Uitspraak · Civiel recht
Rechtbank Amsterdam, 2 oktober 2026
ECLI:NL:RBAMS:2026:9856Zaaknummer 12164276
- Instantie
- Rechtbank Amsterdam
- Datum uitspraak
- 2 oktober 2026
- Publicatiedatum
- 19 oktober 2026
- Zaaknummer
- 12164276
- Rechtsgebied
- Civiel recht
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudig, Proceskostenveroordeling, Beschikking
- Zittingsplaats
- Amsterdam
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
Luchtvaart, Verdrag van Montreal, passagier mist aansluitende treinverbinding na vertraging vlucht, buitengewone omstandigheid niet onderbouwd, kosten hotelovernachting, schatting kosten, aansluiting Hosta rapport
BESLISSING
De kantonrechter:
veroordeelt de vervoerder tot betaling aan de passagier van:a. € 164,20 aan hoofdsom;
veroordeelt de vervoerder tot betaling aan de passagier van de proceskosten, bestaande uit € 93,00 aan griffierecht;
veroordeelt de vervoerder tot betaling van de kosten van betekening van deze beschikking indien de vervoerder niet binnen 14 dagen na aanschrijving daartoe aan de veroordelingen onder I voldoet en de beschikking daarna wordt betekend;
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mr. E. Pennink, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 2 oktober 2026.
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
RECHTBANK AMSTERDAM
Afdeling privaatrecht
zaaknummer: 12164276 CV FORM 26-4861
beschikking van: 2 oktober 2026
func.: 569
beschikking van de kantonrechter
I n z a k e
[verzoekster]
wonende te [woonplaats], België
verzoekster
nader te noemen: de passagier
procederend in persoon
t e g e n
de naamloze vennootschap Koninklijke Luchtvaart Maatschappij N.V. gevestigd te Amstelveen
verweerster
nader te noemen: de vervoerder
gemachtigden: mrs. R.L.S.M. Pessers en Baboobal.
De procedure
In het kader van de Europese procedure voor geringe vorderingen (Verordening (EG) nr. 861/2007, hierna: EPGV-Verordening) heeft de passagier door middel van het Vorderingsformulier A als bedoeld in artikel 4 lid 1 EPGV-Verordening een vordering ingesteld, door de rechtbank ontvangen op 11 april 2026. Vervolgens zijn ingediend:- een verweer van de vervoerder - een akte van de passagier met producties
- een antwoordakte van de vervoerder met ingekopieerde producties
- een akte met producties, tevens akte uitlating ingekopieerde producties van de zijde van de passagier. Vervolgens is beschikking bepaald. De kantonrechter heeft nadien besloten om de verweerder in de gelegenheid te stellen te reageren op de door de verzoeker ingebrachte producties. De verzoeker heeft vervolgens een akte uitlating producties in het geding gebracht. De verzoeker heeft nog stukken in het geding gebracht. Deze laatste stukken zijn buiten beschouwing gelaten. Tot slot is beschikking bepaald.
De feiten
De passagier heeft met de vervoerder een overeenkomst gesloten waarbij de vervoerder de passagier op 3 januari 2026 zou vervoeren van [plaats 1] naar [plaats 2] met vlucht [vluchtnummer] met aankomsttijd te [vliegveld] om 14:45 uur (Local Time (LT), alle opvolgende tijden hierna zijn LT, kantonrechter). De passagier is wegens vertraging gearriveerd op 3 januari 2026 om 20:45 uur.
De passagier had tevens een boeking bij Eurostar voor een treinreis vanaf [plaats 2] naar [plaats 3] op 3 januari 2026 met vertrek om 17:27 uur en aankomst om 19:06 uur. Wegens de vertraging heeft de passagier eerst de boeking verzet naar vertrek om 18:27 uur en aankomst om 20:06 uur en tot slot vertrek op 4 januari 2026 om 07:27 uur en aankomst om 09:06 uur. De passagier heeft laatstgenoemde treinreis gemaakt.
De passagier heeft na aankomst te [vliegveld] de trein naar [plaats 2] genomen en heeft daarvoor in totaal € 14,20 betaald. Vervolgens heeft hij overnacht in het nabijgelegen hotel [hotelnaam]. De kosten daarvan bedroegen € 354,49. Het totaalbedrag van € 368,69 heeft hij gevorderd van de vervoerder.
De vervoerder heeft geweigerd deze kosten te voldoen.
In een (in het Pools gedateerde) e-mail van de klantenservice van de treinvervoerder Eurostar aan de passagier is meegedeeld:‘I can advise that the last train between [plaats 2] and [plaats 3] on 03/01/2026 was the 18:10 departure.’
Vordering en verweer
2. De passagierverzoekt veroordeling van de vervoerder tot betaling van:a. € 368,69 aan hoofdsom;b. de proceskosten.
3. De passagier stelt daartoe – kort gezegd – dat hij recht heeft op compensatie wegens de vertraging voor de door hem gemaakte kosten op grond van de Verordening 261/2004. Uit een andere vlucht, van die dag van [plaats 1] naar [plaats 3] die wel tijdig is gearriveerd volgt dat er geen sprake was van slechte weersomstandigheden op het traject [plaats 1]. De passagier kon pas de volgende dag reizen naar [plaats 3]. Dit wordt bevestigd door de historische treinposities en vertrekstaten voor 3 januari 2026 als opgenomen op de website [internetsite]. De passagier was genoodzaakt in [plaats 2] te overnachten. Hij heeft dit hotel geboekt omdat het dicht bij het treinstation lag en hij de volgende dag vroeg verder diende te reizen.
4. De vervoerder verweert zich tegen de vordering en voert – kort gezegd – aan dat de kosten niet kunnen worden gevorderd voor zover daarvoor artikelen van de Verordening 261/2004 aan ten grondslag worden gelegd. [vliegveld] was de eindbestemming. De gevorderde kosten vallen daardoor niet onder het kostenbegrip als opgenomen in artikel 9. De vervoerder voert aan dat er sprake was van buitengewone omstandigheden en dat de vlucht waar de passagier aan refereert, gelet op een andere eindbestemming, geen bewijs is voor de stelling van de passagier dat er geen sprake was van slechte weersomstandigheden. Nu de vorderingen van de passagier enkel zien op hotel en treinkosten acht de vervoerder bespreking van de vertragingsoorzaken irrelevant en laat deze buiten beschouwing. Voorts komt de passagier geen beroep toe op het Verdrag van Montreal omdat de vervoerder niet aansprakelijk is voor opvolgend vervoer dat buiten de vervoersovereenkomst valt (artikel 36 jo 38). Daarbij komt dat de passagier diezelfde dag de trein had kunnen nemen richting [plaats 3] door middel van de trein met vertrek om 21:41 uur (met vertrekvertraging 3 min) naar [plaats 4] en aansluitend de trein naar [plaats 3] van 22:11 (vertrekvertraging 1 minuut), zo volgt uit de door de passagier aangehaalde website. Tot slot zijn de kosten niet redelijk, passend en noodzakelijk. Er waren reeds hotelkamers in [plaats 2] beschikbaar vanaf € 31,00 (hostel) en privékamers van € 115,00 per nacht op 3 januari 2026.
5. De stellingen en verweren van partijen komen voor zover van belang bij de beoordeling aan de orde.
Beoordeling
Verdrag van Montreal
‘Artikel 19 De vervoerder is aansprakelijk voor de schade voortvloeiend uit vertraging in het luchtvervoer van passagiers, bagage of goederen. De vervoerder is echter niet aansprakelijk voor de schade voortvloeiend uit vertraging indien hij bewijst dat hij en zijn hulppersonen alle maatregelen hebben genomen die redelijkerwijs gevergd konden worden om de schade te vermijden, of dat het hun onmogelijk was dergelijke maatregelen te nemen.
Artikel 38
1. In geval van gecombineerd vervoer, dat wordt verricht gedeeltelijk door de lucht en gedeeltelijk met enig ander middel van vervoer, zijn de bepalingen van dit Verdrag, behoudens artikel 18, vierde lid, enkel van toepassing op het luchtvervoer en dat slechts indien dit aan de voorwaarden van artikel 1 beantwoordt.’
Rechtsmacht en bevoegdheid kantonrechter
6. De kantonrechter stelt vast dat de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft en dat hij bevoegd is van de vordering kennis te nemen, zowel op grond van de Verordening als het Verdrag van Montreal, omdat de vervoerder woonplaats heeft binnen het arrondissement van de rechtbank Amsterdam.
Verordening 261/2004
7. Het verweer van de vervoerder voor zover het betreft Verordening 261/2004 treft doel. Niet in geschil is dat partijen enkel zijn overeengekomen dat de vervoerder de passagier zou vervoeren van [plaats 1] naar [vliegveld] en dat [vliegveld] de eindbestemming was ter zake van het luchtvervoer. De passagier is op dezelfde dag als de geplande vluchtdatum vervoerd. In dat geval komt de passagier geen beroep toe op artikel 9 van de Verordening op grond waarvan de vervoerder verplicht is om zorg te verlenen in de vorm van het aanbieden van een hotelaccommodatie.
Verdrag van Montreal
8. Voorts staat het de kantonrechter vrij om ambtshalve rechtsgronden aan te vullen, in casu het Verdrag van Montreal (VvM) dat in het leven is geroepen om onder meer tegemoet te komen aan individuele schade van passagiers. Art 36 en artikel 38 waar de vervoerder naar verwijst zijn niet op deze situatie van toepassing. Artikel 36 heeft betrekking op meerdere vervoerders ter zake van luchtvaart en de te verdelen aansprakelijkheid, hetgeen hier niet aan de orde is. Ter zake van artikel 38 geldt dat de vervoerder in beginsel inderdaad niet verantwoordelijk is voor opvolgend vervoer bij gecombineerd vervoer als bedoeld in dat artikel maar dat betreft de aansprakelijkheid die ontstaat op het deel van het vervoer dat niet onder het toezicht van die vervoerder is verricht. In dit geval betreft het de aansprakelijkheid die is ontstaan op het deel van het vervoer waar de vervoerder toezicht op had en waarvoor hij aansprakelijk is. De vertraging die is ontstaan tijdens vlucht [vluchtnummer] heeft immers geleid tot schade aan de zijde van de passagier.
9. Artikel 19 van het VvM brengt geen beperking aan ter zake van het schadebegrip in die zin dat schade daarvan uitgesloten zou zijn, zoals schade wegens het missen van opvolgend vervoer. Indien bijvoorbeeld een huurauto niet kan worden opgehaald wegens genoemde vertraging dan komt deze schade in beginsel voor rekening van de vervoerder. Er is geen reden om daarvan af te wijken bij schade die is ontstaan omdat het opvolgend vervoer in de vorm van een treinreis geen doorgang kon vinden wegens het handelen van de vervoerder, tenzij hij alle redelijke maatregelen heeft getroffen als bedoeld in artikel 19 VvM. De vervoerder heeft enkel gesteld daaraan voldaan te hebben door de passagier diezelfde dag naar [vliegveld] te vervoeren. De vervoerder heeft zijn verweer op dit punt niet onderbouwd en ook niet willen onderbouwen zodat de kantonrechter het verweer, gelet op de betwisting van de zijde van de passagier, passeert. Dat betekent dat de vervoerder aansprakelijk is voor de door de passagier geleden schade ten gevolge van de vertraging als bedoeld in artikel 19 VvM.
Redelijk alternatief
10. De passagier heeft de treinreis tweemaal herboekt naar aanleiding van de vertraging. Niet in geschil is dat de laatste trein vanaf [plaats 2] naar [plaats 3] vertrokken is om 18:10 uur. De passagier had een bevestigde boeking voor een trein die daarvoor vertrok. Zonder vertraging had hij die trein gehaald. Het door de vervoerder aangedragen alternatief is geen redelijk alternatief. De vervoerder laat na te onderbouwen hoe laat de trein van [plaats 2] [vliegveld] is gearriveerd te [plaats 4]. Daarbij moet er nog een redelijke overstaptijd in acht worden genomen. De tijd tussen het vertrek van de trein van [vliegveld] en het vertrek van de trein naar [plaats 3] bedraagt 28 minuten. Zonder nadere onderbouwing is gelet op de afstand tussen de steden niet zondermeer aan te nemen dat dit een redelijk alternatief is geweest voor de passagier.
Schade
11. De kosten dienen redelijk, passend en noodzakelijk te zijn. Dat is naar het oordeel van de kantonrechter niet het geval. De hotelkosten bedragen € 354,49 voor een vier sterren hotel. Dat het hotel naast het station ligt zal gemakkelijk zijn geweest maar is niet noodzakelijk gelet op de grootte van de stad, de ligging van het station, de in de omgeving beschikbare hotels en het openbaar vervoer dan wel taxivervoer vanuit de stad naar het station. De kantonrechter gaat er echter ook niet vanuit dat € 31,00 een redelijke prijs is. De kantonrechter zal het bedrag schatten op € 150,00. De gemiddelde prijs voor een overnachting in [plaats 2] / [vliegveld] in een drie, vier of vijf sterren hotel bedraagt € 178,00 per nacht in 2026, zo volgt uit het Hosta rapport 2026. Dit is een rapport dat jaarlijks uitkomt naar aanleiding van onderzoek van adviesbureau Horwath HTL naar het hotelwezen onder meer in Nederland. De kantonrechter zoekt daarbij aansluiting en verlaagt het bedrag tot € 150,00 omdat de prijs van de hotels met een classificatie van minder dan drie sterren niet daarin is meegenomen.
11. Tot slot heeft de kantonrechter geconstateerd dat de passagier samen heeft gereisd met mevrouw [naam]. De vervoerder heeft geen verweer op dit punt gevoerd. De kantonrechter ziet geen aanleiding om het schadebedrag te verminderen mede nu onweersproken is gebleven dat de passagier de kosten heeft voldaan, de hotelfactuur op zijn naam is gezet en er voor de vervoerder geen verdere nadeel uit voortvloeit omdat mevrouw [naam] gelet op het voorgaande eveneens recht heeft op haar deel van de schade, indien zij heeft bijgedragen aan de kosten. Dit betekent wel dat mevrouw [naam] geen verdere aanspraak meer kan maken ter zake van deze schade.
Proceskosten
13. Bij deze uitkomst wordt de vervoerder veroordeeld in de proceskosten als hierna te melden. De passagier procedeert in persoon. Er heeft geen mondelinge behandeling plaatsgevonden zodat er geen reiskosten dan wel verletkosten zijn gemaakt. Dat betekent dat enkel het griffierecht toewijsbaar is. De nakosten zijn toewijsbaar als hierna te melden. Er is geen aanleiding om, zoals door de vervoerder verzocht, hiervan af te wijken.
Waarmerking
14. De passagierheeft verzocht om een certificaat van de beslissing te verstrekken in het Engels en in het Pools. Dat verzoek is toewijsbaar. De rechtbank zal daarom het in artikel 20 lid 2 van de EPGV-Verordening voorgeschreven certificaat afgeven. Deze wordt met de beschikking meegezonden.
BESLISSING
De kantonrechter:
veroordeelt de vervoerder tot betaling aan de passagier van:a. € 164,20 aan hoofdsom;
veroordeelt de vervoerder tot betaling aan de passagier van de proceskosten, bestaande uit € 93,00 aan griffierecht;
veroordeelt de vervoerder tot betaling van de kosten van betekening van deze beschikking indien de vervoerder niet binnen 14 dagen na aanschrijving daartoe aan de veroordelingen onder I voldoet en de beschikking daarna wordt betekend;
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mr. E. Pennink, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 2 oktober 2026.
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.