Uitspraak · Verbintenissenrecht

Rechtbank Amsterdam, 12 augustus 2026

ECLI:NL:RBAMS:2026:8276Zaaknummer C/13/776144 / HA ZA 25-1523

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
12 augustus 2026
Publicatiedatum
18 augustus 2026
Zaaknummer
C/13/776144 / HA ZA 25-1523
Rechtsgebied
Civiel recht, Verbintenissenrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig, Op tegenspraak, Tussenuitspraak
Zittingsplaats
Amsterdam
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Tussenvonnis – bewijsopdracht - verdeling van de verkoopopbrengst van de woning

De rechtbank

5.1.

draagt de vrouw op te bewijzen dat, en zo ja hoeveel, kosten zij heeft betaald voor het verkoopklaar maken (en/of andere kosten ten behoeve) van de woning in Spanje,

5.2.

draagt de vrouw op te bewijzen dat, en zo ja hoeveel, overige kosten zij heeft betaald ten behoeve van de man,

5.3.

bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van [datum] 2026 voor uitlating door de vrouw of zij bewijs wil leveren door het overleggen van bewijsstukken, door het horen van getuigen en/of door een ander bewijsmiddel,

5.4.

bepaalt dat, als de vrouw geen bewijs door het horen van getuigen wil leveren maar wel bewijsstukken wil overleggen, zij die stukken dan direct in het geding moet brengen,

5.5.

bepaalt dat, als de vrouw getuigen wil laten horen, zij de getuigen en de verhinderdagen van de partijen en hun advocaten in de maanden oktober 2026 tot en met januari 2027 dan direct moet opgeven, waarna dag en uur van het getuigenverhoor zullen worden bepaald,

5.6.

bepaalt dat het getuigenverhoor zal plaatsvinden op de zitting van mr. C.M.E. de Koning, in het gerechtsgebouw te Amsterdam, Parnassusweg 280,

5.7.

bepaalt dat alle partijen uiterlijk twee weken voor het eerste getuigenverhoor alle beschikbare bewijsstukken aan de rechtbank en de wederpartij moeten toesturen,

5.8.

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. C.M.E. de Koning, bijgestaan door mr. L.M.F. van Dijck, en in het openbaar uitgesproken op 12 augustus 2026.

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. 1 De procedure
  2. 2 De feiten
  3. 3 Het geschil
  4. 4 De beoordeling
  5. 5 De beslissing

RECHTBANK Amsterdam

Civiel recht

Zaaknummer: C/13/776144 / HA ZA 25-1523

Vonnis van 12 augustus 2026

in de zaak van

[de man],

te [woonplaats 1],

eisende partij,

hierna te noemen: de man,

advocaat: mr. T.C. ten Rouwelaar-Hoogland,

tegen

[de vrouw],

te [woonplaats 2],

gedaagde partij,

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat: mr. L.M. Dragtenstein.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding van 18 september 2025 met producties,

- de conclusie van antwoord met producties,

- het tussenvonnis van 28 januari 2026, waarin een mondelinge behandeling is bepaald,

- het verkorte proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 26 juni 2026 en de daarin genoemde stukken.

1.2.

Ten slotte is een datum voor vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

Partijen zijn op 2 juni 1997 in Zuid-Afrika met elkaar gehuwd. Op [geboortedag] 1997 is de zoon van partijen geboren.

2.2.

In november 2004 hebben partijen een woning gekocht, gelegen aan de [adres] te Spanje (hierna: de woning in Spanje).

2.3.

In de overgelegde (van Spaans naar Nederlands vertaalde) koopovereenkomst van de woning van 23 april 2019 staat, voor zover van belang:

“(…) Dat [Rb, de vrouw] en [Rb, de man] volle eigenaars zijn van het volgende onroerend goed (…)”

2.4.

Ergens tussen 2005 en 2009 zijn partijen uit elkaar gegaan en apart van elkaar gaan wonen. De man is in de woning in Spanje gaan wonen en de vrouw in een huurhuis in [plaats]. Zij voerden vanaf dat moment niet langer een gemeenschappelijke huishuiding.

2.5.

Partijen kwamen met elkaar overeen dat de vrouw de huur van haar woning in [plaats] zou betalen en dat de man de hypotheekkosten van de woning in Spanje zou dragen. Deze afspraken zijn door partijen steeds nageleefd.

2.6.

Op enig moment raakte de man gedetineerd. Vanaf dat moment is de vrouw de volledige hypotheekkosten van de woning in Spanje gaan betalen.

2.7.

De vrouw heeft de woning in Spanje in 2019, middels volmacht van de man, verkocht voor € 585.000,-.

2.8.

De vrouw heeft € 100.000,- aan de man betaald uit de verkoopopbrengst van de woning in Spanje.

2.9.

Bij beschikking van 5 februari 2020 is de echtscheiding tussen partijen uitgesproken.

3 Het geschil

3.1.

De man vordert - samengevat – dat de vrouw, bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis, wordt veroordeeld tot betaling van € 39.023,00, vermeerderd met de wettelijke rente. Daarnaast vordert de man € 1.409,93 aan buitengerechtelijke incassokosten en veroordeling van de vrouw in de proceskosten.

3.2.

De man legt aan zijn vordering ten grondslag dat hij nog recht heeft op een bedrag uit de verkoopopbrengst van de woning in Spanje. Na aftrek van het restant hypotheek en de kosten resteert een bedrag van € 385.046,00 uit de verkoopopbrengst. Na aflossing van de lening aan de heer [naam 1], te weten € 80.000,00, resteert een bedrag van € 305.046,00. Nu de man en de vrouw gezamenlijk eigenaar zijn van de woning, dient dit bedrag uit de verkoopopbrengst bij helfte te worden verdeeld. Dit betekent dat zowel de man als de vrouw recht heeft op € 152.523,00. Nu de vrouw slechts een bedrag van € 100.000,00 aan de man heeft betaald, is de vrouw nog een bedrag aan de man verschuldigd. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de man, ter rectificatie van de rekensom uit de dagvaarding, gesteld dat het gaat om een bedrag van € 52.523,00.

3.3.

De vrouw voert aan dat de man geen aanspraak kan maken op enig aanvullend bedrag uit de verkoopopbrengst van de woning in Spanje. Volgens haar is de verkoopopbrengst correct verdeeld tussen partijen. De verkoopopbrengst is besteed aan betalingen van hypotheekkosten, persoonlijke kosten van de man, onderhoud van de woning, terugbetalingen van leningen aan derden en aan kosten van de verzorging van hun zoon. De vrouw concludeert tot niet-ontvankelijkheid van de man, dan wel tot afwijzing van de vorderingen van de man, met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van de man in de kosten van deze procedure.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4 De beoordeling

Partijen zijn gezamenlijk eigenaar

4.1.

Onduidelijk is welk recht van toepassing is op het huwelijksvermogensregime en op basis waarvan een gemeenschap van goederen zou hebben bestaan. Partijen zijn het echter met elkaar eens dat zij gezamenlijk eigenaar zijn van de woning. De rechtbank gaat, net als partijen, ervan uit dat er een gemeenschap heeft bestaan tussen partijen. De woning vormt in ieder geval, ofwel op basis van het vermogensrecht, ofwel op grond van de mededelingen van partijen, een gemeenschapsgoed. Partijen zijn dus gezamenlijk eigenaar geweest van de woning. Dit betekent dat de verkoopopbrengst van de woning in beginsel bij helfte dient te worden verdeeld tussen partijen.

Gezamenlijke kosten?

Lening [naam 1]

4.2.

Niet in geschil is dat de verkoopopbrengst van de woning na aftrek van het restant aan hypotheek en kosten € 385.046,00 bedraagt. Ook is niet in geschil dat € 80.000,- van de verkoopopbrengst moet worden afgetrokken nu de vrouw tijdens de mondelinge behandeling heeft erkend dat partijen dit bedrag hebben geleend bij de heer [naam 1].

Hypotheekkosten 2018 en 2019

4.3.

De vrouw heeft aangevoerd dat zij in 2018 en 2019, gedurende de periode dat de man in detentie verbleef, de hypotheekkosten van de woning in Spanje heeft betaald. De rechtbank kan – gelet op gegeven dat partijen gezamenlijk eigenaar zijn van de woning – niet vaststellen dat, zoals de vrouw betoogt, enkel de man is gehouden deze hypotheekkosten te dragen, zodat deze kosten gezamenlijk zullen moeten worden gedragen. Dat de man voorafgaand aan zijn detentie de volledige hypotheekkosten betaalde brengt daar geen verandering in. De verkoopopbrengst van de woning wordt immers ook gelijkelijk verdeeld. Dit betekent dat de hypotheekkosten uit 2018 en 2019 ook van de verkoopopbrengst moeten te worden afgetrokken.

4.4.

Verder volgt uit het overgelegde overzicht van de vrouw dat de hypotheekbetaling uit 2019 op 24 april 2019 zou zijn betaald. Uit de overgelegde stukken volgt echter dat dit bedrag is betaald op 4 april 2019. Nu de betaling nog voor de overdracht van de woning heeft plaatsgevonden, gaat het argument van de man niet op dat dit bedrag nog kan zijn terugbetaald. In totaal gaat het dus om een bedrag van € 22.380,00 aan hypotheekkosten die van de verkoopopbrengst moeten worden afgetrokken.

Kosten [naam 2]

4.5.

Ook zijn partijen het met elkaar eens dat er kosten zijn betaald voor de reparatie van het hek aan [naam 2], te weten een totaalbedrag van (€ 920,00 + € 500,00=) € 1.420,00, die partijen gezamenlijk dienen te dragen. Deze kosten zullen daarom eveneens van de verkoopopbrengst worden afgetrokken.

Kosten verkoopklaar maken woning?

4.6.

De vrouw voert verder aan dat zij, ten tijde van de detentie van de man, betalingen heeft verricht om de woning verkoopklaar te maken, waaronder kosten voor schilderwerk en het betalen van vliegtickets naar Spanje. Volgens haar verkeerde de woning namelijk in zeer slechte staat met achterstallig onderhoud. Zij heeft daarom herstelwerkzaamheden laten uitvoeren om de verkoopbaarheid van de woning te verhogen. Deze kosten dienen ook voor rekening te komen van de man, aldus steeds de vrouw.

4.7.

Tijdens de mondelinge behandeling heeft de man betwist dat de vrouw (veel) kosten heeft betaald voor het verkoopklaar maken van de woning. Hij stelt dat het onduidelijk is of, en zo ja in hoeverre, de gestelde kosten verband houden met de woning in Spanje. De woning verkeerde volgens hem in goede staat. De tuin kan een opknapbeurt nodig hebben gehad, maar dat kan volgens hem niet zoveel geld hebben gekost.

4.8.

Bij deze stand van zaken kan de rechtbank nog geen beslissing nemen. Het is namelijk onduidelijk of, en zo ja hoeveel, kosten de vrouw heeft betaald voor het verkoopklaar maken van de woning. Als de vrouw deze kosten heeft betaald, dienen deze kosten eveneens voor gezamenlijke rekening van partijen te komen. Op de vrouw rust de stelplicht en bewijslast met betrekking tot de stelling dat zij kosten heeft betaald voor het verkoopklaar maken van de woning die voor verrekening met de verkoopopbrengst van de woning in aanmerking komen. De rechtbank zal de vrouw tot bewijslevering toelaten van haar stelling dat zij betalingen heeft verricht voor het verkoopklaar maken van de woning in Spanje.

4.9.

Indien de vrouw slaagt in het bewijs, slaagt het beroep op verrekening en dienen deze kosten van de verkoopopbrengst te worden afgetrokken.

Opvoedkosten kind

4.10.

Tot slot komen de door de vrouw gestelde kosten voor de opvoeding van hun kind niet voor verrekening in aanmerking. De vrouw stelt dat zij na de scheiding van tafel en bed de kosten van verzorging en opvoeding van de zoon heeft gedragen. De vrouw had kinderalimentatie kunnen vragen. Kennelijk hebben partijen dit op die manier afgesproken en die afspraken ook jarenlang op die manier nageleefd. De vrouw heeft onvoldoende onderbouwd waarom deze kosten nu voor verrekening met de verkoopopbrengst van de woning in aanmerking dienen komen. Haar recht op kinderalimentatie is immers niet vastgesteld. Deze kosten zullen daarom niet worden verrekend met de verkoopopbrengst van de gemeenschappelijke woning.

Kosten die de vrouw heeft betaald voor de man?

Kostenposten uit 2019

4.11.

De vrouw heeft verder een aantal kostenposten genoemd die zij voor de man, ten tijde van zijn detentie, zou hebben betaald in 2019. Tijdens de mondelinge behandeling zijn deze kostenposten besproken. De man heeft deze kosten erkend. Dit betekent dat deze kosten van het resterende bedrag uit de verkoopopbrengst voor de man moeten worden afgetrokken en aan de vrouw dienen te worden uitbetaald. Het gaat om een totaalbedrag van (€ 14.907 - € 900,00 hypotheekkosten =) € 14.007,00.

Overige kosten ten behoeve van de man?

4.12.

Tot slot voert de vrouw aan dat zij, naast de voornoemde kosten uit 2019, meer kosten heeft betaald voor de man. Deze kosten dienen voor rekening te komen van de man. De man betwist dat er nog meer kosten zijn die voor verrekening in aanmerking komen.

4.13.

Ook hier doet de vrouw een beroep op verrekening van kosten, maar ook bij deze stand van zaken kan de rechtbank nog geen beslissing nemen. Onduidelijk is of, en zo ja hoeveel, kosten de vrouw heeft betaald ten behoeve van de man. Als de vrouw deze kosten heeft betaald, dienen deze kosten voor rekening van de man te komen. Op de vrouw rust de stelplicht en bewijslast met betrekking tot de stelling dat zij kosten heeft betaald ten behoeve van de man. De rechtbank zal de vrouw tot bewijslevering van deze stelling toelaten.

Conclusie

4.14.

Gelet op het voorgaande komt de rechtbank per saldo uit op het volgende:

€ 385.046,00 verkoopopbrengst woning

  • € 80.000,00 lening [naam 1]
  • € 22.380,00 hypotheekkosten

€ 1.420,00 aflossing [naam 2]

------------ -

€ 281.246,00

p.m. kosten verkoopklaar maken van woning volgens de vrouw------------ -totaal 50% is voor de man

€ 100.000,00 reeds betaalde bedrag uit verkoopopbrengst aan man

------------ -

p.m.

€ 14.007,00 kosten die vrouw voor man heeft betaald in 2019

------------ -

p.m.

p.m. overige kosten die vrouw voor man zou hebben betaald

------------ -

p.m.

4.15.

De rechtbank geeft partijen in overweging alsnog gezamenlijk tot overeenstemming te komen over de verdeling (het restant) van de verkoopopbrengst van de woning. Als hen dat niet lukt, zullen de bewijsopdrachten moeten worden uitgevoerd, waarbij de vrouw het bewijsrisico draagt. Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

draagt de vrouw op te bewijzen dat, en zo ja hoeveel, kosten zij heeft betaald voor het verkoopklaar maken (en/of andere kosten ten behoeve) van de woning in Spanje,

5.2.

draagt de vrouw op te bewijzen dat, en zo ja hoeveel, overige kosten zij heeft betaald ten behoeve van de man,

5.3.

bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van [datum] 2026 voor uitlating door de vrouw of zij bewijs wil leveren door het overleggen van bewijsstukken, door het horen van getuigen en/of door een ander bewijsmiddel,

5.4.

bepaalt dat, als de vrouw geen bewijs door het horen van getuigen wil leveren maar wel bewijsstukken wil overleggen, zij die stukken dan direct in het geding moet brengen,

5.5.

bepaalt dat, als de vrouw getuigen wil laten horen, zij de getuigen en de verhinderdagen van de partijen en hun advocaten in de maanden oktober 2026 tot en met januari 2027 dan direct moet opgeven, waarna dag en uur van het getuigenverhoor zullen worden bepaald,

5.6.

bepaalt dat het getuigenverhoor zal plaatsvinden op de zitting van mr. C.M.E. de Koning, in het gerechtsgebouw te Amsterdam, Parnassusweg 280,

5.7.

bepaalt dat alle partijen uiterlijk twee weken voor het eerste getuigenverhoor alle beschikbare bewijsstukken aan de rechtbank en de wederpartij moeten toesturen,

5.8.

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. C.M.E. de Koning, bijgestaan door mr. L.M.F. van Dijck, en in het openbaar uitgesproken op 12 augustus 2026.

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.