Uitspraak · Bestuursrecht
Rechtbank Den Haag, 14 januari 2021
ECLI:NL:RBDHA:2021:16023Zaaknummer AWB - 20 _ 8238
- Instantie
- Rechtbank Den Haag
- Datum uitspraak
- 14 januari 2021
- Publicatiedatum
- 4 april 2022
- Zaaknummer
- AWB - 20 _ 8238
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht
- Procedure
- Voorlopige voorziening
- Zittingsplaats
- Den Haag
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
mondelinge uitspraak; verzoek om een voorlopige voorziening afgewezen wegens ontbreken spoedeisend belang
Beslissing
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Overwegingen
1. De voorzieningenrechter geeft hiervoor de volgende motivering.
2. De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) alleen een voorlopige voorziening als "onverwijlde spoed" dat vereist. De aard van een verzoek om een voorlopige voorziening veronderstelt een actueel spoedeisend belang.
3. De voorzieningenrechter is van oordeel dat verzoeker op dit moment geen spoedeisend belang heeft bij de gevraagde voorziening en van hem verwacht kan worden dat hij het besluit op zijn bezwaarschrift afwacht. De voorzieningenrechter overweegt hiertoe dat het betalen van de kosten van de LEMA geen problemen oplevert, zoals verzoeker ter zitting heeft gezegd. Als in bezwaar blijkt dat de verplichting om deel te nemen aan de LEMA onterecht is opgelegd, zal verweerder het daarvoor betaalde bedrag aan verzoeker terugbetalen. Daarnaast laat de cursus op zich wachten. Vanwege de getroffen maatregelen tegen het coronavirus gaan de cursussen niet door. De verwachting is dat op verzoekers bezwaar is beslist voordat hij wordt opgeroepen voor de cursus, te meer daar ter zitting is gebleken dat verweerder binnen twee weken nadat verzoeker zijn verhinderdata heeft doorgegeven een hoorzitting zal houden.
4. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af.
5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.J.P. Bosman, rechter, in aanwezigheid van Y.E. de Loos, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 14 januari 2021.
griffier voorzieningenrechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan geen hoger beroep worden ingesteld.
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
Rechtbank DEN Haag
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 20/8238
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de voorzieningenrechter van
14 januari 2021 op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen
[verzoeker] , te [woonplaats] , verzoeker
(gemachtigden: mr. R.R. Raghoebir en mr. P. Geervliet),
tegen
de algemeen directeur van het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen, verweerder
(gemachtigde: mr. J.J. Kwant).
Procesverloop
Bij besluit van 8 januari 2016 (bestreden besluit) heeft verweerder aan verzoeker een Lichte Educatieve Maatregel Alcohol en verkeer (hierna: LEMA) opgelegd.
Bij brief van 15 december 2020 heeft verweerder dit besluit opnieuw aan verzoeker verzonden.
Verzoeker heeft tegen het bestreden besluit bezwaar gemaakt. Hij heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden via een Skypeverbinding op 14 januari 2021. Daaraan hebben verzoeker en zijn gemachtigden en de gemachtigde van verweerder deelgenomen.
Na afloop van de zitting heeft de voorzieningenrechter onmiddellijk uitspraak gedaan.
Beslissing
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Overwegingen
1. De voorzieningenrechter geeft hiervoor de volgende motivering.
2. De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) alleen een voorlopige voorziening als "onverwijlde spoed" dat vereist. De aard van een verzoek om een voorlopige voorziening veronderstelt een actueel spoedeisend belang.
3. De voorzieningenrechter is van oordeel dat verzoeker op dit moment geen spoedeisend belang heeft bij de gevraagde voorziening en van hem verwacht kan worden dat hij het besluit op zijn bezwaarschrift afwacht. De voorzieningenrechter overweegt hiertoe dat het betalen van de kosten van de LEMA geen problemen oplevert, zoals verzoeker ter zitting heeft gezegd. Als in bezwaar blijkt dat de verplichting om deel te nemen aan de LEMA onterecht is opgelegd, zal verweerder het daarvoor betaalde bedrag aan verzoeker terugbetalen. Daarnaast laat de cursus op zich wachten. Vanwege de getroffen maatregelen tegen het coronavirus gaan de cursussen niet door. De verwachting is dat op verzoekers bezwaar is beslist voordat hij wordt opgeroepen voor de cursus, te meer daar ter zitting is gebleken dat verweerder binnen twee weken nadat verzoeker zijn verhinderdata heeft doorgegeven een hoorzitting zal houden.
4. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af.
5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.J.P. Bosman, rechter, in aanwezigheid van Y.E. de Loos, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 14 januari 2021.
griffier voorzieningenrechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan geen hoger beroep worden ingesteld.
Wetsartikelen in deze uitspraak
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.