Uitspraak · Vreemdelingenrecht

Rechtbank Den Haag, 28 oktober 2022

ECLI:NL:RBDHA:2022:11416Zaaknummer NL22.10488

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
28 oktober 2022
Publicatiedatum
3 november 2022
Zaaknummer
NL22.10488
Rechtsgebied
Bestuursrecht, Vreemdelingenrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats
Middelburg
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Verzoek opheffing ongewenstverklaring afgewezen. Niet met stukken onderbouwd dat is voldaan aan de voorwaarden.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Overwegingen

1. Eiser is bij besluit van 13 juli 2012 ongewenst verklaard. Eiser stelt dat deze ongewenstverklaring niet deugt, omdat daarin niet goed is getoetst aan het unierechtelijk openbare ordecriterium. Die ongewenstverklaring staat echter in rechte vast.[_16cc93e5-932b-4cfd-b091-022d9c9c9f09] Bovendien is bij die ongewenstverklaring wel degelijk getoetst aan het unierechtelijk openbare ordecriterium. De door eiser in beroep aangehaalde uitspraak[_2d76b5d7-c20b-433e-b3a1-11c949cc318e] van deze rechtbank, zittingsplaats Rotterdam, gaat dan ook niet op. Die uitspraak gaat over een derdelander bij wie niet was getoetst aan het unierechtelijk openbare ordecriterium.

2. Het betoog van eiser dat verweerder bij dit verzoek om opheffing opnieuw had moeten toetsen aan het unierechtelijk openbare ordecriterium, volgt de rechtbank niet. Artikel 32, eerste lid, van de Verblijfsrichtlijn[_a81f58f4-5bb1-411a-ae95-186d1d5d0e95] bepaalt welke voorwaarden moeten worden gesteld aan een verzoek tot opheffing.[_4a1d958d-6224-4204-bec6-b4903fc80bde] Verweerder dient de volgende voorwaarden te toetsen:

  • Heeft eiser aannemelijk gemaakt dat hij ten minste drie jaar verwijderd is geweest van het grondgebied voordat hij zijn verzoek tot opheffing heeft ingediend?
  • Is er een wijziging in materiële zin opgetreden in de omstandigheden die tot de ongewenstverklaring hebben geleid?

Verweerder heeft zowel in het primaire als in het bestreden besluit terecht opgemerkt dat eiser zijn verzoek tot opheffing niet heeft onderbouwd met stukken waaruit blijkt dat aan deze voorwaarden is voldaan. Eiser heeft dit ook niet bestreden. Om die reden heeft verweerder terecht het verzoek om opheffing afgewezen.

3. Het beroep is ongegrond.

4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 28 oktober 2022 door mr. B.F.Th. de Roos, rechter, in aanwezigheid van mr. A.J.J. Sterks, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

Dit proces-verbaal is bekendgemaakt op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 4 weken na de dag waarop dit proces-verbaal in het digitale dossier is opgenomen. U ziet deze datum hierboven.

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. [naam], eiser
  2. Procesverloop
  3. Beslissing
  4. Overwegingen

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

zaaknummer: NL22.10488

proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam], eiser

v-nummer: [nummer]

(gemachtigde: mr. S.C. van Paridon),

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. H.J. Metselaar).

Procesverloop

In het besluit van 21 oktober 2021 (primaire besluit) heeft verweerder het verzoek van eiser tot het opheffen van de ongewenstverklaring afgewezen.

In het besluit van 6 mei 2022 (bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar hiertegen ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

De rechtbank heeft het beroep op 28 oktober 2022 op zitting behandeld in Breda. Eiser en zijn gemachtigde zijn, met voorafgaand bericht, niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Overwegingen

1. Eiser is bij besluit van 13 juli 2012 ongewenst verklaard. Eiser stelt dat deze ongewenstverklaring niet deugt, omdat daarin niet goed is getoetst aan het unierechtelijk openbare ordecriterium. Die ongewenstverklaring staat echter in rechte vast.[_16cc93e5-932b-4cfd-b091-022d9c9c9f09] Bovendien is bij die ongewenstverklaring wel degelijk getoetst aan het unierechtelijk openbare ordecriterium. De door eiser in beroep aangehaalde uitspraak[_2d76b5d7-c20b-433e-b3a1-11c949cc318e] van deze rechtbank, zittingsplaats Rotterdam, gaat dan ook niet op. Die uitspraak gaat over een derdelander bij wie niet was getoetst aan het unierechtelijk openbare ordecriterium.

2. Het betoog van eiser dat verweerder bij dit verzoek om opheffing opnieuw had moeten toetsen aan het unierechtelijk openbare ordecriterium, volgt de rechtbank niet. Artikel 32, eerste lid, van de Verblijfsrichtlijn[_a81f58f4-5bb1-411a-ae95-186d1d5d0e95] bepaalt welke voorwaarden moeten worden gesteld aan een verzoek tot opheffing.[_4a1d958d-6224-4204-bec6-b4903fc80bde] Verweerder dient de volgende voorwaarden te toetsen:

  • Heeft eiser aannemelijk gemaakt dat hij ten minste drie jaar verwijderd is geweest van het grondgebied voordat hij zijn verzoek tot opheffing heeft ingediend?
  • Is er een wijziging in materiële zin opgetreden in de omstandigheden die tot de ongewenstverklaring hebben geleid?

Verweerder heeft zowel in het primaire als in het bestreden besluit terecht opgemerkt dat eiser zijn verzoek tot opheffing niet heeft onderbouwd met stukken waaruit blijkt dat aan deze voorwaarden is voldaan. Eiser heeft dit ook niet bestreden. Om die reden heeft verweerder terecht het verzoek om opheffing afgewezen.

3. Het beroep is ongegrond.

4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 28 oktober 2022 door mr. B.F.Th. de Roos, rechter, in aanwezigheid van mr. A.J.J. Sterks, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

Dit proces-verbaal is bekendgemaakt op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 4 weken na de dag waarop dit proces-verbaal in het digitale dossier is opgenomen. U ziet deze datum hierboven.

Samenhangende uitspraken

Aangehaald in

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.