Uitspraak · Vreemdelingenrecht

Rechtbank Den Haag, 28 oktober 2022

ECLI:NL:RBDHA:2022:11418Zaaknummer NL22.18014

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
28 oktober 2022
Publicatiedatum
3 november 2022
Zaaknummer
NL22.18014
Rechtsgebied
Bestuursrecht, Vreemdelingenrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats
Middelburg
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Dublin Italië.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Overwegingen

1. Niet in geschil is dat Italië verantwoordelijk is voor de behandeling van eisers verzoek om internationale bescherming. In geschil is of verweerder de verantwoordelijkheid voor de behandeling van eisers asielaanvraag aan zich had moeten trekken.

2. Als uitgangspunt geldt dat verweerder op grond van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ervan uit mag gaan dat Italië zijn verdragsverplichtingen zal nakomen.[_42d19638-c186-42b3-9a85-96fa7fe5054e] Het is aan eiser om aannemelijk te maken dat dit niet (langer) het geval is. Eiser is hier niet in geslaagd. Gelet op het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie in de zaak [naam3][_4f79ef4e-9c88-4c91-be0d-4407b1240b27], ligt de lat hiervoor hoog.

3. Uit de door eiser overgelegde rapporten van Amnesty International[_26a5ad5e-5da5-4e35-83be-4d8eb7f25e80], SFH/OSAR[_40119caf-ede7-45ec-b982-0453adbf9a0c] en AIDA[_5b96244b-fd4b-492a-b11a-e311709c092d] is niet gebleken dat de problemen in Italië zodanig structureel en ernstig zijn, dat bij overdracht aan Italië op voorhand sprake is van een reëel risico op schending van artikel 4 van het Handvest[_31ce732d-7a5a-447c-bca3-f554a23adc0e] of artikel 3 van het EVRM.[_b9dffe0c-8d4c-4b4b-9179-f46051ab874f] Verweerder stelt terecht dat eiser niet uit persoonlijke ervaringen kan putten over de opvangvoorzieningen in Italië, nu eiser nooit een asielaanvraag heeft ingediend in Italië. Daarbij stelt verweerder terecht dat eiser bij voorkomende problemen dient te klagen bij de Italiaanse autoriteiten. Niet is gebleken dat deze eiser niet willen of kunnen helpen.

4. Verder heeft eiser nagelaten om uiteen te zetten welke feiten en omstandigheden zo bijzonder zijn dat overdracht zou leiden tot kennelijke hardheid. Verweerder heeft daarom in redelijkheid geen toepassing hoeven geven aan zijn discretionaire bevoegdheid om toepassing te geven aan artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening.[_a09fabd7-302c-4e7c-9c4d-02b58b56cccb]

5. Het beroep is ongegrond.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 28 oktober 2022 door mr. B.F.Th. de Roos, rechter, in aanwezigheid van mr. A.J.J. Sterks, griffier, openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

Dit proces-verbaal is bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking van dit proces-verbaal.

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. [naam], eiser
  2. Procesverloop
  3. Beslissing
  4. Overwegingen

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

zaaknummer: NL22.18014

proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam], eiser

v-nummer: [nummer]

(gemachtigde: mr. J.M. Walls),

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. H.J. Metselaar).

Procesverloop

Bij besluit van 9 september 2022 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag van eiser niet in behandeling genomen op de grond dat Italië verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.[_b9ae50ea-52a8-48bf-baa0-ee84e1d38bdd]

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

De rechtbank heeft het beroep op 28 oktober 2022 op zitting behandeld in Breda. Eiser en zijn gemachtigde zijn, met voorafgaand bericht, niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Na afloop van de behandeling van de zaak ter zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Overwegingen

1. Niet in geschil is dat Italië verantwoordelijk is voor de behandeling van eisers verzoek om internationale bescherming. In geschil is of verweerder de verantwoordelijkheid voor de behandeling van eisers asielaanvraag aan zich had moeten trekken.

2. Als uitgangspunt geldt dat verweerder op grond van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ervan uit mag gaan dat Italië zijn verdragsverplichtingen zal nakomen.[_42d19638-c186-42b3-9a85-96fa7fe5054e] Het is aan eiser om aannemelijk te maken dat dit niet (langer) het geval is. Eiser is hier niet in geslaagd. Gelet op het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie in de zaak [naam3][_4f79ef4e-9c88-4c91-be0d-4407b1240b27], ligt de lat hiervoor hoog.

3. Uit de door eiser overgelegde rapporten van Amnesty International[_26a5ad5e-5da5-4e35-83be-4d8eb7f25e80], SFH/OSAR[_40119caf-ede7-45ec-b982-0453adbf9a0c] en AIDA[_5b96244b-fd4b-492a-b11a-e311709c092d] is niet gebleken dat de problemen in Italië zodanig structureel en ernstig zijn, dat bij overdracht aan Italië op voorhand sprake is van een reëel risico op schending van artikel 4 van het Handvest[_31ce732d-7a5a-447c-bca3-f554a23adc0e] of artikel 3 van het EVRM.[_b9dffe0c-8d4c-4b4b-9179-f46051ab874f] Verweerder stelt terecht dat eiser niet uit persoonlijke ervaringen kan putten over de opvangvoorzieningen in Italië, nu eiser nooit een asielaanvraag heeft ingediend in Italië. Daarbij stelt verweerder terecht dat eiser bij voorkomende problemen dient te klagen bij de Italiaanse autoriteiten. Niet is gebleken dat deze eiser niet willen of kunnen helpen.

4. Verder heeft eiser nagelaten om uiteen te zetten welke feiten en omstandigheden zo bijzonder zijn dat overdracht zou leiden tot kennelijke hardheid. Verweerder heeft daarom in redelijkheid geen toepassing hoeven geven aan zijn discretionaire bevoegdheid om toepassing te geven aan artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening.[_a09fabd7-302c-4e7c-9c4d-02b58b56cccb]

5. Het beroep is ongegrond.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 28 oktober 2022 door mr. B.F.Th. de Roos, rechter, in aanwezigheid van mr. A.J.J. Sterks, griffier, openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

Dit proces-verbaal is bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking van dit proces-verbaal.

Wetsartikelen in deze uitspraak

Samenhangende uitspraken

Aangehaald in

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.