Uitspraak · Bestuursprocesrecht

Rechtbank Amsterdam, 4 februari 2026

ECLI:NL:RBAMS:2026:943Zaaknummer 26/204

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
4 februari 2026
Publicatiedatum
11 maart 2026
Zaaknummer
26/204
Rechtsgebied
Bestuursrecht, Bestuursprocesrecht
Procedure
Voorlopige voorziening
Zittingsplaats
Amsterdam
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Verzoek niet-ontvankelijk. Geen bezwaarschrift overgelegd.

Beslissing

De voorzieningenrechter verklaart het verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk;

Deze uitspraak is gedaan door mr. mr. L. Dolfing, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. mr. W.L. van der Pijl, griffier.

Uitgesproken in het openbaar op 4 februari 2026.

griffiervoorzieningenrechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. [verzoeker] , verzoeker
  2. Inleiding
  3. Beoordeling door de voorzieningenrechter
  4. Beslissing
  5. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht

zaaknummer: AMS 26/204

uitspraak van de voorzieningenrechter van 4 februari 2026 in de zaak van

[verzoeker] , verzoeker

Inleiding

1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoeker.

1.1.

Omdat het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk is, doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting.[_1467e517-d2c2-4300-a7da-7e6a32f8c0b7]

Beoordeling door de voorzieningenrechter

2. Uit artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) vloeit voort dat een verzoek om een voorlopige voorziening moet voldoen aan de vereisten van (formele en materiële) ‘connexiteit’. Iemand die een verzoek om een voorlopige voorziening indient, moet een afschrift van het bezwaar- of beroepschrift en een afschrift van het besluit waarop het geschil betrekking heeft overleggen.[_4b54edd9-be88-46a8-b2d4-60d0db7e02c6] Als dat niet gebeurt, kan de voorzieningenrechter – na een herstelmogelijkheid – het verzoek op grond van artikel 6:6 van de Awb niet-ontvankelijk verklaren.

3. Bij het verzoekschrift van 13 januari 2026 is het bezwaarschrift en het besluit waarop het verzoek betrekking heeft, niet overgelegd. Met de brief van 15 januari 2026 is verzoeker erop gewezen dat het verzoekschrift niet voldoet aan de voorwaarden die aan een verzoekschrift worden gesteld. Verzoeker is verzocht een kopie toe te sturen van het besluit waar hij het niet mee eens is en van het bezwaarschift. Verzoeker is verzocht om binnen één week dit verzuim te herstellen. Verder is in deze brief vermeld dat het niet toesturen van de gevraagde stukken kan leiden tot niet-ontvankelijkheid van het verzoekschrift.

4. Verzoeker heeft op 21 januari 2026 gereageerd met een aantal bijlagen, maar niet met het bezwaarschrift en het besluit.

5. De voorzieningenrechter constateert dat verzoeker niet binnen de hersteltermijn een afschrift van het bezwaarschrift en van het besluit heeft overgelegd. Verzoeker heeft geen reden gegeven voor dit verzuim. Er is dus geen verontschuldiging voor dit verzuim. Nu er geen besluit en geen bezwaarschrift is, is niet voldaan aan de vereisten van formele en materiële connexiteit.

6. Het verzoek is daarom kennelijk niet-ontvankelijk. Dat betekent dat de voorzieningenrechter het verzoek niet inhoudelijk beoordeelt. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter verklaart het verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk;

Deze uitspraak is gedaan door mr. mr. L. Dolfing, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. mr. W.L. van der Pijl, griffier.

Uitgesproken in het openbaar op 4 februari 2026.

griffiervoorzieningenrechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Wetsartikelen in deze uitspraak

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.