Uitspraak · Verbintenissenrecht
Rechtbank Amsterdam, 7 augustus 2026
ECLI:NL:RBAMS:2026:7968Zaaknummer 12205978 CV EXPL 26-6114
- Instantie
- Rechtbank Amsterdam
- Datum uitspraak
- 7 augustus 2026
- Publicatiedatum
- 12 augustus 2026
- Zaaknummer
- 12205978 CV EXPL 26-6114
- Rechtsgebied
- Civiel recht, Verbintenissenrecht
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudig, Proceskostenveroordeling, Op tegenspraak
- Zittingsplaats
- Amsterdam
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
De vordering tot terugbetaling van een lening wordt toegewezen, omdat gedaagde zijn betalingsverplichting niet is nagekomen, waardoor op grond van de tussen partijen gemaakte afspraken de gehele hoofdsom direct opeisbaar is.
4 De beslissing
De kantonrechter
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiseres] te betalen een bedrag van € 7.950,00, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over het toegewezen bedrag, met ingang van 20 april 2026, tot de dag van volledige betaling,
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiseres] te betalen een bedrag van € 934,73 aan buitengerechtelijke kosten,
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 1.424,94, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, dan moet [gedaagde] ook de kosten van betekening betalen,
veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
wijst het meer of anders gevorderde af.
| Dit vonnis is gewezen door mr. R.H.C. Jongeneel, kantonrechter, bijgestaan door mr. V.W. de Leeuw, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 7 augustus 2026. |
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
RECHTBANK AMSTERDAM
Civiel recht
Kantonrechter
Zaaknummer: 12205978 \ CV EXPL 26-6114
Vonnis van 7 augustus 2026
in de zaak van
[eiseres],
wonende te [woonplaats 1],
eisende partij,
hierna te noemen: [eiseres],
gemachtigde: mr. M.P.A. Knol,
tegen
[gedaagde],
wonende te [woonplaats 2],
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde],
procederend in persoon.
1 Waar gaat de zaak over?
[eiseres] heeft in 2020/2021 een lening aan haar voormalige echtgenoot [gedaagde] verstrekt. [eiseres] stelt dat [gedaagde] zich niet aan de in 2023 schriftelijk overeengekomen betalingstermijnen heeft gehouden. [eiseres] vordert daarom in deze procedure dat [gedaagde] wordt veroordeeld tot terugbetaling van de lening, inclusief wettelijke rente en kosten. Volgens [gedaagde] is geen sprake van een betalingsachterstand. De kantonrechter wijst de vordering van [eiseres] toe en legt hierna uit waarom.
2 De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 20 april 2026, met producties,
- het proces-verbaal van mondeling antwoord van 8 mei 2026, met producties,
- het tussenvonnis van 22 mei 2026, waarin een mondelinge behandeling is bepaald,
- de akte overlegging productie en vermindering van eis van [eiseres], met een productie,
- de mondelinge behandeling van 7 juli 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt die zich in het dossier bevinden.
3 De beoordeling
[eiseres] heeft op de mondelinge behandeling haar vordering gewijzigd omdat [gedaagde] nog een betaling van € 150,- heeft verricht. [eiseres] vordert nu dat [gedaagde] wordt veroordeeld tot betaling van € 7.950,- aan hoofdsom, vermeerderd met de wettelijke rente, incassokosten en proceskosten.
[eiseres] legt aan deze vordering ten grondslag dat partijen op 24 november 2023 zijn overeengekomen dat [gedaagde] de lening in maandelijkse termijnen van € 150,- zou terugbetalen en dat de gehele hoofdsom direct opeisbaar is als [gedaagde] niet tijdig aan zijn betalingsverplichting voldoet. Omdat [gedaagde] niet aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan, is [gedaagde] gehouden om het openstaande saldo van de lening terug te betalen.
[gedaagde] heeft mondeling verweer gevoerd; hij betwist dat hij een betalingsachterstand heeft. Hij heeft weliswaar soms een maand niet betaald, maar hij heeft vervolgens de maand daarop het dubbele bedrag betaald. Bij de mondelinge behandeling is hij niet verschenen.
De kantonrechter wijst de gevorderde hoofdsom toe, omdat uit de in het geding gebrachte stukken is gebleken dat de betalingen niet volgens de afgesproken betalingstermijnen hebben plaatsgevonden. Uit het overgelegde betalingsschema blijkt namelijk dat [gedaagde] in de maanden januari 2024, januari 2025, januari 2026 en februari 2026 geen betalingen heeft verricht. Weliswaar heeft [gedaagde] in maart 2026 het dubbele maandelijkse bedrag betaald, maar zelfs als hiermee rekening wordt gehouden, is nog steeds sprake van een totale achterstand van drie maanden. Uit de leningsovereenkomst volgt dat als geen tijdige betaling heeft plaatsgevonden, de gehele hoofdsom direct opeisbaar is. Omdat [gedaagde] zich niet aan zijn betalingsverplichting heeft gehouden, is de gevorderde hoofdsom van € 7.950,- toewijsbaar. De gevorderde wettelijke rente over dit bedrag wordt toegewezen vanaf de datum van dagvaarding, omdat deze op de wet is gegrond en deze niet is betwist.
Buitengerechtelijke incassokosten
[eiseres] vordert daarnaast vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 van het Burgerlijk Wetboek (BW) en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten. [eiseres] heeft voldoende gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. [eiseres] heeft daarom recht op een vergoeding voor de kosten van die werkzaamheden. [eiseres] heeft het gevorderde bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten vermeerderd met btw. Omdat [eiseres] geen ondernemer is, wordt de vergoeding verhoogd met btw. Daarom wordt een bedrag van € 934,73 toegewezen.
Proceskosten
[gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiseres] worden begroot op:
| - kosten van de dagvaarding | € | 151,94 | |
| - griffierecht | € | 265,00 | |
| - salaris gemachtigde | € | 864,00 | (2 punten × € 432,00) |
| - nakosten | € | 144,00 | (plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing) |
| Totaal | € | 1.424,94 |
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
Uitvoerbaar bij voorraad
De veroordelingen worden uitvoerbaar bij voorraad verklaard. Dit betekent dat de veroordelingen ook moeten worden uitgevoerd als tegen dit vonnis hoger beroep wordt ingesteld en zolang daarop niet anders is beslist.
4 De beslissing
De kantonrechter
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiseres] te betalen een bedrag van € 7.950,00, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over het toegewezen bedrag, met ingang van 20 april 2026, tot de dag van volledige betaling,
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiseres] te betalen een bedrag van € 934,73 aan buitengerechtelijke kosten,
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 1.424,94, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, dan moet [gedaagde] ook de kosten van betekening betalen,
veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
wijst het meer of anders gevorderde af.
| Dit vonnis is gewezen door mr. R.H.C. Jongeneel, kantonrechter, bijgestaan door mr. V.W. de Leeuw, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 7 augustus 2026. |
Wetsartikelen in deze uitspraak
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.