Uitspraak · Belastingrecht

Rechtbank Den Haag, 7 december 2016

ECLI:NL:RBDHA:2016:15781Zaaknummer AWB - 16 _ 6117

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
7 december 2016
Publicatiedatum
12 juli 2017
Zaaknummer
AWB - 16 _ 6117
Rechtsgebied
Bestuursrecht, Belastingrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig, Mondelinge uitspraak
Zittingsplaats
Den Haag
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

De rechtbank overweegt dat de door eiseres gestelde uitgaven voor een pedicure alleen in aftrek kunnen worden toegelaten, indien deze kosten medisch geïndiceerd zijn. Nu eiseres niet door het overleggen van een medisch voorschrift of anderszins aannemelijk heeft gemaakt dat deze kosten zijn gemaakt op medische indicatie, heeft verweerder deze uitgaven terecht niet in aftrek toegelaten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Overwegingen

1. Eiseres heeft voor het jaar 2014 een aangifte IB/PVV (de aangifte) ingediend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 15.358. In de aangifte heeft eiseres een bedrag van € 4.920 in aanmerking genomen als specifieke zorgkosten.

2. Bij het vaststellen van de aanslag heeft verweerder de aftrek van uitgaven voor specifieke zorgkosten gecorrigeerd met € 2.888 en vastgesteld op € 2.032.

3. In geschil is of verweerder terecht de uitgaven voor extra kleding en beddengoed, de pedicurekosten en de kosten van een ooglidcorrectie, niet in aftrek heeft toegestaan.

4. Nu het geschil ziet op uitgaven die bij aftrek tot een vermindering van het belastbare inkomen uit werk en woning leiden, en verweerder heeft weersproken dat uitgaven zijn gedaan die voor aftrek in aanmerking komen, rust op eiseres de bewijslast om aannemelijk te maken dat uitgaven zijn gedaan voor specifieke zorgkosten die voor aftrek in aanmerking komen.

5. De rechtbank overweegt dat de door eiseres gestelde uitgaven voor een pedicure alleen in aftrek kunnen worden toegelaten, indien deze kosten medisch geïndiceerd zijn. Nu eiseres niet door het overleggen van een medisch voorschrift of anderszins aannemelijk heeft gemaakt dat deze kosten zijn gemaakt op medische indicatie, heeft verweerder deze uitgaven terecht niet in aftrek toegelaten.

6. Ter onderbouwing voor het recht op aftrek van de kosten van de ooglidcorrecte heeft eiseres een schrijven van haar huisarts overgelegd. Uit dit stuk kan worden opgemaakt dat de ooglidcorrectie op verzoek van eiseres is aangevraagd. De rechtbank acht de inhoud het schrijven voorts onvoldoende om te kunnen concluderen dat een arts heeft vastgesteld dat bij eiseres sprake was van een ernstige psychische stoornis of psychisch lijden als gevolg van een aandoening aan haar oogleden. Eiseres heeft op vragen van de rechtbank wel verklaard gedurende twee jaar te zijn behandeld door een psycholoog, maar daarbij aangegeven dat zij een en ander niet met schriftelijke stukken kan onderbouwen. De rechtbank acht daarom niet bewezen dat de ooglidcorrectie is gedaan vanuit een medische noodzaak.

7. Ter zake van de kosten voor extra beddengoed en kleding is de blote stelling van eiseres dat zij een huidallergie heeft en last heeft van een extreem droge huid, onvoldoende om aannemelijk te achten dat sprake is van specifieke zorgkosten die voor aftrek in aanmerking komen. Gelet hierop heeft verweerder terecht ook die aftrek geweigerd.

8. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, is het beroep ongegrond verklaard.

9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.C.H.M. Lips, rechter, in aanwezigheid van mr. L. Heekelaar, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 7 december 2016.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na verzending hoger beroep instellen bij het gerechtshof Den Haag (belastingkamer), Postbus 20021, 2500 EA Den Haag.

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. 7 december 2016 in de zaak tussen
  2. De bestreden uitspraak op bezwaar
  3. Zitting
  4. Beslissing
  5. Overwegingen
  6. Rechtsmiddel

Rechtbank DEN HAAG

Team belastingrecht

zaaknummer: SGR 16/6117

proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van

7 december 2016 in de zaak tussen

[eiseres], wonende te [woonplaats], eiseres(gemachtigde: M. Colly),

en

de inspecteur van de Belastingdienst/Belastingen, kantoor [kantoorplaats], verweerder.

De bestreden uitspraak op bezwaar

De uitspraak van verweerder van 27 mei 2016 op het bezwaar van eiseres tegen de voor het jaar 2014 opgelegde aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV).

Zitting

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 november 2016.

Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door [persoon] en mr. M.L.M. Wassenaar.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Overwegingen

1. Eiseres heeft voor het jaar 2014 een aangifte IB/PVV (de aangifte) ingediend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 15.358. In de aangifte heeft eiseres een bedrag van € 4.920 in aanmerking genomen als specifieke zorgkosten.

2. Bij het vaststellen van de aanslag heeft verweerder de aftrek van uitgaven voor specifieke zorgkosten gecorrigeerd met € 2.888 en vastgesteld op € 2.032.

3. In geschil is of verweerder terecht de uitgaven voor extra kleding en beddengoed, de pedicurekosten en de kosten van een ooglidcorrectie, niet in aftrek heeft toegestaan.

4. Nu het geschil ziet op uitgaven die bij aftrek tot een vermindering van het belastbare inkomen uit werk en woning leiden, en verweerder heeft weersproken dat uitgaven zijn gedaan die voor aftrek in aanmerking komen, rust op eiseres de bewijslast om aannemelijk te maken dat uitgaven zijn gedaan voor specifieke zorgkosten die voor aftrek in aanmerking komen.

5. De rechtbank overweegt dat de door eiseres gestelde uitgaven voor een pedicure alleen in aftrek kunnen worden toegelaten, indien deze kosten medisch geïndiceerd zijn. Nu eiseres niet door het overleggen van een medisch voorschrift of anderszins aannemelijk heeft gemaakt dat deze kosten zijn gemaakt op medische indicatie, heeft verweerder deze uitgaven terecht niet in aftrek toegelaten.

6. Ter onderbouwing voor het recht op aftrek van de kosten van de ooglidcorrecte heeft eiseres een schrijven van haar huisarts overgelegd. Uit dit stuk kan worden opgemaakt dat de ooglidcorrectie op verzoek van eiseres is aangevraagd. De rechtbank acht de inhoud het schrijven voorts onvoldoende om te kunnen concluderen dat een arts heeft vastgesteld dat bij eiseres sprake was van een ernstige psychische stoornis of psychisch lijden als gevolg van een aandoening aan haar oogleden. Eiseres heeft op vragen van de rechtbank wel verklaard gedurende twee jaar te zijn behandeld door een psycholoog, maar daarbij aangegeven dat zij een en ander niet met schriftelijke stukken kan onderbouwen. De rechtbank acht daarom niet bewezen dat de ooglidcorrectie is gedaan vanuit een medische noodzaak.

7. Ter zake van de kosten voor extra beddengoed en kleding is de blote stelling van eiseres dat zij een huidallergie heeft en last heeft van een extreem droge huid, onvoldoende om aannemelijk te achten dat sprake is van specifieke zorgkosten die voor aftrek in aanmerking komen. Gelet hierop heeft verweerder terecht ook die aftrek geweigerd.

8. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, is het beroep ongegrond verklaard.

9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.C.H.M. Lips, rechter, in aanwezigheid van mr. L. Heekelaar, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 7 december 2016.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na verzending hoger beroep instellen bij het gerechtshof Den Haag (belastingkamer), Postbus 20021, 2500 EA Den Haag.

Samenhangende uitspraken

Aangehaald in

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.