 2] op 12 januari 2023 naar Suriname is vertrokken.
Hoofdverblijfplaats [de minderjarige 1]
Uit het raadsrapport van 15 september 2022 volgt dat de Raad de rechtbank adviseert om de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige 1] voorlopig bij de vader te bepalen en de definitieve beslissing voor de duur van zes maanden aan te houden. Ter onderbouwing van dit advies heeft de Raad naar voren gebracht het belangrijk te vinden dat de moeder hulpverlening voor haar eigen problematiek gaat accepteren, zodat zij stabiliseert en emotioneel beschikbaar is voor de kinderen. De komende tijd zal de moeder hieraan moeten werken, zodat de resultaten kunnen worden meegenomen bij de definitieve beslissing over de hoofdverblijfplaats.
Op de zitting is het advies van de Raad met de ouders besproken, mede ook gelet op de ontwikkelingen in de afgelopen maanden.
Hoewel de verstandhouding en communicatie tussen de ouders iets beter lijkt te gaan, vindt Jeugdbescherming het op dit moment nog te vroeg om de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige 1] al definitief vast te stellen. Zowel bij de vader als de moeder zal nog extra opvoedondersteuning ingezet moeten worden. Jeugdbescherming wil tot maart 2023 (afloop machtiging uithuisplaatsing voor [de minderjarige 1]) observeren hoe de relatie tussen beide ouders verloopt en hoe het gaat met de opvoedsituatie bij de ouders. Desgevraagd heeft Jeugdbescherming aangegeven dat als deze zitting niet had plaatsgevonden zij een verzoek tot verlenging van de machtiging uithuisplaatsing bij de vader zou hebben ingediend.
De Raad heeft zich op zitting aangesloten bij het standpunt van Jeugdbescherming. Zij vinden het nog te vroeg om nu al een definitief standpunt over de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige 1] in te nemen.
De vader wenst duidelijkheid en acht het in het belang van [de minderjarige 1] dat de hoofdverblijfplaats nu definitief bij hem wordt bepaald. Volgens de vader gaat het goed met [de minderjarige 1] en met zijn gezondheid. Ook heeft [de minderjarige 1] nu twee keer per week omgang met zijn moeder. Verder heeft de moeder nog steeds geen duidelijkheid gegeven over haar medische situatie, terwijl dit – gelet op de zorgelijke ontwikkelingen van het afgelopen jaar – wel voor de hand zou liggen.
De moeder wenst ook duidelijkheid over de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige 1]. Zij handhaaft haar standpunt dat de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige 1] bij haar moet worden bepaald. Zij is op dit moment in gesprek met de hulpverleners en zij heeft zich aangemeld bij Ouderschap Blijft. Volgens de moeder heeft zij nu rust en hebben de hulpverleners geconstateerd dat ze dezelfde moeder is als voor het delirium. De moeder heeft nog wel steeds zorgen over de opvoeding en verzorging bij de vader. Verder wil de moeder de omgang met [de minderjarige 1] uitbreiden, het liefst ook met een overnachting.
De rechtbank zal –zoals op de zitting is besproken– de voorlopige hoofdverblijfplaats van [de minderjarige 1] bij de vader bepalen. De rechtbank overweegt daartoe dat het op dit moment nog te vroeg is om de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige 1] al definitief vast te stellen. In het kader van de ondertoezichtstelling zullen de gestelde doelen nog moeten worden behaald. Zo is op zitting gebleken dat de opvoedondersteuning bij de moeder nog zal moeten starten en dat de opvoedondersteuning bij de vader nog verder zal worden uitgebreid. Bovendien heeft Jeugdbescherming op zitting aangegeven de opvoedondersteuning bij beide ouders te willen monitoren. De rechtbank zal aansluiten bij de huidige feitelijke situatie, waarbij [de minderjarige 1] via een machtiging uithuisplaatsing bij de vader verblijft. Verder wordt de rechtbank in dit oordeel gesterkt doordat Jeugdbescherming op zitting heeft verklaard dat als deze zaak nu niet op zitting zou zijn behandeld, een verzoek tot verlenging van de machtiging uithuisplaatsing bij de vader zou zijn ingediend.
De rechtbank zal de definitieve beslissing ten aanzien van de hoofdverblijfplaats van [de minderjarige 1] aanhouden en daarmee ook een eventuele beslissing op het subsidiaire verzoek betreffende de zorgregeling ten aanzien van [de minderjarige 1], waarbij de volgende behandeling indien mogelijk zal samenvallen met het eventuele verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling in september 2023.
Informatie- en consultatieregeling
De vader heeft verzocht om de in het ouderschapsplan opgenomen informatie- en consultatieregeling ten aanzien van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] te concretiseren, op straffe van verbeurte van een dwangsom.
De rechtbank ziet aanleiding om de beslissing op dit verzoek eveneens aan te houden, omdat de kinderen op dit moment niet bij de moeder verblijven.
Proceskosten
Ook de beslissing over de verzochte proceskosten zal worden aangehouden, omdat er nog geen eindbeslissing zal worden genomen.
Beslissing
De rechtbank:
*
bepaalt dat de minderjarige [de minderjarige 1], geboren op [geboortedatum 1] 2017 te [geboorteplaats 1] de voorlopige hoofdverblijfplaats zal hebben bij de vader, en verklaart deze bepaling uitvoerbaar bij voorraad;
*
houdt de behandeling aan tot 1 september 2023 pro forma; uiterlijk op die datum dient de Stichting Jeugdbescherming west Haaglanden schriftelijk verslag te hebben uitgebracht over het verloop van de ondertoezichtstelling aan de rechtbank met kopie aan beide ouders en hun advocaten;
bepaalt dat de behandeling op de zitting op een nader te bepalen datum en tijdstip, maar gelijktijdig met een eventueel verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling zal worden voortgezet in aanwezigheid van de Stichting Jeugdbescherming west Haaglanden;
beveelt de griffier partijen tegen het tijdstip van de nadere behandeling op de zitting ieder via de eigen advocaat op te roepen;
houdt iedere verdere beslissing ten aanzien van de definitieve hoofdverblijfplaats van [de minderjarige 1], de zorgregeling ten aanzien van [de minderjarige 1], de informatie- en consultatieregeling voor [de minderjarige 2] en [de minderjarige 1] en de daaraan gekoppelde dwangsom en de proceskosten aan.
| Deze beschikking is gegeven door mr. A.M. van der Vliet, kinderrechter, bijgestaan door mr. M.G. Coopmans-Veraa als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 14 februari 2023. |
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.