Uitspraak · Belastingrecht
Rechtbank Den Haag, 8 februari 2021
ECLI:NL:RBDHA:2021:1605Zaaknummer AWB - 19 _ 4915
- Instantie
- Rechtbank Den Haag
- Datum uitspraak
- 8 februari 2021
- Publicatiedatum
- 22 oktober 2026
- Zaaknummer
- AWB - 19 _ 4915
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht, Belastingrecht
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudig, Mondelinge uitspraak
- Zittingsplaats
- Den Haag
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
Invordering, het beroep tegen de toegepaste verrekening van een dwangsom met een op een aanslag IB/PVV verschuldigd bedrag en de daarbij in rekening gebrachte invorderingsrente is ongegrond.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Overwegingen
1. Eiser heeft een verzoek om vrijstelling van griffierecht gedaan in verband met betalingsonmacht. De griffier heeft eiser bij brief van 3 februari 2020 laten weten dat naar zijn voorlopig oordeel kan worden afgezien van het heffen van griffierecht. De rechtbank stemt in met dit voorlopig oordeel.
2. Eiser heeft met dagtekening 6 april 2019 een bezwaarschrift ingediend waarin hij bezwaar maakt tegen de verrekening van een aan hem verschuldigd geworden dwangsom van € 1.262 met een openstaand bedrag op een aan hem opgelegde belastingaanslag over het jaar 2017 (de verrekening). Het bezwaarschrift is ook gericht tegen de bij de verrekening in rekening gebrachte invorderingsrente.
3. Op 30 juli 2019 heeft eiser beroep ingesteld tegen het door verweerder niet tijdig nemen van een beslissing op zijn bezwaarschrift.
4. Blijkens de gedingstukken heeft verweerder hangende beroep op 9 oktober 2019, bij separate uitspraken op bezwaar, uitspraak gedaan op de bezwaren van eiser tegen enerzijds de verrekening en anderzijds de in rekening gebrachte invorderingsrente. Het bezwaar tegen de verrekening is daarbij niet-ontvankelijk verklaard, het bezwaar tegen de invorderingsrente ongegrond. Van deze uitspraken op bezwaar behoort een afschrift tot de gedingstukken. Nu er enerzijds van mag worden uitgegaan dat verweerder de uitspraken op bezwaar destijds in ieder geval aan eiser heeft verzonden en anderzijds eiser van de rechtbank een afschrift heeft gekregen van alle door verweerder ingediende stukken - waaronder afschriften van de bewuste uitspraken op bezwaar - houdt de rechtbank het ervoor dat eiser ook op de hoogte is van de (inhoud van de) uitspraken op bezwaar. De rechtbank acht het beroep van eiser met toepassing van artikel 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht mede gericht tegen deze uitspraken.
5. In geschil is of eiser recht heeft op een dwangsom. De rechtbank beantwoordt deze vraag ontkennend en overweegt daartoe het volgende.
6. Tegen het besluit van de ontvanger om een aan eiser verschuldigd geworden dwangsom te verrekenen met openstaande belastingschulden kan, ongeacht of die belastingschulden onherroepelijk vaststaan of dat daarvoor recht op uitstel van betaling bestaat, geen bezwaar worden gemaakt. De Invorderingswet sluit de mogelijkheid tot het indienen van bezwaar op grond van de Algemene wet bestuursrecht tegen een dergelijke verrekeningsbeslissing uit. Dit betekent dat verweerder het daartegen gerichte bezwaar van eiser terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard en ook dat de dwangsomregeling hierop niet van toepassing is. Het beroep is, voor zover het betrekking heeft op de uitspraak op bezwaar betreffende de verrekening, dan ook ongegrond en verweerder is uit dien hoofde geen dwangsom verschuldigd.
7. Met betrekking tot (de uitspraak op) het bezwaar tegen de invorderingsrente geldt het volgende. Uit de gedingstukken leidt de rechtbank af dat eiser in verband met dit bezwaar op 17 juni 2019 aan verweerder een ingebrekestelling heeft verzonden, welke verweerder op 18 juni 2019 heeft ontvangen. De rechtbank heeft in het dossier geen stukken aangetroffen die de conclusie rechtvaardigen dat in dit verband een andere - latere - ingebrekestelling is verzonden. De rechtbank volgt eiser dan ook niet in zijn stelling dat dat wel is gebeurd. Daarbij overweegt de rechtbank dat de brief van 18 juli 2019 (bijlage 29 bij het verweerschrift) waarnaar eiser in dit verband verwijst niet kan worden aangemerkt als een ingebrekestelling voor het bezwaarschrift tegen de invorderingsrente. De tekst van die brief biedt daarvoor geen enkel aanknopingspunt; die rechtvaardigt in feite geen andere conclusie dan dat het daarin enkel gaat om (het bezwaar tegen) de definitieve aanslag IB/PVV 2017. Een ander stuk dat als ingebrekestelling voor het bezwaarschrift tegen de invorderingsrente kan worden aangemerkt, heeft de rechtbank niet aangetroffen. Nu de beschikking invorderingsrente is gedagtekend 2 april 2019, liep de bezwaartermijn daarvoor af op 14 mei 2019. Dat betekent dat de beslistermijn eindigde op 25 juni 2019 (zie artikel 7:10 van de Algemene wet bestuursrecht). Nu het ervoor moet worden gehouden dat de ingebrekestelling reeds op 17 juni 2019 is verzonden (en op 18 juni is ontvangen), is sprake van een premature ingebrekestelling. Verweerder is derhalve ook in zoverre geen dwangsom verschuldigd.
8. Verder geldt met betrekking tot de invorderingsrente dat deze, naar verweerder onweersproken heeft aangevoerd, met inachtneming van de wettelijke bepalingen is berekend en vastgesteld. Eiser heeft daartegen noch in bezwaar, noch in beroep concrete gronden aangevoerd. De onjuistheid daarvan is de rechtbank ook overigens niet gebleken. Daarvan uitgaande is het bezwaar tegen de invorderingsrente terecht ongegrond verklaard. Het beroep is daarom ook in zoverre ongegrond.
De rechtbank merkt hierbij nog op dat verweerder in dit verband terecht nog het (subsidiaire) standpunt heeft ingenomen dat, nu de invorderingsrente direct voortvloeit uit een wettelijk voorschrift en ook conform dat wettelijk voorschrift is berekend en vastgesteld, het daartegen gerichte bezwaar van eiser kennelijk ongegrond was, zodat ook om die reden voor dit bezwaar geen dwangsom zou zijn verschuldigd.
9. Gelet op wat hiervoor is overwogen, is het beroep ongegrond verklaard.
10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.E. Schotte, rechter, in aanwezigheid van
mr. A.J. Kwestro, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 8 februari 2021.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na verzending hoger beroep instellen bij het gerechtshof Den Haag (team belastingrecht), Postbus 20302,
2500 EH Den Haag.
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
Rechtbank DEN HAAG
Team belastingrecht
zaaknummer: SGR 19/4915
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van
8 februari 2021 in de zaak tussen
drs. [eiser], wonende te [woonplaats], eiser,
en
de ontvanger van de Belastingdienst, verweerder.
De bestreden uitspraken op bezwaar
De uitspraken van verweerder van 9 oktober 2019 op het bezwaar van eiser tegen de door verweerder toegepaste verrekening van een bedrag van € 1.262 met een op een aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen 2017 verschuldigd bedrag en de daarbij aan eiser in rekening gebrachte invorderingsrente van € 11.
Zitting
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 januari 2021.
Eiser is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door [medewerker belastingdienst 1] en [medewerker belastingdienst 2].
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Overwegingen
1. Eiser heeft een verzoek om vrijstelling van griffierecht gedaan in verband met betalingsonmacht. De griffier heeft eiser bij brief van 3 februari 2020 laten weten dat naar zijn voorlopig oordeel kan worden afgezien van het heffen van griffierecht. De rechtbank stemt in met dit voorlopig oordeel.
2. Eiser heeft met dagtekening 6 april 2019 een bezwaarschrift ingediend waarin hij bezwaar maakt tegen de verrekening van een aan hem verschuldigd geworden dwangsom van € 1.262 met een openstaand bedrag op een aan hem opgelegde belastingaanslag over het jaar 2017 (de verrekening). Het bezwaarschrift is ook gericht tegen de bij de verrekening in rekening gebrachte invorderingsrente.
3. Op 30 juli 2019 heeft eiser beroep ingesteld tegen het door verweerder niet tijdig nemen van een beslissing op zijn bezwaarschrift.
4. Blijkens de gedingstukken heeft verweerder hangende beroep op 9 oktober 2019, bij separate uitspraken op bezwaar, uitspraak gedaan op de bezwaren van eiser tegen enerzijds de verrekening en anderzijds de in rekening gebrachte invorderingsrente. Het bezwaar tegen de verrekening is daarbij niet-ontvankelijk verklaard, het bezwaar tegen de invorderingsrente ongegrond. Van deze uitspraken op bezwaar behoort een afschrift tot de gedingstukken. Nu er enerzijds van mag worden uitgegaan dat verweerder de uitspraken op bezwaar destijds in ieder geval aan eiser heeft verzonden en anderzijds eiser van de rechtbank een afschrift heeft gekregen van alle door verweerder ingediende stukken - waaronder afschriften van de bewuste uitspraken op bezwaar - houdt de rechtbank het ervoor dat eiser ook op de hoogte is van de (inhoud van de) uitspraken op bezwaar. De rechtbank acht het beroep van eiser met toepassing van artikel 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht mede gericht tegen deze uitspraken.
5. In geschil is of eiser recht heeft op een dwangsom. De rechtbank beantwoordt deze vraag ontkennend en overweegt daartoe het volgende.
6. Tegen het besluit van de ontvanger om een aan eiser verschuldigd geworden dwangsom te verrekenen met openstaande belastingschulden kan, ongeacht of die belastingschulden onherroepelijk vaststaan of dat daarvoor recht op uitstel van betaling bestaat, geen bezwaar worden gemaakt. De Invorderingswet sluit de mogelijkheid tot het indienen van bezwaar op grond van de Algemene wet bestuursrecht tegen een dergelijke verrekeningsbeslissing uit. Dit betekent dat verweerder het daartegen gerichte bezwaar van eiser terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard en ook dat de dwangsomregeling hierop niet van toepassing is. Het beroep is, voor zover het betrekking heeft op de uitspraak op bezwaar betreffende de verrekening, dan ook ongegrond en verweerder is uit dien hoofde geen dwangsom verschuldigd.
7. Met betrekking tot (de uitspraak op) het bezwaar tegen de invorderingsrente geldt het volgende. Uit de gedingstukken leidt de rechtbank af dat eiser in verband met dit bezwaar op 17 juni 2019 aan verweerder een ingebrekestelling heeft verzonden, welke verweerder op 18 juni 2019 heeft ontvangen. De rechtbank heeft in het dossier geen stukken aangetroffen die de conclusie rechtvaardigen dat in dit verband een andere - latere - ingebrekestelling is verzonden. De rechtbank volgt eiser dan ook niet in zijn stelling dat dat wel is gebeurd. Daarbij overweegt de rechtbank dat de brief van 18 juli 2019 (bijlage 29 bij het verweerschrift) waarnaar eiser in dit verband verwijst niet kan worden aangemerkt als een ingebrekestelling voor het bezwaarschrift tegen de invorderingsrente. De tekst van die brief biedt daarvoor geen enkel aanknopingspunt; die rechtvaardigt in feite geen andere conclusie dan dat het daarin enkel gaat om (het bezwaar tegen) de definitieve aanslag IB/PVV 2017. Een ander stuk dat als ingebrekestelling voor het bezwaarschrift tegen de invorderingsrente kan worden aangemerkt, heeft de rechtbank niet aangetroffen. Nu de beschikking invorderingsrente is gedagtekend 2 april 2019, liep de bezwaartermijn daarvoor af op 14 mei 2019. Dat betekent dat de beslistermijn eindigde op 25 juni 2019 (zie artikel 7:10 van de Algemene wet bestuursrecht). Nu het ervoor moet worden gehouden dat de ingebrekestelling reeds op 17 juni 2019 is verzonden (en op 18 juni is ontvangen), is sprake van een premature ingebrekestelling. Verweerder is derhalve ook in zoverre geen dwangsom verschuldigd.
8. Verder geldt met betrekking tot de invorderingsrente dat deze, naar verweerder onweersproken heeft aangevoerd, met inachtneming van de wettelijke bepalingen is berekend en vastgesteld. Eiser heeft daartegen noch in bezwaar, noch in beroep concrete gronden aangevoerd. De onjuistheid daarvan is de rechtbank ook overigens niet gebleken. Daarvan uitgaande is het bezwaar tegen de invorderingsrente terecht ongegrond verklaard. Het beroep is daarom ook in zoverre ongegrond.
De rechtbank merkt hierbij nog op dat verweerder in dit verband terecht nog het (subsidiaire) standpunt heeft ingenomen dat, nu de invorderingsrente direct voortvloeit uit een wettelijk voorschrift en ook conform dat wettelijk voorschrift is berekend en vastgesteld, het daartegen gerichte bezwaar van eiser kennelijk ongegrond was, zodat ook om die reden voor dit bezwaar geen dwangsom zou zijn verschuldigd.
9. Gelet op wat hiervoor is overwogen, is het beroep ongegrond verklaard.
10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.E. Schotte, rechter, in aanwezigheid van
mr. A.J. Kwestro, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 8 februari 2021.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na verzending hoger beroep instellen bij het gerechtshof Den Haag (team belastingrecht), Postbus 20302,
2500 EH Den Haag.
Wetsartikelen in deze uitspraak
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.