Uitspraak · Belastingrecht
Rechtbank Den Haag, 28 oktober 2021
ECLI:NL:RBDHA:2021:11946Zaaknummer AWB - 20 _ 7211
- Instantie
- Rechtbank Den Haag
- Datum uitspraak
- 28 oktober 2021
- Publicatiedatum
- 7 februari 2022
- Zaaknummer
- AWB - 20 _ 7211
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht, Belastingrecht
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Zittingsplaats
- Den Haag
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
‘Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat hij tijdig om uitstel van betaling heeft verzocht. De dwangbevelkosten zijn terecht in rekening gebracht.’
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Overwegingen
1. Aan eiser is, wegens uitblijven van betaling van de naheffingsaanslag motorrijtuigenbelasting met aanslagnummer [aanslagnummer], met dagtekening
16 april 2020 een dwangbevel betekend. Bij het dwangbevel zijn betekeningskosten ter hoogte van € 55 in rekening gebracht.
2. Eiser heeft met dagtekening 19 mei 2020 een bezwaarschrift ingediend tegen het voornoemde dwangbevel. Verweerder heeft dit opgevat als een bezwaar tegen de kosten van het dwangbevel. Eiser is in de bezwaarprocedure op 8 september 2020 gehoord. Verweerder heeft op 7 oktober 2020 uitspraak op bezwaar gedaan.
3. In geschil is of verweerder de dwangbevelkosten terecht in rekening heeft gebracht.
4. Eiser voert aan dat hij om een betalingsregeling had verzocht in de fase voorafgaand aan de betekening van het dwangbevel, maar dat hij hier geen antwoord op heeft gekregen. Hij stelt dat hij een verzoek heeft afgegeven bij de balie van de Belastingdienst en een kopie met ontvangststempel in zijn bezit heeft. Hij heeft dit stuk echter– ondanks een verzoek hiertoe van verweerder – niet overgelegd. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat hij tijdig om uitstel van betaling heeft verzocht. De enkele stelling dat eiser dat heeft gedaan is onvoldoende. Omdat eiser ondanks een aanmaning de naheffingsaanslag niet heeft betaald, zijn de dwangbevelkosten terecht in rekening gebracht.
5. Alles wat eiser verder heeft aangevoerd met betrekking tot de beslaglegging op zijn taxi’s betreft een civiele zaak en kan in deze procedure niet aan de orde komen.
6. Gelet op wat hiervoor is overwogen is het beroep ongegrond verklaard.
7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.E. Postema, rechter, in aanwezigheid van
mr. M.B.K. Stroosnier, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op
28 oktober 2021.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na verzending hoger beroep instellen bij het gerechtshof Den Haag (team belastingrecht), Postbus 20302,
2500 EH Den Haag.
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
Rechtbank DEN HAAG
Team belastingrecht
zaaknummer: SGR 20/7211
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van
28 oktober 2021 in de zaak tussen
[eiser], wonende te [woonplaats], eiser,
en
de ontvanger van de Belastingdienst, verweerder.
De bestreden uitspraak op bezwaar
De uitspraak van verweerder van 7 oktober 2020 op het bezwaar van eiser tegen de aan hem in verband met de naheffingsaanslag motorrijtuigenbelasting met aanslagnummer [aanslagnummer] in rekening gebrachte dwangbevelkosten van € 55.
Zitting
Het onderzoek ter zitting heeft door middel van een Skype-zitting plaatsgevonden op
14 oktober 2021.
Eiser heeft daaraan deelgenomen via een telefonische verbinding. Namens verweerder heeft [A] deelgenomen, in aanwezigheid van [B].
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Overwegingen
1. Aan eiser is, wegens uitblijven van betaling van de naheffingsaanslag motorrijtuigenbelasting met aanslagnummer [aanslagnummer], met dagtekening
16 april 2020 een dwangbevel betekend. Bij het dwangbevel zijn betekeningskosten ter hoogte van € 55 in rekening gebracht.
2. Eiser heeft met dagtekening 19 mei 2020 een bezwaarschrift ingediend tegen het voornoemde dwangbevel. Verweerder heeft dit opgevat als een bezwaar tegen de kosten van het dwangbevel. Eiser is in de bezwaarprocedure op 8 september 2020 gehoord. Verweerder heeft op 7 oktober 2020 uitspraak op bezwaar gedaan.
3. In geschil is of verweerder de dwangbevelkosten terecht in rekening heeft gebracht.
4. Eiser voert aan dat hij om een betalingsregeling had verzocht in de fase voorafgaand aan de betekening van het dwangbevel, maar dat hij hier geen antwoord op heeft gekregen. Hij stelt dat hij een verzoek heeft afgegeven bij de balie van de Belastingdienst en een kopie met ontvangststempel in zijn bezit heeft. Hij heeft dit stuk echter– ondanks een verzoek hiertoe van verweerder – niet overgelegd. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat hij tijdig om uitstel van betaling heeft verzocht. De enkele stelling dat eiser dat heeft gedaan is onvoldoende. Omdat eiser ondanks een aanmaning de naheffingsaanslag niet heeft betaald, zijn de dwangbevelkosten terecht in rekening gebracht.
5. Alles wat eiser verder heeft aangevoerd met betrekking tot de beslaglegging op zijn taxi’s betreft een civiele zaak en kan in deze procedure niet aan de orde komen.
6. Gelet op wat hiervoor is overwogen is het beroep ongegrond verklaard.
7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.E. Postema, rechter, in aanwezigheid van
mr. M.B.K. Stroosnier, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op
28 oktober 2021.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na verzending hoger beroep instellen bij het gerechtshof Den Haag (team belastingrecht), Postbus 20302,
2500 EH Den Haag.
Samenhangende uitspraken
- ECLI:NL:GHDHA:2022:1737 http://psi.rechtspraak.nl/hogerBeroep
Aangehaald in
- ECLI:NL:GHDHA:2022:1737 Gerechtshof Den Haag, 4 augustus 2022 (belastingrecht)
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.