Uitspraak · Vreemdelingenrecht

Rechtbank Den Haag, 14 november 2019

ECLI:NL:RBDHA:2019:12790Zaaknummer nl19.25638

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
14 november 2019
Publicatiedatum
3 december 2019
Zaaknummer
nl19.25638
Rechtsgebied
Bestuursrecht, Vreemdelingenrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig, Mondelinge uitspraak, Voorlopige voorziening+bodemzaak
Zittingsplaats
Middelburg
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

dublin Italië, alleenstaande man, niet bijzonder kwetsbaar

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Overwegingen

1. Niet in geschil is dat Italië verantwoordelijk is voor de behandeling van het verzoek om internationale bescherming.

2. De vraag is of er omstandigheden zijn die zich verzetten tegen de overdracht van eiser aan Italië.

3. Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling[_40c4a038-0914-4ea0-8278-9ead7f01569e] voldoet Italië aan de internationale verplichtingen tegenover Dublinclaimanten. Eiser heeft zich in dit verband beroepen op een aantal rapporten die betrekking hebben op de algemene situatie van de opvang in Italië. Het AIDA-landenrapport over Italië van 16 april 2019 is echter al betrokken bij de eerdere uitspraken van de Afdeling. Het door eiser rapport van SFH/OSAR van 8 mei 2019 is al eerder door diverse zittingsplaatsen van deze rechtbank beoordeeld[_fde3918a-dadb-4e2e-b87a-e513af648954].

4. Voor wat betreft de persoonlijke situatie van eiser overweegt de rechtbank dat de claim van Nederland is geaccepteerd door Italië waarmee Italië heeft toegezegd dat de asielaanvraag van eiser zal worden behandeld. De omstandigheid dat eiser na de afwijzing van zijn asielaanvraag jarenlang heeft moeten wachten op de uitkomst van zijn beroepsprocedure maakt dit niet anders. Over eventuele problemen met betrekking tot het kunnen voorzien in zijn levensonderhoud dient eiser te klagen in Italië.

Eiser behoort niet tot de categorie van de kwetsbare asielzoekers.

5. Eiser heeft naar het oordeel van de rechtbank dan ook niet aannemelijk gemaakt dat hij na overdracht aan Italië in een situatie zal komen te verkeren die in strijd is met artikel 4 van het Handvest[_7b202a85-05ba-4de5-8880-cd0657235b00] en artikel 3 van het EVRM[_5c5c0336-9ae5-4254-8e4a-8fc67faff088]. Verweerder heeft niet kunnen overwegen dat niet is gebleken van bijzondere individuele omstandigheden die alsnog reden zouden moeten zijn om eiser in de nationale asielprocedure op te nemen.

6. Het beroep is ongegrond.

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken door mr. J.F.I. Sinack, rechter, in aanwezigheid van mr. J. Loonstra-Hoekstra, griffier, op 14 november 2019.

Dit proces-verbaal is bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking van dit proces-verbaal.

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. [naam] , eiser
  2. Procesverloop
  3. Beslissing
  4. Overwegingen

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

zaaknummer: NL19.25638

V-nummer: [nummer]

proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam] , eiser

(gemachtigde: mr. M.H. Steenbergen),

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. N.H.T. Jansen).

Procesverloop

Bij besluit van 24 oktober 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag van eiser niet in behandeling genomen omdat Italië verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft, tezamen met de behandeling van het verzoek om voorlopige voorziening met kenmerk NL19.25639, plaatsgevonden op 14 november 2019. Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Na afloop van de behandeling van de zaak ter zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Overwegingen

1. Niet in geschil is dat Italië verantwoordelijk is voor de behandeling van het verzoek om internationale bescherming.

2. De vraag is of er omstandigheden zijn die zich verzetten tegen de overdracht van eiser aan Italië.

3. Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling[_40c4a038-0914-4ea0-8278-9ead7f01569e] voldoet Italië aan de internationale verplichtingen tegenover Dublinclaimanten. Eiser heeft zich in dit verband beroepen op een aantal rapporten die betrekking hebben op de algemene situatie van de opvang in Italië. Het AIDA-landenrapport over Italië van 16 april 2019 is echter al betrokken bij de eerdere uitspraken van de Afdeling. Het door eiser rapport van SFH/OSAR van 8 mei 2019 is al eerder door diverse zittingsplaatsen van deze rechtbank beoordeeld[_fde3918a-dadb-4e2e-b87a-e513af648954].

4. Voor wat betreft de persoonlijke situatie van eiser overweegt de rechtbank dat de claim van Nederland is geaccepteerd door Italië waarmee Italië heeft toegezegd dat de asielaanvraag van eiser zal worden behandeld. De omstandigheid dat eiser na de afwijzing van zijn asielaanvraag jarenlang heeft moeten wachten op de uitkomst van zijn beroepsprocedure maakt dit niet anders. Over eventuele problemen met betrekking tot het kunnen voorzien in zijn levensonderhoud dient eiser te klagen in Italië.

Eiser behoort niet tot de categorie van de kwetsbare asielzoekers.

5. Eiser heeft naar het oordeel van de rechtbank dan ook niet aannemelijk gemaakt dat hij na overdracht aan Italië in een situatie zal komen te verkeren die in strijd is met artikel 4 van het Handvest[_7b202a85-05ba-4de5-8880-cd0657235b00] en artikel 3 van het EVRM[_5c5c0336-9ae5-4254-8e4a-8fc67faff088]. Verweerder heeft niet kunnen overwegen dat niet is gebleken van bijzondere individuele omstandigheden die alsnog reden zouden moeten zijn om eiser in de nationale asielprocedure op te nemen.

6. Het beroep is ongegrond.

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken door mr. J.F.I. Sinack, rechter, in aanwezigheid van mr. J. Loonstra-Hoekstra, griffier, op 14 november 2019.

Dit proces-verbaal is bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking van dit proces-verbaal.

Wetsartikelen in deze uitspraak

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.