Uitspraak · Personen- en familierecht

Rechtbank Amsterdam, 18 september 2026

ECLI:NL:RBAMS:2026:9756Zaaknummer C/13/793025 / JE RK 26-744 en C/13/793019 / JE RK 26-741 en C/13/793022 / JE RK 26-742 en C/13/792142 JE RK 26-680

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
18 september 2026
Publicatiedatum
6 oktober 2026
Zaaknummer
C/13/793025 / JE RK 26-744 en C/13/793019 / JE RK 26-741 en C/13/793022 / JE RK 26-742 en C/13/792142 JE RK 26-680
Rechtsgebied
Civiel recht, Personen- en familierecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig, Rekestprocedure, Beschikking
Zittingsplaats
Amsterdam
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Over een verlenging van de ondertoezichtstelling, een wijziging van de zorgregeling en het vervallen verklaren van een schriftelijke aanwijzing.

6 De beslissing

De kinderrechter:

6.1.

verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1], [minderjarige 2] en [minderjarige 3] voor de duur van negen maanden, te weten met ingang van 11 oktober 2026 tot 11 juli 2027;

6.2.

wijzigt de zorgregeling, die is vastgesteld bij beschikking van 3 juni 2025 van het gerechtshof Amsterdam, vanaf heden voor de duur van de gezinsopname in de kliniek in [plaats 1], te weten uiterlijk tot 30 oktober 2026 dan wel zo veel eerder als dat de gezinsopname duurt, zodat deze er als volgt uit komt te zien:

“de kinderen zijn voor de duur van de opname in de gezinskliniek in [plaats 1] doordeweeks met de moeder in die gezinskliniek en steeds het ene weekend bij de vader en het andere weekend bij de moeder.”

Zodra de opname in de gezinskliniek is afgelopen hervat de zorgregeling zoals deze bij beschikking van 3 juni 2025 door het gerechtshof Amsterdam is vastgesteld;

6.3.

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

6.4.

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 18 september 2026 door mr. A. van Luijck, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. M.M. Saruhan als griffier, en op schrift gesteld op 29 september 2026. De griffier is buiten staat deze beschikking mede te ondertekenen.

Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:

  • door de verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.

Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend bij de griffie van het gerechtshof te Amsterdam.

Bijlage 1 – brief aan [minderjarige 1]

Beste [minderjarige 1],

Woensdag hadden wij een gesprekje op de rechtbank. Jij vertelde mij toen dat je niet meer naar de gezinskliniek wil want je voelt je daar niet fijn en vind het op een gevangenis lijken.

Ik heb gisteren met je ouders en de jeugdbescherming gepraat erover. En daarna heb ik goed nagedacht en een beslissing genomen.

Ik snap heel goed dat jij niet naar de kliniek wil en liever gewoon thuis bent en naar je eigen school gaat.

Toch vind ik het wel belangrijk dat je nu nog terug naar de kliniek gaat voor een aantal weken. De bedoeling van de kliniek is niet dat jij je slechter gaat voelen. Ze willen juist helpen om te zorgen dat iedereen (jij, je broertje en zusje en je moeder) zich beter gaat voelen en er ook minder ruzies zijn als jullie daarna weer thuis zijn. Dat betekent dat je doordeweeks met je moeder, broertje en zusje in de kliniek bent. In het weekend ben je dan thuis, het ene weekend ga je naar je moeders huis en het andere weekend naar je vaders huis. De kliniek is voor maximaal zes weken en dan kan je daarna weer naar je eigen school, want ik snap goed dat je dat het allerfijnste vindt.

Ik hoop dat dat lukt, want het is echt belangrijk. Je vader en moeder zijn er voor je om jou te helpen en staan voor je klaar!

Groetjes, de kinderrechter.

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. 1 Het (verdere) verloop van de procedure
  2. 2 De feiten
  3. 3 Het verzoek
  4. 4 De standpunten
  5. 5 De beoordeling
  6. 6 De beslissing

RECHTBANK AMSTERDAM

Familie- en Jeugdrecht

Zaaknummers:

C/13/793025 / JE RK 26-744 (gezagsuitoefening)C/13/793019 / JE RK 26-741 (wijzigen zorgregeling)C/13/793022 / JE RK 26-742 (verlenging ondertoezichtstelling)

C/13/792142 / JE RK 26-680 (vervallen verklaren schriftelijke aanwijzing).

Datum uitspraak: 18 september 2026

Beschikking van de kinderrechter

In de zaken met kenmerk C/13/793019 / JE RK 26-741 en C/13/793025 / JE RK 26-744 en C/13/793022 / JE RK 26-742 van

Jeugdbescherming Regio Amsterdam, gevestigd te Amsterdam, hierna te noemen JBRA,

over

[minderjarige 1], geboren op [geboortedag 1] 2014 in [geboorteplaats 1], hierna te noemen [minderjarige 1], en

[minderjarige 2], geboren op [geboortedag 2] 2016 in [geboorteplaats 2], hierna te noemen [minderjarige 2], en

[minderjarige 3], geboren op [geboortedag 3] 2020 in [geboorteplaats 3], hierna te noemen [minderjarige 3],

Hierna ook samen te noemen de kinderen.

De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:

[de moeder], hierna te noemen de moeder, wonende in [woonplaats 1],

Bijgestaan door advocaat mr. C.J. Forder uit Amsterdam,

en

[de vader], hierna te noemen de vader, wonende in [woonplaats 2],

Bijgestaan door advocaat mr. G.M. Haring uit Amsterdam.

In de zaken met kenmerk C/13/792142 / JE RK 26-680 van

[de vader], hierna te noemen de vader, wonende in [woonplaats 2],

Bijgestaan door advocaat mr. G.M. Haring uit Amsterdam.

De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan: JBRA en de moeder.

1 Het (verdere) verloop van de procedure

1.1.

Bij beschikking van 28 augustus 2026 heeft de kinderrechter het (spoed)verzoek van JBRA over het wijzigen van de zorgregeling en de gedeeltelijke gezagsuitoefening, zonder voorafgaande behandeling ter zitting, afgewezen. De verzoeken zijn aangehouden tot de zitting van 17 september 2026.

1.2.

De kinderrechter heeft kennis genomen van de volgende stukken:

- het verzoekschrift van JBRA tot verlenging van de ondertoezichtstelling van 25 augustus 2026, ingekomen op 28 augustus 2026;

- het (spoed)verzoekschrift van JBRA tot gedeeltelijke gezagsuitoefening van 28 augustus 2026, ingekomen op diezelfde datum;

- het (spoed)verzoekschrift van JBRA tot wijziging van de zorgverdeling van 20 augustus 2026, ingekomen op 28 augustus 2026;

- het verzoekschrift van de vader tot vervallenverklaring van de schriftelijke aanwijzing van 6 augustus 2026, ingekomen op diezelfde datum;

- een bericht van JBRA over de intrekking van het verzoek tot gedeeltelijke gezagsuitoefening, ingekomen op 16 september 2026.

1.3.

De mondelinge behandeling met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 17 september 2026. Daarbij waren aanwezig:

- de vader bijgestaan door zijn advocaat;

- de moeder bijgestaan door haar advocaat;

- [naam 1] als vertegenwoordiger van JBRA.

1.4.

[minderjarige 2] en [minderjarige 1] zijn in de gelegenheid gesteld om hun mening kenbaar te maken. Zij hebben een gesprek gehad met de kinderrechter. De kinderrechter heeft tijdens de mondelinge behandeling samengevat wat [minderjarige 2] en [minderjarige 1] hebben verteld, zodat de aanwezigen daarvan kennis hebben kunnen nemen.

2 De feiten

2.1.

De ouders zijn gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag over de kinderen.

2.2.

De kinderen hebben hun hoofdverblijfplaats bij de moeder.

2.3.

De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 11 oktober 2023 [minderjarige 1], [minderjarige 2] en [minderjarige 3] onder toezicht gesteld tot 11 oktober 2024. De ondertoezichtstelling is daarna elke verlengd, voor het laatst bij beschikking van 8 oktober 2025, tot 11 oktober 2026.

2.4.

Bij beschikking van 3 juni 2025 van het gerechtshof Amsterdam is de volgende zorgregeling vastgesteld, zodra de moeder over schikte woonruimte beschikt:

“(…) bepaalt de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken tot het moment dat de moeder een geschikte woning voor drie kinderen heeft, als volgt:

- van maandag na school tot woensdag naar school verblijven de kinderen bij de moeder;

- van woensdag na school tot donderdag naar school verblijven de kinderen bij de vader;

- van donderdag na school tot maandag naar school om de week bij de moeder en de andere week bij de vader;

- de vakanties worden in overleg tussen de ouders 50/50 verdeeld, zo nodig met behulp van de GI;

- er is één contactmoment (bellen of appen) met de kinderen voor de vader op zondagmiddag,

- en één voor de moeder op vrijdagavond of zaterdagochtend, indien de kinderen op dat moment bij de andere ouder verblijven; (…)”

2.5.

Bij beschikking van deze rechtbank van 17 juli 2025 is vervangende toestemming aan JBRA verleend voor een medische behandeling, te weten opname van de kinderen en de moeder en waar nodig van de vader in de gezinskliniek in [plaats 1]. Voornoemde beschikking is door het gerechtshof Amsterdam bekrachtigd bij beschikking van 16 december 2025.

2.6.

JBRA heeft de vader op 23 juli 2026 een schriftelijke aanwijzing gezonden. Daarin stond:

“ U brengt [minderjarige 1] op zondag 26 juli uiterlijk om 12 uur naar moeder in

[plaats 2] of op maandag 27 juli uiterlijk om 13 uur naar de GGZ kliniek in

[plaats 1]. Daarnaast houdt u zich aan het weekendschema, inhoudende dat de kinderen afwisselend een weekend bij u of een weekend bij moeder verblijven. In het weekend van 25 juli verblijven de kinderen bij moeder. In de weekenden dat de kinderen bij u verblijven, brengt u de kinderen zondagmiddag rond 12 uur

terug naar moeder zodat moeder op maandag weer met de kinderen naar de

kliniek kan reizen. Als [minderjarige 1] tijdens een weekend waarop hij bij moeder zou

moeten zijn, toch bij u verblijft, brengt u hem uiterlijk zondagmiddag 12 uur terug bij moeder zodat moeder op zondagmiddag met alle kinderen terug naar de kliniek kan reizen. Als [minderjarige 1] om wat voor reden dan ook op zondag niet met moeder naar de kliniek terugreist/teruggereisd is, brengt u hem die maandag zelf naar de kliniek. Deze schriftelijke aanwijzing geldt zolang de gezinsopname duurt."

3 Het verzoek

Gedeeltelijke gezagsuitoefening (C/13/793025):

3.1.

JBRA heeft het verzoek tot gedeeltelijke gezagsuitoefening, namelijk voor zover het de aanmelding van de kinderen bij een onderwijsinstelling betreft, ingetrokken.

Wijziging zorgregeling (C/13/793019):

3.2.

JBRA verzoekt de kinderrechter de zorgregeling als volgt te wijzigen in die zin dat al het contact tussen de kinderen en de vader wordt opgeschort totdat de gezinsopname is afgerond per 30 oktober 2026. JBRA verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

Verlenging OTS (C/13/793022):

3.3.

JBRA verzoek de ondertoezichtstelling van de kinderen te verlengen voor de duur van één jaar en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

Vervallenverklaring schriftelijke aanwijzing (C/13/792142):

3.4.

De vader verzoekt de door JBRA aan hem gegeven schriftelijke aanwijzing van 23 juli 2026 vervallen te verklaren en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

4 De standpunten

JBRA

4.1.

Ter onderbouwing van het verzoek tot wijziging van de zorgregeling voert JBRA het volgende aan. De geldende zorgregeling kan tijdens de gezinsopname niet worden uitgevoerd. De situatie is nu zo dat de moeder in de weekenden op vrijdagavond van [plaats 1] naar [plaats 2] rijdt en op zondagavond weer terugrijdt naar [plaats 1]. Afgesproken is dat de kinderen om het weekend bij de vader of bij de moeder verblijven. Sinds de gezinsopname is gestart, is [minderjarige 1] meermaals niet met de moeder mee teruggegaan naar [plaats 1] in de weekenden dat hij bij de vader verbleef. De vader geeft aan dat [minderjarige 1] niet wilde terugkeren. Inmiddels heeft de kliniek aan de gezinsmanager laten weten dat de veelvuldige afwezigheid van [minderjarige 1] de kans van slagen van de behandeling fors belemmert. Als [minderjarige 1] aanwezig is in de kliniek, is er goed contact met hem te leggen en werkt hij mee aan de behandeling. Hij is echter vaak afwezig, soms enkele weken achtereen. De kliniek heeft het idee dat [minderjarige 1] zich verplicht voelt om het standpunt van vader te vertegenwoordigen en daarom niet komt. De kliniek geeft aan momenteel nog slechts twee mogelijkheden te zien om de behandelcontext voldoende stabiel en voorspelbaar te maken: óf [minderjarige 1] heeft tijdelijk geen contact met zijn vader, óf [minderjarige 1] groeit op bij zijn vader. Beide scenario’s dienen te worden beoordeeld op de mate waarin zij bijdragen aan een veilige en ontwikkeling bevorderende omgeving van [minderjarige 1]. Op maandag 24 augustus 2026 vond een evaluatie van de behandeling plaats. De kinderen waren niet in de kliniek aanwezig, de bespreking vond plaats met de kliniek, de moeder en de gezinsmanager. Tijdens dit gesprek werd besproken dat het wenselijk zou zijn als het contact tussen alle drie de kinderen en de vader zou worden stilgelegd voor de resterende duur van de gezinsopname. Door alleen het contact tussen [minderjarige 1] en de vader stil te leggen, worden [minderjarige 2] en [minderjarige 3] in een onmogelijke loyalititeitspositie gebracht. JBRA is van mening dat het in het belang van de behandeling van dit gezin noodzakelijk is dat het contact tussen de kinderen en hun vader wordt stilgelegd, inclusief appen en bellen, voor de resterende duur van de gezinsopname. De gezinsopname duurt in principe 16 weken met een mogelijke verlenging tot 20 weken. De geplande einddatum is 2 oktober 2026 en in geval van verlenging 30 oktober 2026. De kliniek heeft aangegeven dat de deelname van alle kinderen essentieel is om de behandeling te bieden die noodzakelijk wordt geacht. Het volledig blokkeren van het contact van de kinderen met hun vader is een drastische maatregel, maar JBRA is van mening dat deze maatregel niet buitensporig is, gelet op de korte duur waarvoor deze wordt verzocht als ook het grote belang van het slagen van de behandeling. De vader ondermijnt momenteel de opname door de kinderen bij hem thuis te houden. Na de opname zal JBRA het contact met vader weer opbouwen zoals ook is opgenomen in de huidige beschikking.

Wat betreft het verzoek tot de verlenging van de ondertoezichtstelling voert JBRA het volgende aan. De ontwikkelingsbedreigingen die eerder aanleiding gaven tot de ondertoezichtstelling zijn nog steeds aanwezig en bovendien is sprake van een verergering van de situatie. School heeft aangegeven dat zij zich zorgen maken over het gedrag van alle drie kinderen; het claimend gedrag van [minderjarige 3] richting volwassen, agressie van [minderjarige 1] en de verlorenheid van [minderjarige 2]. De vader heeft gedurende de afgelopen periode herhaaldelijk zorgen geuit over de opvoedsituatie bij de moeder, waaronder zorgen over de verzorging van de kinderen en de verdeling van aandacht binnen het gezin. Tegelijkertijd werkt de vader niet mee aan het intensieve hulpverleningstraject dat juist is ingezet om deze zorgen te onderzoeken en waar mogelijk weg te nemen. De vader probeert wellicht de kinderen te beschermen door hen zo min mogelijk bloot te stellen aan wisselingen door hen naar bijvoorbeeld dezelfde school te laten gaan in [plaats 2], maar door het handelen van de vader worden de kinderen geconfronteerd met voortdurende onduidelijkheid en loyaliteitsconflicten. Daarnaast bestaan er ernstige zorgen over de onderlinge veiligheid van de kinderen. Er hebben zich herhaaldelijk heftige conflicten tussen de kinderen voorgedaan. De kinderen hebben aangegeven zich niet altijd veilig te voelen in elkaars aanwezigheid. Daarbij zijn signalen ontvangen dat sprake is geweest van bedreigingen waarbij messen zijn genoemd. Gelet op het voorgaande is een verlenging van de ondertoezichtstelling noodzakelijk. De ontwikkeling van de kinderen wordt nog steeds ernstig bedreigd. De maatregel is noodzakelijk om de benodigde hulpverlening voort te zetten, de gezinsopname alsnog te laten slagen, zicht te krijgen op de gezinsdynamiek en de veiligheid en ontwikkeling van de kinderen te waarborgen.

Met betrekking tot het verzoek van de vader om de schriftelijke aanwijzing vervallen te verklaren, geeft JBRA aan dat aan de vader een schriftelijke aanwijzing is gegeven om ervoor te zorgen dat [minderjarige 1] door de week in de gezinskliniek in [plaats 1] is.

De moeder

4.2.

De moeder sluit zich aan bij hetgeen JBRA naar voren heeft gebracht. Zij kan zich vinden in de verzoeken van JBRA. De moeder wil dat de kinderen niet langer de gedragsproblemen hebben die zij op dit moment hebben en dat de kinderen graag naar haar toekomen. Zij is bereid hard te werken en accepteert de hulpverlening.

De vader

4.3.

De vader voert verweer tegen de verzoeken van JBRA en vraagt om die verzoeken af te wijzen. Niet is gebleken dat volledige opschorting van het contact tussen de vader en de kinderen in het belang van de kinderen noodzakelijk is. De kinderen hebben een bestaande, betekenisvolle relatie met de vader. De totale stop van het contact ziet vooral op het slagen van de gezinsopname. Onvoldoende is geprobeerd om dit op een juiste en minder ingrijpende manier te proberen. Het stopzetten van de omgang is een oneigenlijk middel om [minderjarige 1] te laten deelnemen aan de behandeling in [plaats 1]. Het stopzetten van de omgang lost ook niet op dat [minderjarige 1] naar de kliniek zal gaan of dat hij geen contact met de vader zal zoeken. [minderjarige 1] heeft in het verleden zelf de metro van de moeder naar het huis van de vader gepakt. De vader is daarnaast bang dat [minderjarige 1] het stopzetten van de zorgregeling als afwijzing van de vader zal ervaren. De vader stimuleert [minderjarige 1] om naar de moeder te gaan en heeft er ook aan bijgedragen dat [minderjarige 1] wel in de gezinskliniek is verschenen.

Ook voert de vader verweer tegen het verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling. Hij verzoekt primair tot afwijzing van het verzoek en subsidiair voor toewijzing voor de duur van zes maanden. De ondertoezichtstelling is schadelijk voor het gezin. De vader heeft zorgen met JBRA gedeeld over de schoolgang en verzorging van de kinderen als zij bij de moeder zijn. JBRA heeft hier niks mee gedaan. De vader begrijpt niet waarom opname in de kliniek noodzakelijk. Volgens hem kan de hulpverlening bij de moeder thuis worden ingezet.

Ter onderbouwing van het verzoek tot vervallenverklaring van de schriftelijke aanwijzing voert de vader het volgende aan. De vader is van mening dat de schriftelijke aanwijzing niet het doel van de ondertoezichtstelling dient en onnodig de band tussen de vader en kinderen verstoort. Vanaf de aanvang van de ondertoezichtstelling is JBRA op de stoel naast de moeder gaan zitten. De vader heeft zich verzet tegen de gezinsopname in de kliniek, maar hij heeft uiteindelijk meegewerkt, waarbij er besproken is dat er een plan zou komen voor school, omgang en logopedie. JBRA heeft hier een jaar de tijd voor gehad en heeft niets voorbereid. Uiteindelijk moest de gezinsopname halsoverkop vlak voor de vakantie gebeuren, omdat er plots een plek vrij kwam, terwijl er al vakantieplannen lagen. [minderjarige 1] zat bovendien in groep zeven en door de gezinsopname kon hij niet deelnemen aan de Cito-toetsen en mee op schoolkamp. Hij weigerde daarom naar de gezinskliniek te gaan. Dat was zijn eigen beslissing. Het kan ook niet zo zijn dat het uitsluitend aan de vader is om [minderjarige 1] te brengen naar een plek die hij structureel weigert. JBRA moet hierin haar rol pakken. Dat doen zij niet op de goede manier. Uiteindelijk heeft [minderjarige 1] ingestemd ook naar de kliniek te gaan, omdat de vader dit steeds met hem had besproken. Dit heeft tijd nodig gehad. Dat hij nu opnieuw niet naar de kliniek wil, valt de vader niet aan te rekenen. Er is geen enkele reden om de schriftelijke aanwijzing te geven. Het probleem wordt bij de vader neergelegd en dit is volledig ten onrechte.

5 De beoordeling

Gedeeltelijke gezagsuitoefening (C/13/793025):

5.1.

Over het verzoek tot gedeeltelijke gezagsuitoefening met betrekking tot de schoolgang van de kinderen hoeft de rechtbank geen beslissing meer te nemen, omdat het verzoek is ingetrokken.

Wijziging zorgregeling (C/13/793019):

5.2.

Voor de duur van de ondertoezichtstelling kan de kinderrechter op verzoek van de gecertificeerde instelling een verdeling van de zorg- en opvoedingstaken wijzigen voor zover dit in het belang van de minderjarige noodzakelijk is.[_4b8616dc-501d-4b3d-80f9-3cdfcc1ce6ba]

5.3.

Vooropgesteld wordt dat de kinderrechter de frustratie van de vader over de timing van de gezinsopname begrijpt. Na zeer geruime tijd op de wachtlijst te hebben gestaan, waarbij er steeds wisselende berichten waren over de plaatsing, kregen de ouders vlak voor de zomervakantie bericht dat de gezinsopname binnen een week ging plaatsvinden. Dat bericht heeft de vader overvallen. [minderjarige 1] had nog belangrijke dingen op school, zoals de Cito-toets en kamp. Ook moesten alle vakantieplannen worden afgezegd. De kinderrechter kan het gefrustreerde gevoel van de vader hierover wel plaatsen. Dit doet er echter niet aan af dat de gezinsopname nog steeds noodzakelijk is en aan de kinderrechter nu ook niet voorligt de noodzaak van de gezinsopname opnieuw te toetsen. De hoogste rechter heeft deze in het belang van de kinderen bevolen en die beslissing staat nog steeds. De behandeling in de kliniek is inmiddels gestart en het is van belang dat die wordt afgemaakt. De gezinsopname geldt bovendien voor alle kinderen en de gezinskliniek in [plaats 1] heeft ook expliciet aangegeven dat het noodzakelijk is dat [minderjarige 1] aanwezig is. De kinderrechter verwacht daarom dat [minderjarige 1] en de vader zich achter de gezinsopname gaan scharen en daaraan zullen meewerken. Hoewel [minderjarige 1] dan ruim een maand niet naar zijn eigen school kan, komt de schoolgang zelf niet in het gedrag, omdat [minderjarige 1] vanuit de kliniek ook naar een school kan.

5.4.

De kinderrechter vindt het, gezien het voorgaande, ook nodig om de zorgregeling voor de duur van de opname in de gezinskliniek in [plaats 1] te wijzigen, zodat de kinderen om het weekend bij de vader zijn en doordeweeks bij de moeder zijn in de gezinskliniek. De kinderrechter vindt het echter niet nodig om de zorgregeling op te schorten en het contact tussen de vader en de kinderen stop te zetten, zoals JBRA heeft verzocht. De kinderrechter legt hierna uit hoe zij tot deze beslissing is gekomen.

5.5.

Voor zover het verzoek ziet op [minderjarige 2] en [minderjarige 3] acht de kinderrechter dit te ingrijpend. Immers niet is gebleken dat het verblijf van [minderjarige 2] en [minderjarige 3] bij de vader tot problemen ten aanzien van de behandeling in de gezinskliniek leidt. De rechtbank begrijpt dat JBRA eenheid wil creëren door alle kinderen gelijk te behandelen, maar daar mogen [minderjarige 3] en [minderjarige 2] niet de dupe van zijn; zij verblijven graag bij hun vader. Het verzoek zal daarom voor wat betreft [minderjarige 2] en [minderjarige 3] worden afgewezen.

5.6.

Wat betreft [minderjarige 1] is de kinderrechter er niet van overtuigd geraakt dat het opschorten van de zorgregeling de weerstand van [minderjarige 1] zal opheffen en dat hij het contact met de vader zal vermijden. Het is de verwachting dat [minderjarige 1] het contact met de vader zelf weer zal opzoeken, omdat hij dat in het verleden ook heeft gedaan en hij vanuit zijn moeders huis gewoon naar de vader toe kan. Opschorting van de zorgregeling tussen de vader en [minderjarige 1] zal er dan ook naar verwachting niet toe leiden dat [minderjarige 1] geen contact meer heeft met de vader. De kinderrechter houdt er zelfs rekening mee dat het [minderjarige 1] juist extra zal belasten als hij geen contact meer mag hebben met zijn vader. Bovendien ziet de kinderrechter dat het de vader in het verleden ook is gelukt om [minderjarige 1] wel te stimuleren naar de kliniek te gaan, zodat de kinderrechter verwacht dat dit nu opnieuw ook zal gaan lukken.

5.7.

Gelet op het voorgaande zal de kinderrechter het verzoek van JBRA om de zorgregeling voor alle drie de kinderen op te schorten, afwijzen. De kinderrechter ziet wel aanleiding om de zorgregeling ambtshalve te wijzigen voor de duur van de gezinsopname, te weten uiterlijk tot 30 oktober 2026 of zo veel korter als de gezinsopname duurt. De kinderen zullen voor de duur van de gezinsopname samen met de moeder in de gezinskliniek in [plaats 1] verblijven en om het weekend bij de vader zijn. Zodra de gezinsopname is afgerond zal de huidige zorgregeling weer van kracht zijn.

Verlenging OTS (C/13/793022):

5.8.

De kinderrechter kan een ondertoezichtstelling verlengen als nog steeds sprake is van een ernstige ontwikkelingsbedreiging van de minderjarige en ouders de noodzakelijke hulp niet of onvoldoende accepteren en te verwachten is dat ouders binnen een aanvaardbare termijn de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding in staat zijn te dragen.[_8c43bd09-5091-4987-889e-ca205c03d2c6]

5.9.

De ontwikkelingsbedreigingen die hebben geleid tot het uitspreken van de ondertoezichtstelling zijn nog steeds aanwezig en het is onvoldoende gelukt om aan alle gestelde doelen te werken. De kinderrechter acht een verlenging van de ondertoezichtstelling daarom noodzakelijk, maar zal het verzoek slecht voor negen maanden toewijzen en voor het overige afwijzen. De vader ziet het niet meer zitten met JBRA. Hij vindt de hulpverlening niet nodig en staat nog steeds niet achter de gezinsopname. De ondertoezichtstelling is daarom nog nodig om de gezinsopname in de kliniek in [plaats 1] te waarborgen en om daarna passende hulpverlening in te zetten. De kinderrechter gaat er wel vanuit dat de doelen over negen maanden zijn bereikt. Mocht dat niet het geval zijn, dan kan de hulpverlening eventueel in vrijwillig kader worden voortgezet, omdat de moeder hulp accepteert, hiervoor openstaat en hieraan meewerkt.

5.10.

Tijdens de ondertoezichtstelling moet aan de volgende doelen worden gewerkt om de ontwikkelingsbedreiging van de kinderen weg te nemen:

  • er dient zicht te worden verkregen op de emotionele en fysieke veiligheid van [minderjarige 1], [minderjarige 2] en [minderjarige 3] in hun huidige opvoedsituatie;
  • [minderjarige 1], [minderjarige 2] en [minderjarige 3] groeien op in een veilige, stabiele opvoedingsomgeving waarin niet langer sprake is van spanningen en onrust en zij geen getuige of slachtoffer zijn van huiselijk geweld;
  • [minderjarige 1], [minderjarige 2] en [minderjarige 3] kunnen onbelast contact hebben met beide ouders;
  • er is zicht op de opvoedvaardigheden van de ouders;
  • er wordt geschikte hulpverlening voor de kinderen ingezet;
  • er wordt onderzocht of de huidige zorgregeling de juiste is en passend is voor alle kinderen of dat deze (eventueel per individueel kind) aanpassing behoeft.

Vervallenverklaring schriftelijke aanwijzing (C/13/792142):

5.11.

Een gecertificeerde instelling, zoals JBRA, kan ter uitvoering van haar taak de met het gezag belaste ouder een schriftelijke aanwijzing geven over de verzorging en opvoeding van de minderjarige.[_dec70eb4-0c29-4cb8-8fd0-a0b14d033836] Op verzoek van de met het gezag belaste ouder kan de kinderrechter de schriftelijke aanwijzing geheel of gedeeltelijk vervallen verklaren. Het verzoek heeft geen schorsende kracht, tenzij de kinderrechter het tegendeel bepaalt.[_5a2eff1b-e57d-4a1e-9432-f32d463f502d] De termijn voor het indienen van het verzoek bedraagt twee weken en vangt aan met ingang van de dag na die waarop de beslissing is verzonden of uitgereikt.[_eeaa8584-ec90-4974-91b5-50a064ba002b]

5.12.

De kinderrechter overweegt dat een schriftelijke aanwijzing dient te worden beschouwd als besluit in de zin van artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht (hier: Awb). Bij de beoordeling van de noodzaak een schriftelijke aanwijzing te geven komt JBRA een zekere beleidsvrijheid toe. Dit betekent dat de kinderrechter, gegeven de taak van JBRA, beziet of JBRA in redelijkheid tot de schriftelijke aanwijzing heeft kunnen komen en of de schriftelijke aanwijzing in het belang van de minderjarige kan worden geacht. Dit is een beoordeling ex nunc (vanuit de actuele situatie), waarbij de kinderrechter rekening houdt met eventuele gewijzigde omstandigheden.

5.13.

Het verzoek tot vervallenverklaring van de schriftelijke aanwijzing is tijdig ingediend en zal worden toegewezen, omdat de noodzaak voor de schriftelijke aanwijzing niet meer bestaat nu de rechtbank de zorgregeling tijdelijk wijzigt. Het is de kinderrechter niet gebleken dat de vader aan deze tijdelijke wijziging niet zal meewerken. Daarnaast leent een schriftelijke aanwijzing zich niet voor het wijzigen van de zorgregeling. Daartoe had JBRA een verzoek tot wijziging van de zorgregeling bij de rechtbank moeten indienen in plaats van de vader een schriftelijke aanwijzing te geven. Het voorgaande maakt dat het verzoek van de vader wordt toegewezen en de schriftelijke aanwijzing vervallen wordt verklaard.

5.14.

Voor zover de vader ook heeft verzocht om de gezinsmanager te vervangen, overweegt de kinderrechter dat een verstoring van verstandhouding tussen een ouder en de gezinsmanager onvoldoende redengevend is voor toewijzing van een dergelijk verzoek. De kinderrechter hoopt dat de vader en de gezinsmanager in het belang van de kinderen tot een samenwerking weten te komen voor de resterende duur van de ondertoezichtstelling. Niet in de laatste plaats omdat alsdan ook vrijwillige hulp kan worden opgetuigd en JBRA er uit kan gaan stappen in de toekomst, hetgeen ook een grote wens van de vader is.

In alle zaken (m.u.v. de Gedeeltelijke gezagsuitoefening):

5.15.

De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

5.16.

De kinderrechter heeft een aparte brief voor [minderjarige 1] opgesteld, omdat zij de beslissing op een voor hem begrijpelijke manier aan hem wil uitleggen. Die brief is als bijlage aan deze beschikking gehecht. De kinderrechter verzoekt JBRA om deze brief aan [minderjarige 1] te geven. De beschikking zelf is niet voor [minderjarige 1] bedoeld.

6 De beslissing

De kinderrechter:

6.1.

verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1], [minderjarige 2] en [minderjarige 3] voor de duur van negen maanden, te weten met ingang van 11 oktober 2026 tot 11 juli 2027;

6.2.

wijzigt de zorgregeling, die is vastgesteld bij beschikking van 3 juni 2025 van het gerechtshof Amsterdam, vanaf heden voor de duur van de gezinsopname in de kliniek in [plaats 1], te weten uiterlijk tot 30 oktober 2026 dan wel zo veel eerder als dat de gezinsopname duurt, zodat deze er als volgt uit komt te zien:

“de kinderen zijn voor de duur van de opname in de gezinskliniek in [plaats 1] doordeweeks met de moeder in die gezinskliniek en steeds het ene weekend bij de vader en het andere weekend bij de moeder.”

Zodra de opname in de gezinskliniek is afgelopen hervat de zorgregeling zoals deze bij beschikking van 3 juni 2025 door het gerechtshof Amsterdam is vastgesteld;

6.3.

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

6.4.

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 18 september 2026 door mr. A. van Luijck, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. M.M. Saruhan als griffier, en op schrift gesteld op 29 september 2026. De griffier is buiten staat deze beschikking mede te ondertekenen.

Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:

  • door de verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.

Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend bij de griffie van het gerechtshof te Amsterdam.

Bijlage 1 – brief aan [minderjarige 1]

Beste [minderjarige 1],

Woensdag hadden wij een gesprekje op de rechtbank. Jij vertelde mij toen dat je niet meer naar de gezinskliniek wil want je voelt je daar niet fijn en vind het op een gevangenis lijken.

Ik heb gisteren met je ouders en de jeugdbescherming gepraat erover. En daarna heb ik goed nagedacht en een beslissing genomen.

Ik snap heel goed dat jij niet naar de kliniek wil en liever gewoon thuis bent en naar je eigen school gaat.

Toch vind ik het wel belangrijk dat je nu nog terug naar de kliniek gaat voor een aantal weken. De bedoeling van de kliniek is niet dat jij je slechter gaat voelen. Ze willen juist helpen om te zorgen dat iedereen (jij, je broertje en zusje en je moeder) zich beter gaat voelen en er ook minder ruzies zijn als jullie daarna weer thuis zijn. Dat betekent dat je doordeweeks met je moeder, broertje en zusje in de kliniek bent. In het weekend ben je dan thuis, het ene weekend ga je naar je moeders huis en het andere weekend naar je vaders huis. De kliniek is voor maximaal zes weken en dan kan je daarna weer naar je eigen school, want ik snap goed dat je dat het allerfijnste vindt.

Ik hoop dat dat lukt, want het is echt belangrijk. Je vader en moeder zijn er voor je om jou te helpen en staan voor je klaar!

Groetjes, de kinderrechter.

Wetsartikelen in deze uitspraak

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.