Uitspraak · Socialezekerheidsrecht
Rechtbank Den Haag, 7 mei 2019
ECLI:NL:RBDHA:2019:4639Zaaknummer SGR 18/6006
- Instantie
- Rechtbank Den Haag
- Datum uitspraak
- 7 mei 2019
- Publicatiedatum
- 28 oktober 2026
- Zaaknummer
- SGR 18/6006
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht, Socialezekerheidsrecht
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Zittingsplaats
- Den Haag
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
Beroep tegen de afwijzing op grond van een vaststellingsovereenkomst, van een aanvraag voor een bedrijfskrediet
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.J. Waterbolk, rechter, in aanwezigheid van mr. L. Arreman-Mos, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 7 mei 2019.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 18/6006
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 7 mei 2019 in de zaak tussen
[eiser] , te [plaats] , eiser
(gemachtigde: mr. S.L. Sarin),
en
het dagelijks bestuur van de Intergemeentelijke Sociale Dienst Bollenstreek (ISD), verweerder
(gemachtigden: mr. D. Rosenbaum)
Procesverloop
Bij besluit van 21 maart 2018 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser om een bedrijfskrediet voor zelfstandigen ter voorziening in de behoefte aan bedrijfskapitaal ingevolge het Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004 (Bbz 2004) afgewezen.
Bij besluit van 19 juli 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 maart 2019. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde, vergezeld van [naam].
Overwegingen
Eiser heeft een beroep gedaan op het bestaan van betalingsonmacht ten aanzien van het betalen van het griffierecht. De rechtbank heeft eiser bij brief van 28 november 2018 medegedeeld dat (vooralsnog) zal worden afgezien van het heffen van griffierecht, maar uit het dossier blijkt dat het griffierecht wel is betaald. De rechtbank heeft het beroep op betalingsonmacht ter zitting gehonoreerd. De rechtbank is van oordeel dat eiser aannemelijk heeft gemaakt dat hij vanwege zijn financiële situatie het griffierecht niet kan betalen.
De rechtbank gaat bij de beoordeling uit van de volgende feiten en omstandigheden. Eiser heeft op 15 maart 2016 een aanvraag ingediend voor een bedrijfskrediet op grond van het Bbz 2004, omdat hij een onderneming wilde starten en daarvoor (start)kapitaal nodig had. Bij besluit van 23 juni 2016 is zijn aanvraag gehonoreerd, zij het onder opschortende voorwaarden. Naar aanleiding van het bezwaar van eiser zijn verweerder en eiser tot een compromis gekomen en hebben zij de gemaakte afspraken vastgelegd in een vaststellingsovereenkomst. Sinds 7 november 2016 drijft eiser een onderneming genaamd [bedrijfsnaam].
Eiser heeft op 13 februari 2018 opnieuw een aanvraag voor een bedrijfskrediet ingediend op grond van het Bbz 2004. Verweerder heeft naar aanleiding van de aanvraag advies ingewonnen bij FBA Adviesgroep (FBA) over de levensvatbaarheid van de onderneming van eiser. Het advies van FBA is opgenomen in een rapport van 5 maart 2018 (het advies van FBA). Het advies van FBA, maar met name de inhoud van de eerdergenoemde vaststellingsovereenkomst, zijn voor verweerder aanleiding geweest het primaire besluit te nemen. Eiser heeft hiertegen bezwaar gemaakt.
FBA heeft vervolgens op verzoek van verweerder nadere informatie verstrekt over de procedurele aspecten van het uitgevoerde onderzoek en heeft op een aantal punten desgevraagd gereageerd op de bezwaren van eiser. Eiser heeft hierop gereageerd. Vervolgens is door verweerder advies gevraagd aan de adviescommissie bezwaarschriften (het advies van de adviescommissie).
2. Bij het bestreden besluit heeft verweerder conform het advies van de adviescommissie het bezwaar ongegrond verklaard, onder verwijzing naar de motivering zoals die in het advies van de adviescommissie is opgenomen. Aan het bestreden besluit is ten grondslag gelegd dat eiser in 2016 een vaststellingsovereenkomst heeft ondertekend waarin (in artikel 2) is opgenomen dat hij niet binnen drie jaar opnieuw een aanvraag zal doen om een bedrijfskrediet op grond van het Bbz 2004. Daarnaast voldoet eiser ook inhoudelijk niet aan de vereisten die gelden voor toewijzing van de aanvraag, nu uit het onderzoek van FBA is gebleken dat zijn onderneming niet levensvatbaar is.
3. Eiser kan zich niet verenigen met het bestreden besluit. Allereerst stelt eiser dat artikel 2 van de vaststellingsovereenkomst niet aan hem kan worden tegengeworpen, omdat dit artikel strijdig is met dwingend recht. Een afspraak zoals die in het betreffende artikel is opgenomen kan slechts worden gemaakt indien er sprake is van een situatie ter beëindiging van een geschil en niet, zoals in de onderhavige situatie aan de orde is, ter voorkoming van een geschil. Daarnaast is eiser van mening dat het advies van FBA onzorgvuldig tot stand is gekomen en daarom niet ten grondslag kon worden gelegd aan het primaire besluit.
De rechtbank zal eerst ingaan op de stelling van eiser dat verweerder de aanvraag om een bedrijfskrediet op grond van het Bbz 2004 niet had mogen afwijzen onder verwijzing naar artikel 2 van de vaststellingsovereenkomst.
Tussen partijen is niet in geschil dat eiser en verweerder in 2016 een vaststellingsovereenkomst hebben ondertekend, waarbij in artikel 2 het volgende is opgenomen:
“[eiser] zal geen nieuwe aanvragen ingevolge het Bbz indienen ten einde het verkrijgen van aanvullende kredietvormen ter uitvoering van zijn huidige onderneming. Voorts zal [eiser] binnen een termijn van 3 jaar geen nieuwe aanvraag indienen waarbij sprake is van een gewijzigde situatie c.q. nieuwe onderneming.”
Ingevolge artikel 7:900, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) binden partijen zich bij een vaststellingovereenkomst, ter beëindiging of ter voorkoming van onzekerheid of geschil omtrent hetgeen tussen hen rechtens geldt, jegens elkaar aan een vaststelling daarvan, bestemd om ook te gelden voor zover zij van de tevoren bestaande rechtstoestand mocht afwijken.
Ingevolge artikel 7:902 BW is een vaststelling ter beëindiging van onzekerheid of geschil op vermogensrechtelijk gebied ook geldig als zij in strijd mocht blijken met dwingend recht, tenzij zij tevens naar inhoud of strekking in strijd komt met de goede zeden of de openbare orde.
Het betoog van eiser dat artikel 2 van de vaststellingsovereenkomst strijdig is met dwingend recht en verweerder het primaire besluit om die reden niet op de vaststellingsovereenkomst had mogen baseren slaagt niet. Eiser heeft zijn stelling onvoldoende onderbouwd en ook overigens ziet de rechtbank geen aanleiding om te oordelen dat een beroep op de inhoud van de vaststellingsovereenkomst in strijd is met een rechtsregel van dwingendrechtelijke aard. De rechtbank wijst er in dit verband op dat verweerder op grond van de artikelen 20 en 24 van het Bbz een vrije bevoegdheid heeft om een bedrijfskrediet te verlenen. Ook mag verweerder verplichtingen verbinden aan de bijstandsverlening, hetgeen blijkt uit artikel 39, derde lid, van het Bbz 2004. Verweerder is naar het oordeel van de rechtbank daarom ook bevoegd om afspraken te maken met een aanvrager over de wijze waarop, en de voorwaarden waaronder verweerder van zijn bevoegdheid tot het verlenen van bedrijfskrediet gebruik maakt.
Weliswaar verwijst eiser naar een arrest van de Hoge Raad van 9 januari 2015 (ECLI:NL:HR:2015:39) waaruit volgens hem blijkt dat sprake is van een schending van dwingend recht, maar de situatie waarop dit arrest betrekking heeft is een andere dan de situatie van eiser. In de zaak waarop het arrest betrekking heeft hadden partijen afspraken vastgelegd over de beëindiging een arbeidsovereenkomst. Er was sprake van een schending van een dwingendrechtelijke bepaling uit het arbeidsrecht, waarmee de beoogde bescherming van een werknemer tegen beëindiging van een arbeidsovereenkomst teniet werd gedaan. Van een dergelijke situatie is hier geen sprake.
Voor zover het betoog van eiser zo moet worden opgevat dat hij niet door middel van een vaststellingsovereenkomst kan worden verplicht om af te zien van een publiekrechtelijke aanspraak deelt de rechtbank die opvatting niet. De rechtbank ziet hiervoor in de jurisprudentie geen aanknopingspunten en eiser heeft zijn stelling op dit punt ook niet nader onderbouwd.
Het betoog van eiser dat hij zich in 2016 gedwongen voelde de vaststellingsovereenkomst te ondertekenen en dat hij om die reden thans niet aan de inhoud daarvan kan worden gehouden, slaagt evenmin. Eiser heeft deze stelling niet nader met objectieve en verifieerbare stukken onderbouwd.
6. Gelet op het bovenstaande, en nu ook verder niet is gebleken dat de inhoud van de vaststellingsovereenkomst in strijd is met de openbare orde of de redelijkheid en billijkheid, is de rechtbank van oordeel dat verweerder de vaststellingsovereenkomst terecht ten grondslag heeft gelegd aan de afwijzing van de aanvraag van eiser om een aanvullend bedrijfskrediet. Omdat het bestreden besluit op grond hiervan stand houdt, komt de rechtbank niet toe aan een beoordeling van hetgeen verder nog door eiser is gesteld.
7. Het beroep is ongegrond.
8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.J. Waterbolk, rechter, in aanwezigheid van mr. L. Arreman-Mos, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 7 mei 2019.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.
Wetsartikelen in deze uitspraak
Deze uitspraak verwijst naar
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.