Uitspraak · Civiel recht

Rechtbank Amsterdam, 9 oktober 2026

ECLI:NL:RBAMS:2026:9979Zaaknummer 11822664 CV EXPL 25-10407

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
9 oktober 2026
Publicatiedatum
13 oktober 2026
Zaaknummer
11822664 CV EXPL 25-10407
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig, Proceskostenveroordeling
Zittingsplaats
Amsterdam
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Pensioenrecht, indexering. Deelnemers aan een bij een verzekeraar ondergebracht executive pensioen hebben geen recht op dezelfde indexering als het bij een pensioenfonds ondergebrachte pensioen van andere gepensioneerden van dezelfde werkgever. Verschillende regelingen, geen bestendig beleid.

BESLISSING

De kantonrechter:

wijst het gevorderde af;

veroordeelt de Stichting in de proceskosten, tot vandaag aan de kant van ING/NN begroot op € 3.465,00 (3 punten*€ 1.155,00) aan salaris gemachtigde, voor zover van toepassing inclusief btw;

veroordeelt de Stichting in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 144,00 aan salaris gemachtigde, voor zover van toepassing inclusief btw;

verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. C.W. Inden, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 9 oktober 2026 in tegenwoordigheid van de griffier.

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. 1. de naamloze vennootschap ING Groep N.V.
  2. 2. de naamloze vennootschap NN Group N.V.
  3. VERLOOP VAN DE PROCEDURE
  4. GRONDEN VAN DE BESLISSING
  5. Feiten
  6. Kern van het geschil
  7. BESLISSING

vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht

zaaknummer: 11822664 CV EXPL 25-10407

vonnis van: 9 oktober 2026

fno.: 8622

vonnis van de kantonrechter

I n z a k e

de stichting Stichting Belangenbehartiging EP-Deelnemers

gevestigd te Nieuwegein

eiseres

nader te noemen: de Stichting

gemachtigden: mr. T.J. Zuiderman en mr. O.F. Blom

t e g e n

1. de naamloze vennootschap ING Groep N.V.

gevestigd te Amsterdam

2. de naamloze vennootschap NN Group N.V.

gevestigd te Amsterdam

gedaagden

nader te noemen: respectievelijk ING en NN, gezamenlijk ING/NN

gemachtigden: mr. J.M. van Slooten, mr. C.F. Michiels en mr. N. de Bruijn

VERLOOP VAN DE PROCEDURE

De volgende processtukken zijn ingediend:

- de dagvaarding van 29 juli 2025 met bijlagen;

- de conclusie van antwoord met bijlagen;

- de conclusie van repliek;- de conclusie van dupliek met één bijlage.

Vervolgens is op verzoek van de Stichting een datum bepaald voor een mondelinge behandeling. Deze heeft plaats gevonden op 10 september 2026. Voorafgaand aan de mondelinge behandeling hebben beide partijen nog aanvullende stukken in het geding gebracht. Op de mondelinge behandeling zijn namens de Stichting [functies] [naam 1], [naam 2] en [naam 3] verschenen met als gemachtigden mrs. T.J. Zuiderman en J. Los. Namens ING is verschenen [naam 4] en namens [naam 5], met de gemachtigden. Partijen hebben ter zitting hun standpunten toegelicht en vragen beantwoord. De gemachtigden hebben spreekaantekeningen overgelegd. Na verder debat is vonnis gevraagd en er is een datum voor vonnis bepaald.

GRONDEN VAN DE BESLISSING

Feiten

1. Als gesteld en erkend of niet (voldoende) weersproken, staat in dit geding het volgende vast:

1.1.

De Stichting heeft als statutaire doelstelling het behartigen van de pensioenbelangen van oud-directieleden, oud-Executive Commitee-leden en oud-leden van de Raad van Bestuur (verder gezamenlijk te noemen: de directieleden) van ING/NN. Het gaat daarbij om directieleden die zijn benoemd voor 2008.

1.2.

De directieleden hadden tot 2002 een Executive pensioenregeling (EP-regeling) die was ondergebracht bij de stichting Pensioenfonds ING (verder: PFI). Bij datzelfde pensioenfonds waren ook de pensioenen van het CAO-personeel ondergebracht.

1.3.

Met ingang van 2002 zijn de pensioenen van alle directieleden overgedragen aan verzekeraar NN Leven. Dit gebeurde met een waardeoverdracht waar alle directieleden individueel mee moesten instemmen. In de begeleidende brief hierover van 28 november 2001 schreef PFI aan de directieleden:Met de ondertekening van deze verklaring gaat u akkoord met de overdracht van de in de Stichting Pensioenfonds ING opgebouwde pensioenaanspraken naar Nationale-Nederlanden Levensverzekering Mij. N.V. (NN).De overdrachtswaarde van de voor u op 31 december 2001 opgebouwde pensioenen (…) zal door NN aangewend worden voor de inkoop van actuarieel gelijkwaardige pensioenaanspraken.

1.4.

In 2004 stond ten aanzien van indexering van pensioenen het volgende in de bij NN Leven ondergebrachte EP-regeling:ING Groep streeft er naar om jaarlijks op 1 januari (…) aan te passen op basis van de ontwikkeling van de afgeleide Consumentenprijsindex Alle huishoudens (…) voor de maand oktober (…). De aanpassing zal maximaal 3% per jaar bedragen, tenzij door de Raad van Bestuur van ING Groep wordt besloten om deze maximering buiten toepassing te laten.Deze indexatie is voorwaardelijk. Er bestaat geen recht op indexatie, en het is niet zeker of en in hoeverre in de toekomst een indexatie zal plaatsvinden. Hierover beslist de Raad van Bestuur van ING Groep jaarlijks.

In de PFI-regeling stond over indexering het volgende:ING streeft ernaar de overige ingegane pensioenen en (premievrije) Pensioenaanspraken te indexeren. (…) Jaarlijks (…) worden (…) pensioenen (…) aangepast aan de ontwikkeling van de door het Centraal Bureau voor de Statistiek voor de eerste maal gepubliceerde Consumentenprijsindex alle huishoudens, afgeleid, over de periode van oktober tot oktober. De aanpassing bedraagt ten hoogste 3% per jaar.

1.5.

Per 1 januari 2014 is PFI verzelfstandigd. In een brief van april 2014 schreef ING in een toelichting aan NN Leven die werd gedeeld met de deelnemers in de EP-regeling onder meer:Zoals u bekend, kennen de pensioenregelingen die wij bij u hebben ondergebracht dezelfde voorwaardelijke indexatieregeling voor de ingegane en premievrije pensioenen als de pensioenregelingen van ING die zijn ondergebracht bij Stichting Pensioenfonds ING (“PFI”). ING financiert deze voorwaardelijke toeslagen en kan bij zwaarwegende redenen afzien van de financiering van deze toeslagen. Dat wil zegen dat indien ING beslist dat er zwaarwegende redenen zijn om geen middelen voor toeslagverlening aan PFI ter beschikking te stellen, ING evenmin middelen ter beschikking stelt aan u voor verhoging van de premievrije en ingegane pensioenen die bij u zijn ondergebracht. In de afgelopen jaren heeft ING dat beleid steeds gevolgd.

1.6.

In het kader van de verzelfstandiging van PFI betaalde ING eenmalig een bedrag van ongeveer 1 miljard euro. Vanaf de verzelfstandiging diende PFI indexering van pensioenen uit eigen middelen te financieren, waar voorheen ING/NN hiervoor een bijdrage beschikbaar stelde.

1.7.

Met een wijziging die in ging op 1 januari 2015 werd het volgende toegevoegd aan de indexeringsregeling voor PFI:Het Bestuur kan besluiten om op de opgebouwde Pensioenaanspraken en -rechten een inhaaltoeslag dan wel een aanvullende toeslag toe te kennen indien de financiële positie van het Fonds dit toelaat. Daarbij wordt rekening gehouden met de eventuele beperkingen die voortvloeien uit de Pensioenwet en de fiscale wet- en regelgeving.

1.8.

Van 2002 tot en met 2022 was de jaarlijkse indexering van de pensioenen voor PFI en de EP-regeling (nagenoeg, in 2012 was er 1/100 verschil) gelijk. Deze indexering was in die periode nooit hoger dan 3%.

1.9.

Per 1 januari 2023 werden de pensioenen onder de EP-regeling (na discussie en een aanpassing van aanvankelijk 3%) met 6% verhoogd.Per 1 januari 2023 werden de pensioenen onder de PFI-regeling met 8% verhoogd.

1.10.

Per 1 januari 2024 werden de pensioenen onder de EP-regeling met 0% verhoogd.Per 1 januari 2024 werden de pensioenen onder de PFI-regeling met 4 % verhoogd.

1.11.

Per 1 januari 2025 werden de pensioenen onder beide regelingen met hetzelfde percentage (2,58%, gelijk aan de CPI) verhoogd.

1.12.

Voor de toekomst heeft ING/NN in februari 2025 intern beleid kenbaar gemaakt ten aanzien van toepassing van haar bevoegdheid boven de 3% te indexeren.

vordering en verweer

2. De Stichting vordert bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis – kort gezegd – :

primair ING/NN te veroordelen tot een aanvullende indexering per 1 januari 2023 van 2% en per 1 januari 2024 van 4% met veroordeling van ING/NN om ook in de toekomst haar consistente beleid met betrekking tot gelijke behandeling na te komen, subsidiair voor recht te verklaren dat ING/NN onrechtmatig gehandeld heeft door in strijd met goed werkgeverschap en de redelijkheid en billijkheid een lagere koopsom aan NN Leven ter beschikking te stellen dan nodig is voor gelijke behandeling met PFI-deelnemers, met veroordeling van ING/NN om een dergelijke koopsom alsnog ter beschikking te stellen dan wel de schade van de EP-deelnemers te vergoeden.

3. De Stichting legt aan haar vorderingen ten grondslag dat ING/NN toezeggingen heeft gedaan en consistent beleid heeft gevoerd over gelijke indexering voor PFI-deelnemers en EP-deelnemers. In 2023 en 2024 heeft zij in strijd daarmee gehandeld en dat zal recht gezet moeten worden.

4. ING/NN voert verweer tegen de vorderingen. Op dat verweer zal bij de beoordeling, voor zover van belang, nader worden ingegaan.

beoordeling

Kern van het geschil

5. De kernvraag die partijen verdeeld houdt is of de EP-deelnemers ieder jaar een gelijke indexering moeten krijgen als de PFI-deelnemers. Naar het oordeel van de kantonrechter is ING/NN tot een dergelijke gelijke behandeling niet verplicht. Dat wordt hierna toegelicht.

Wijziging indexeringsregeling?

6. Anders dan de Stichting naar voren heeft gebracht is de indexeringsregeling voor EP-deelnemers in de periode vanaf 2002 inhoudelijk niet veranderd, dat is althans onvoldoende onderbouwd. Er is altijd een voorwaardelijke indexering geweest met een maximum van 3% en dat maximum kan buiten toepassing gelaten worden. Voor de PFI-deelnemers is de regeling wel veranderd, doordat vanaf 1 januari 2015 een mogelijkheid van aanvullende indexering is opgenomen, wat per saldo betekent dat ook daar het maximum van 3% buiten toepassing kan worden gelaten. Een verbetering voor de PFI-deelnemers is echter niet hetzelfde als een verslechtering voor de EP-deelnemers. Voor zover de Stichting zich er op heeft beroepen dat zonder instemming aanpassingen van de indexeringsregeling zijn doorgevoerd wordt dat standpunt dan ook verworpen.

7. ING/NN heeft de EP-regeling zoals deze op papier staat nageleefd, iets anders is door de Stichting ook niet bepleit. Dit geldt ook voor de jaren 2023 en 2024, waar de discussie in het bijzonder op ziet. In 2023 is het maximum van 3% toegepast bij een CPI van 16,98%. Dat van de uitzonderingsmogelijkheid geen gebruik is gemaakt maakt niet dat de EP-regeling niet is nageleefd, de Stichting heeft dat ook niet gesteld. In 2024 was de CPI -1,98, zodat volgens de letter van de regeling in het geheel geen verplichting tot indexering bestond. Een beroep op de uitzonderingsmogelijkheid kwam niet in beeld, deze ziet immers enkel op een afwijking van het maximum van 3%. De indexering van 0% is dan ook conform de EP-regeling.

Bindende toezeggingen, consistent beleid?

8. Er is ook niet gebleken van bindende toezeggingen van ING/NN die er op neer komen dat voor PFI-deelnemers en EP-deelnemers altijd gelijk geïndexeerd zal worden. ING/NN heeft in de periode dat zij de indexering van beide pensioenregelingen financierde wel kenbaar gemaakt dat het haar beleid was een eventueel beroep op zwaarwegende redenen voor beide indexeringsregelingen gelijk te doen. Vanaf 2015 is echter een nieuwe situatie ontstaan. Vanaf dat moment ging PFI voort als zelfstandig pensioenfonds, dat – kort gezegd – voor indexering gebonden was aan haar dekkingsgraad. ING/NN bleef vanaf dat moment als verzekeraar enkel verantwoordelijk voor de pensioenen onder de EP-regeling, waarbij zij de indexering uit haar algemene middelen moest financieren. De deelnemers aan de EP-regeling mochten er onder die omstandigheden in redelijkheid niet op vertrouwen dat besluiten over indexering in de toekomst hetzelfde zouden zijn als voor deelnemers aan de PFI-regeling.

9. Voor zover de Stichting zich er op heeft beroepen dat alle gepensioneerden van ING/NN sowieso een gelijke indexering moeten krijgen wordt dat niet gevolgd. ING/NN heeft onbetwist aangevoerd dat de twee regelingen ook op diverse andere onderdelen verschillen (in voor EP-deelnemers gunstige zin). Niet valt dan in te zien op grond waarvan een verplichting zou bestaan enkel op het punt van de indexering alle gepensioneerden gelijk te behandelen.

10. Vanaf 2015 tot en met 2021 is voor beide regelingen jaarlijks geïndexeerd overeenkomstig de in beide regelingen genoemde CPI voor oktober. Weliswaar is in beide regelingen opgenomen dat het een “streven” is voornoemde CPI te volgen, maar tussen partijen staat niet ter discussie dat hier voor beide regelingen alleen bij zwaarwegende redenen van kan worden afgeweken. In zoverre is van een (beleidsmatige) keuze dus geen sprake. Voor 2022 lag de CPI hoger dan 3% en voor dat jaar is voor beide regelingen het opgenomen maximum van 3% toegepast. Voor al die jaren is dus geen afwijkend besluit genomen door PFI respectievelijk ING/NN en deelnemers van de EP-regeling hebben aan deze indexeringen dus ook geen verwachtingen kunnen ontlenen. Van consistent beleid kan evenmin worden gesproken, er is immers geen gebruik gemaakt van beleidsruimte.

11. Voor 2023 en 2024 heeft ING/NN in eerste instantie conform de indexeringsregeling geïndexeerd, dus zonder gebruik te maken van de uitzonderingsmogelijkheid. Na discussie heeft zij de indexering over 2023 van 3 naar 6% verhoogd. PFI heeft voor 2023 en 2024 vanwege haar hoge dekkingsgraad meteen aanvullend geïndexeerd. Deze verschillende manier van indexeren kan worden verklaard door de verschillende manier van financiering. PFI had een zeer hoge dekkingsgraad en ING/NN heeft ter zitting toegelicht dat zij na onder meer de coronaperiode en stakingen een andere keuze heeft gemaakt. Het was voorafgaand aan 2023 niet eerder voorgekomen dat voor één van beide regelingen was besloten een hogere indexering dan 3% toe te passen, zodat ook in zoverre bij EP-deelnemers geen verwachtingen konden zijn gewekt. ING/NN wijst er daarbij terecht op dat de regeling over al dan niet indexeren tòt 3% een andere is dan de regeling over indexering bóven 3%, in afwijking van dit maximum.

12. Gezien het voorgaande stond het ING/NN vrij een andere indexering te hanteren dan PFI had gedaan.

Conclusie

13. De vorderingen van de Stichting zijn niet toewijsbaar, ook niet op de subsidiaire grond nu ook die de verplichting tot gelijke behandeling tot uitgangspunt neemt.

13. Bij die stand van zaken kan in het midden blijven in hoeverre de Stichting optreedt namens meer dan de vier door ING/NN erkende lastgevers.

13. Nu de Stichting in het ongelijk wordt gesteld, zal zij in de proceskosten worden veroordeeld.

BESLISSING

De kantonrechter:

wijst het gevorderde af;

veroordeelt de Stichting in de proceskosten, tot vandaag aan de kant van ING/NN begroot op € 3.465,00 (3 punten*€ 1.155,00) aan salaris gemachtigde, voor zover van toepassing inclusief btw;

veroordeelt de Stichting in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 144,00 aan salaris gemachtigde, voor zover van toepassing inclusief btw;

verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. C.W. Inden, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 9 oktober 2026 in tegenwoordigheid van de griffier.

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.