Uitspraak · Bestuursrecht
Rechtbank Den Haag, 6 oktober 2023
ECLI:NL:RBDHA:2023:14904Zaaknummer 23/3225
- Instantie
- Rechtbank Den Haag
- Datum uitspraak
- 6 oktober 2023
- Publicatiedatum
- 20 oktober 2023
- Zaaknummer
- 23/3225
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Zittingsplaats
- Den Haag
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
Verweerder heeft de aanvraag voor een urgentieverklaring van eiser terecht afgewezen; voldoende aannemelijk dat eiser binnen zes maanden zelf kan voorzien in huisvesting; geen geslaagd beroep op hardheidsclausule; beroep ongegrond.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.P. Kleijn, rechter, in aanwezigheid van mr. J.F. Janmaat, griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 6 oktober 2023.
| griffier | rechter |
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 23/3225
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 6 oktober 2023 in de zaak tussen
[eiser], uit [woonplaats], eiser
(gemachtigde: mr. M. Baadoudi),
en
Dagelijks Bestuur van Holland Rijnland, verweerder
(gemachtigde: K.M. van Klaveren).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn aanvraag voor een urgentieverklaring.
Bij besluit van 17 januari 2023 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag voor een urgentieverklaring van eiser afgewezen. Verweerder heeft het daartegen gerichte bezwaar van eiser ongegrond verklaard bij besluit van 3 mei 2023 (het bestreden besluit).
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
De zitting was op 20 september 2023 met behulp van een beeldverbinding. Eiser en zijn gemachtigde waren aanwezig. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Beoordeling door de rechtbank
Wat heeft verweerder besloten?
2. Verweerder heeft de aanvraag voor een urgentieverklaring voor een sociale huurwoning van eiser afgewezen, omdat eiser volgens verweerder in staat is binnen zes maanden zelf te voorzien in huisvesting.[_ad575d67-a29e-43ee-b359-75da39cb0269]
Wat vindt eiser in beroep?
3. Eiser stelt dat hij gebonden is aan de gemeente Leiden en daar de wachttijd voor een nieuwe woning langer is dan in de randgemeenten. Daarnaast heeft verweerder onvoldoende onderkend dat stabiele en betaalbare huisvesting noodzakelijk is voor eiser om de kans op een terugval in drugsgebruik te verkleinen, zijn schulden te saneren en regelmatige omgang met zijn minderjarige kinderen te hebben.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
4. Bij de beoordeling stelt de rechtbank voorop dat verweerder bij zijn bevoegdheid tot het toekennen van een urgentieverklaring beoordelings- en beleidsvrijheid toekomt. De rechtbank moet het bestreden besluit daarom terughoudend toetsen. De hoogste bestuursrechter heeft geoordeeld dat het restrictieve beleid van verweerder met betrekking tot urgentieverklaringen niet onredelijk is, gelet op het grote aantal aanvragen voor een urgentieverklaring en het in verhouding daarmee geringe aantal woningen dat beschikbaar is.[_1c402a6c-d891-48eb-87e2-5b40b30246e7]
Heeft verweerder de aanvraag terecht afgewezen?
5. De rechtbank is van oordeel dat verweerder de aanvraag van eiser terecht heeft afgewezen. Verweerder heeft inzichtelijk gemaakt dat eiser een inschrijftijd heeft sinds 4 oktober 2017 en dat er voorafgaand aan het bestreden besluit in ieder geval twee woningen verhuurd zijn aan mensen met een kortere inschrijvingsduur dan eiser. Daarmee heeft verweerder voldoende aannemelijk gemaakt dat eiser binnen zes maanden zelf kan voorzien in huisvesting.[_0c0fd6b0-7890-47e6-b2db-05e608cf8b51] Verweerder mocht hierbij voorbij gaan aan de door eiser gestelde gebondenheid aan de gemeente Leiden, omdat van een woningzoekende mag worden verlangd dat hij naar een andere gemeente in de regio verhuist indien daar een passende woning beschikbaar is.
Had verweerder de hardheidsclausule toe moeten passen?
6. De rechtbank volgt verweerder in zijn betoog dat de door eiser genoemde omstandigheden niet leiden tot onbillijkheden van overwegende aard waardoor verweerder gehouden was om, in afwijking van het beleid, alsnog een urgentieverklaring aan eiser te verstrekken. Dat stabiele en betaalbare huisvesting de kans op een terugval in drugsgebruik voor eiser zou verkleinen en hem zou ondersteunen bij het saneren van zijn schulden, is hiervoor niet voldoende. Verder heeft verweerder het belang van eiser om regelmatige omgang met zijn kinderen te hebben voldoende meegewogen. De rechtbank betrekt daarbij dat het recht op familie- en gezinsleven van artikel 8 van het EVRM geen recht op woonruimte inhoudt.[_8cf7f626-5fc6-4767-b8f1-4c5f8d1b68e0]
Conclusie
7. Het beroep is ongegrond. Verweerder hoeft de kosten die eiser heeft gemaakt voor deze procedure niet te vergoeden.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.P. Kleijn, rechter, in aanwezigheid van mr. J.F. Janmaat, griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 6 oktober 2023.
| griffier | rechter |
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Wetsartikelen in deze uitspraak
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.