Uitspraak · Socialezekerheidsrecht
Rechtbank Den Haag, 5 april 2016
ECLI:NL:RBDHA:2016:3777Zaaknummer AWB - 16 _ 2160
- Instantie
- Rechtbank Den Haag
- Datum uitspraak
- 5 april 2016
- Publicatiedatum
- 12 mei 2016
- Zaaknummer
- AWB - 16 _ 2160
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht, Socialezekerheidsrecht
- Procedure
- Mondelinge uitspraak, Proces-verbaal, Voorlopige voorziening
- Zittingsplaats
- 's-Gravenhage
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
vovo
Beslissing
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Overwegingen
1. De voorzieningenrechter geeft hiervoor de volgende motivering. Daarbij wordt opgemerkt dat het oordeel van de voorzieningenrechter een voorlopig karakter heeft en de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet bindt.
2. Voor zover gevraagd wordt om schorsing van het terugvorderingsbesluit van
2 december 2015 en het door verzoeker maandelijks terug te betalen bedrag vast te stellen op het door verzoeker genoemde bedrag van € 37,-, dient dit verzoek vanwege het ontbreken van connexiteit niet-ontvankelijk te worden verklaard.
3. Voor zover het verzoek strekt tot schorsing van het besluit tot de beëindiging van de Ziektewet uitkering is er geen sprake van een spoedeisend belang nu gebleken is dat de bijstandsuitkering die verzoeker thans ontvangt ongeveer even hoog is als de uitkering op grond van de Ziektewet zou zijn. Gelet hierop ziet de voorzieningenrechter niet in waarom verzoeker de inhoudelijke behandeling van zijn beroep tegen de Ziektewet beslissing niet zou kunnen afwachten.
4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Deze uitspraak is gedaan door mr.drs. H.M. Braam, rechter, in aanwezigheid van J.A. de Kievit-Tempels, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 5 april 2016.
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan geen hoger beroep worden ingesteld.
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
Rechtbank DEN Haag
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 16/2160
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de voorzieningenrechter van 5 april 2016 op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen
[verzoeker] , te [woonplaats] , verzoeker
(gemachtigde: mr. S. Bildirici),
tegen
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv), verweerder
(gemachtigde: C. Schravesande).
Procesverloop
Bij besluit van 23 november 2015 (het primaire besluit) heeft verweerder het recht van verzoeker op uitkering op grond van de Ziektewet (ZW) per 1 juli 2015 beëindigd.
Bij besluit van 6 januari 2015 (lees: 2016) (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van verzoeker ongegrond verklaard.
Verzoeker heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Hij heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 april 2016. Verzoeker is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Na afloop van de zitting heeft de voorzieningenrechter onmiddellijk op 5 april 2016 uitspraak gedaan.
Beslissing
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Overwegingen
1. De voorzieningenrechter geeft hiervoor de volgende motivering. Daarbij wordt opgemerkt dat het oordeel van de voorzieningenrechter een voorlopig karakter heeft en de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet bindt.
2. Voor zover gevraagd wordt om schorsing van het terugvorderingsbesluit van
2 december 2015 en het door verzoeker maandelijks terug te betalen bedrag vast te stellen op het door verzoeker genoemde bedrag van € 37,-, dient dit verzoek vanwege het ontbreken van connexiteit niet-ontvankelijk te worden verklaard.
3. Voor zover het verzoek strekt tot schorsing van het besluit tot de beëindiging van de Ziektewet uitkering is er geen sprake van een spoedeisend belang nu gebleken is dat de bijstandsuitkering die verzoeker thans ontvangt ongeveer even hoog is als de uitkering op grond van de Ziektewet zou zijn. Gelet hierop ziet de voorzieningenrechter niet in waarom verzoeker de inhoudelijke behandeling van zijn beroep tegen de Ziektewet beslissing niet zou kunnen afwachten.
4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Deze uitspraak is gedaan door mr.drs. H.M. Braam, rechter, in aanwezigheid van J.A. de Kievit-Tempels, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 5 april 2016.
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan geen hoger beroep worden ingesteld.
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.