Uitspraak · Personen- en familierecht

Rechtbank Amsterdam, 5 juni 2026

ECLI:NL:RBAMS:2026:7910Zaaknummer C/13/788387 / JE RK 26-415 en C/13/788475 JE RK 26-426

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
5 juni 2026
Publicatiedatum
7 augustus 2026
Zaaknummer
C/13/788387 / JE RK 26-415 en C/13/788475 JE RK 26-426
Rechtsgebied
Civiel recht, Personen- en familierecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig, Beschikking
Zittingsplaats
Amsterdam
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Voorlopige ondertoezichtstelling. Machtiging tot uithuisplaatsing voor de duur van vier weken. In deze periode moet het mogelijk zijn om het gezin te koppelen aan een weekendpleeggezin en eventueel andere hulp in te zetten om de moeder te ontlasten. De kinderrechter ziet de woonplek van de moeder bij Cordaan bovendien als een beschermende factor, waardoor de veiligheid van de kinderen ook voldoende wordt gewaarborgd. De kinderrechter adviseert de WSS om in overweging te nemen urinecontroles af te nemen bij de ouders. Beide ouders hebben gezegd hieraan te willen meewerken.

6 De beslissing

De kinderrechter:

in de procedure met zaaknummer: C/13/788387 / JE RK 26-415:

6.1.

stelt [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] voorlopig onder toezicht van de William Schrikker Stichting Jeugdbescherming & Jeugdreclassering, gevestigd te Amsterdam, tot 26 augustus 2026;

6.2.

verleent een machtiging tot uithuisplaatsing ten aanzien van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] voor verblijf in een voorziening voor pleegzorg, tot 3 juli 2026;

6.3.

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

6.4.

wijst het meer of anders verzochte af;

in de procedure met zaaknummer C/13/788475 / JE RK 26-426:

6.5.

wijst het verzochte af.

Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 5 juni 2026 door mr. E.M. Devis, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. A.F. Hulskes als griffier, en op schrift gesteld op 17 juni 2026.

Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:

  • door de verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.

Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend bij de griffie van het gerechtshof te Amsterdam.

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. 1 Het verloop van de procedure
  2. 2 De feiten
  3. 3 Het verzoek
  4. 4 De standpunten
  5. 5 De beoordeling
  6. 6 De beslissing

RECHTBANK AMSTERDAM

Familie- en Jeugdrecht

Zaaknummer: C/13/788387 / JE RK 26-415 en

C/13/788475 / JE RK 26-426

Datum mondelinge uitspraak: 5 juni 2026

Beschikking van de kinderrechter betreffende voorlopige ondertoezichtstelling, spoedmachtiging tot uithuisplaatsing en wijziging verblijfplaats machtiging tot uithuisplaatsing

in de procedure met zaaknummer C/13/788387 / JE RK 26-415:

de Raad voor de Kinderbescherming, hierna te noemen de Raad,

gevestigd te Amsterdam,

in de procedure met zaaknummer C/13/788475 / JE RK 26-426:

de gecertificeerde instelling William Schrikker Stichting, gevestigd te Amsterdam, hierna te noemen de WSS,

over

[de minderjarige 1], geboren op [geboortedag 1] 2022 te [geboorteplaats 1], hierna te noemen [de minderjarige 1],

en

[de minderjarige 2], geboren op [geboortedag 2] 2025 te [geboorteplaats 2], hierna te noemen [de minderjarige 2].

De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:

[de moeder],

wonende te [woonplaats 1],

hierna te noemen de moeder,

advocaat mr. M.S. Kat te Amsterdam.

De kinderrechter merkt als informant aan:

[de vader],

wonende te [woonplaats 2],

hierna te noemen de vader.

1 Het verloop van de procedure

1.1.

De kinderrechter neemt mee in de beoordeling:

in de procedure met zaaknummer C/13/788387 / JE RK 26-415:

  • het verzoekschrift met bijlagen van de Raad, ingekomen op 27 mei 2026;
  • de spoedbeschikking van 27 mei 2026 van deze rechtbank;

in de procedure met zaaknummer C/13/788475 / JE RK 26-426:

  • het verzoekschrift met bijlagen van de WSS, ingekomen op 28 mei 2026;
  • de spoedbeschikking van 28 mei 2026 van deze rechtbank.
1.2.

De zitting achter gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 5 juni 2026. De twee zaken zijn gelijktijdig behandeld. Gehoord zijn:

  • de moeder, bijgestaan door haar advocaat;
  • de vader;
  • de heer [naam 1] namens de WSS;
  • mevrouw [naam 2] namens de Raad.
1.3.

Vanuit de zijde van de moeder is tijdens de zitting het HouVast plan Familie van Cordaan overgelegd.

2 De feiten

2.1.

Het ouderlijk gezag over de kinderen wordt uitgeoefend door de moeder.

2.2.

De vader heeft [de minderjarige 1] erkend.

2.3.

De kinderen wonen bij de moeder in een [locatie] van Cordaan.

2.4.

Bij beschikking van 27 mei 2026 van deze rechtbank zijn [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] voorlopig onder toezicht gesteld van de WSS met ingang van 26 mei 2026, voor de duur van twee weken. Daarnaast is een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] verleend voor verblijf bij een voorziening voor pleegzorg, met ingang van 26 mei 2026, voor de duur van twee weken. De inhoud van deze beschikking wordt hier als herhaald en ingelast beschouwd.

2.5.

Bij beschikking van 28 mei 2026 van deze rechtbank is de verblijfplaats in het kader van de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] gewijzigd, in die zin dat zij verblijven in een netwerkpleeggezin, te weten bij oma moederszijde, voor de duur van twee weken.

3 Het verzoek

In de procedure met zaaknummer C/13/788387 / JE RK 26-415:

3.1.

De Raad verzoekt [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] voorlopig onder toezicht te stellen voor de duur van drie maanden. Ook verzoekt de Raad een machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] in een voorziening voor pleegzorg voor de duur van de ondertoezichtstelling en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. Van de drie maanden die zijn verzocht heeft de kinderrechter al twee weken verleend, zodat nog beslist dient te worden over het resterende gedeelte.

In de procedure met zaaknummer C/13/788475 / JE RK 26-426:

3.2.

De WSS verzoekt om een wijziging in het verblijf van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] in het kader van de machtiging tot uithuisplaatsing, namelijk dat [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] in plaats van in een voorziening voor pleegzorg in een netwerkpleeggezin, te weten oma moederszijde, zullen verblijven. Ook verzoekt de WSS de beschikking uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. Van de drie maanden die zijn verzocht heeft de kinderrechter al twee weken verleend, zodat nog beslist dient te worden over het resterende gedeelte.

4 De standpunten

De Raad

4.1.

De Raad heeft gepersisteerd bij het verzoek en daartoe het volgende aangevoerd. De ouders zijn op dit moment fysiek onvoldoende beschikbaar voor de kinderen. De kinderen zijn nog jong en daardoor hulpbehoevend. Voor de Raad zijn er drie aspecten waaruit volgt dat een ondertoezichtstelling en een machtiging tot uithuisplaatsing noodzakelijk zijn.

Ten eerste heeft er op zaterdag 23 mei 2026 een heftig incident plaatsgevonden. De moeder is bewusteloos, bebloed en onder de urine aangetroffen op een metrostation. Een aantal dagen later lijken de ouders de ernst van de situatie niet in te zien. Vanuit de politie en Veilig Thuis zijn er zorgen over het alcohol- en mogelijke drugsgebruik van de ouders.

Ten tweede is er een voorgeschiedenis met ernstige zorgen, waaronder drugsgebruik. Daarom heeft het incident van 23 mei 2026 voor een hoge prioritering gezorgd.

Tot slot ziet Cordaan dat de moeder de laatste maanden slechter beschikbaar is. De moeder voelt zich overbelast, terwijl de kinderen vier dagen per week naar de kinderopvang gaan. Het lukt de moeder alsnog niet om op die momenten voldoende tijd voor zichzelf te maken. Om die reden zijn de ouders ook op zoek naar een weekendpleeggezin. Dat zou een goede optie zijn, maar vooralsnog is er geen geschikt gezin gevonden.

Het is in het belang van de kinderen dat zij op een veilige plek verblijven waar er beschikbare volwassenen zijn die kunnen voorzien in hun behoeftes. Indien de kinderen op dit moment bij de moeder en de vader zouden verblijven, is er geen zicht op de beschikbaarheid van de ouders en op het alcohol- en drugsgebruik in huis. Het is belangrijk dat er de komende drie maanden zicht komt op de situatie van de kinderen, op de draagkracht en beschikbaarheid van de ouders en op een netwerk dat het gezin kan ondersteunen. Mocht blijken dat de kinderen eerder terug naar huis kunnen, zal daarop worden ingezet.

De WSS

4.2.

De WSS is het eens met het verzoek van de Raad. Ten tijde van het spoedverzoek van de WSS was er geen pleeggezin beschikbaar en zijn de kinderen voor een weekend bij de oma moederszijde geplaatst. Daar konden zij slechts voor een weekend verblijven, waarna de kinderen uiteindelijk bij een pleeggezin in [plaats] zijn geplaatst. Op dit moment verblijven de kinderen daar nog steeds.

De ouders staan in goed contact en er is volledige samenwerking met de WSS. Toch wordt terugplaatsing naar de ouders momenteel niet verantwoord geacht vanwege de nog bestaande zorgen omtrent middelengebruik, belastbaarheid van de ouders, opvoedvaardigheden en onvoldoende zicht op de veiligheid binnen de thuissituatie. De ouders dienen een keuze te maken; dan wel af en toe drinken en blowen met het risico dat de kinderen in gevaar worden gebracht dan wel de volledige veilige zorg dragen voor de kinderen. De WSS is van oordeel dat er niet voor de kinderen gezorgd kan worden zolang de ouders drank of drugs gebruiken.

Ook blijkt uit het feit dat de kinderen vier dagen per week naar de kinderopvang gaan en daarnaast nog gezocht wordt naar een weekendpleeggezin dat de ouders overbelast zijn. Volgens de WSS komt dat er op neer dat de ouders slechts voor een dag per week ouder zijn.

De komende drie maanden moet onderzocht worden in hoeverre de kinderen veilig teruggeplaatst kunnen worden.

De moeder en haar advocaat

4.3.

De moeder voert verweer tegen de machtiging tot uithuisplaatsing. Zij erkent dat zij in het verleden een middelenprobleem heeft gehad. De moeder heeft aan zichzelf gewerkt en blowt soms om te ontladen op het moment dat de kinderen in bed liggen. Dat doet zij alleen op momenten dat de vader er is en die blijft dan nuchter.

Op 23 mei 2026 heeft de moeder over de gehele dag vier alcoholische drankjes gedronken. In combinatie met de hitte en de zon, werd de moeder op de terugweg naar huis niet lekker. De ouders hebben de kinderen aan twee betrouwbare en met de kinderen vertrouwde vrienden meegegeven, zodat de kinderen uit de situatie werden gehaald.

De moeder vindt de stelling van de WSS, waaruit volgt dat de ouders slechts voor een dag per week ouder zijn, onbegrijpelijk. Er zijn namelijk meerdere gezinnen die een weekendpleeggezin nodig hebben om te kunnen ontladen. De ouders zijn al in gesprek met een buurtgezin. Daarnaast heeft Cordaan heeft een HouVast plan opgesteld, waarin veiligheidsafspraken en actiepunten zijn neergelegd. De moeder verwacht dat de WSS bij dit plan zal aansluiten.

Het is van belang dat de kinderen in hun vertrouwde thuissituatie terechtkunnen, er gesprekken met de WSS worden gevoerd en er, eventueel naast het HouVast plan, afspraken worden gemaakt. De ouders zullen hieraan meewerken en de WSS is welkom bij de ouders thuis. Een machtiging tot uithuisplaatsing gaat echter te ver. De moeder woont bij Cordaan, waardoor er al zicht is op de kinderen. Bovendien speelt er op dit moment geen verslavingsproblematiek meer. De kinderen kunnen veilig in hun eigen woning verblijven.

De vader

4.4.

De vader is het niet eens met het verzoek van de WSS. Volgens de vader kan Cordaan bevestigen dat er tijdens het incident op 23 mei 2026 geen sprake was van drugsgebruik. De vader blowt niet en drinkt soms een biertje als de kinderen op bed liggen. Verder is hij altijd nuchter, en zeker op het moment dat de moeder blowt. De ouders hebben in het verleden vijf trajecten met betrekking tot middelengebruik positief afgerond. Dat ligt in het verleden. De vader zou er akkoord mee gaan om drugstesten af te leggen, zodat hij kan laten zien dat er geen sprake meer is van middelengebruik. Er is in de afgelopen periode geen enkel moment geweest dat de begeleiding van Cordaan zorgen heeft geuit.

5 De beoordeling

5.1.

De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een voorlopige ondertoezichtstelling is voldaan (artikel 1:257 van het Burgerlijk Wetboek (BW)). Er is een ernstig vermoeden dat de ontwikkeling van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] acuut en ernstig wordt bedreigd. De voorlopige ondertoezichtstelling is noodzakelijk om die bedreiging weg te nemen. Het incident van 23 mei 2026, dat de directe aanleiding vormde voor de voorlopige ondertoezichtstelling, roept vragen op over in hoeverre [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] opgroeien in een onveilige situatie. Hoewel de ouders een andere visie hebben op wat die dag is gebeurd en stellen slechts af en toe te blowen en te drinken, is het belangrijk dat de komende periode wordt gebruikt om de opvoedsituatie van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] verder te onderzoeken. Bovendien is ook slechts af en toe middelengebruik risicovol, zeker gelet op het verslavingsverleden van de ouders. De kans om terug te vallen is dan namelijk groter, vooral op het moment dat sprake is van overbelasting. Het is heel knap dat de ouders hun verslaving een halt hebben kunnen toeroepen. Daar mogen zij trots op zijn. Wel dienen zij zich bewust te zijn van de valkuilen.

De zorgen die ten tijde van de spoedbeschikkingen aanwezig waren, zijn nog steeds aanwezig. Om die reden is een voorlopige ondertoezichtstelling dan ook noodzakelijk, zodat de Raad verder onderzoek kan doen naar wat de ouders nodig hebben om hun overbelasting weg te nemen.

5.2.

Gelet op het voorgaande is de kinderrechter ook van oordeel dat het noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding dat [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] uit huis worden geplaatst (artikel 1:265b, eerste lid, BW). Vanuit Cordaan zijn er afspraken gemaakt, welke zijn neergelegd in het HouVast plan, en er wordt gezocht naar een weekendpleeggezin. Toch is onduidelijk gebleven wat er op 23 mei 2026 is voorgevallen en is het weekendpleeggezin nog niet daadwerkelijk betrokken. Indien de kinderen acuut zouden worden teruggeplaatst, is de overbelasting van de moeder nog steeds aanwezig. Die zorg is namelijk nog niet weggenomen. De kinderrechter zal de machtiging tot uithuisplaatsing in een voorziening voor pleegzorg daarom verlenen voor de duur van vier weken. In deze periode moet het mogelijk zijn om het gezin te koppelen aan een weekendpleeggezin en eventueel andere hulp in te zetten om de moeder te ontlasten. De kinderrechter ziet de woonplek van de moeder bij Cordaan bovendien als een beschermende factor, waardoor de veiligheid van de kinderen ook voldoende wordt gewaarborgd.

5.3.

Nu is gebleken dat de kinderen niet terecht kunnen bij de oma moederszijde, zal het verzoek van de WSS worden afgewezen.

5.4.

Aansluitend op het voorgaande adviseert de kinderrechter de WSS om in overweging te nemen urinecontroles af te nemen bij de ouders. Op die manier kan er zicht worden gehouden op het middelengebruik van de ouders en kunnen ouders laten zien dat zij een veilige basis vormen voor de kinderen. Het is heel positief dat beide ouders ter zitting hebben gezegd hieraan te willen meewerken.

5.5.

Mitsdien wordt als volgt beslist.

6 De beslissing

De kinderrechter:

in de procedure met zaaknummer: C/13/788387 / JE RK 26-415:

6.1.

stelt [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] voorlopig onder toezicht van de William Schrikker Stichting Jeugdbescherming & Jeugdreclassering, gevestigd te Amsterdam, tot 26 augustus 2026;

6.2.

verleent een machtiging tot uithuisplaatsing ten aanzien van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] voor verblijf in een voorziening voor pleegzorg, tot 3 juli 2026;

6.3.

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

6.4.

wijst het meer of anders verzochte af;

in de procedure met zaaknummer C/13/788475 / JE RK 26-426:

6.5.

wijst het verzochte af.

Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 5 juni 2026 door mr. E.M. Devis, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. A.F. Hulskes als griffier, en op schrift gesteld op 17 juni 2026.

Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:

  • door de verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.

Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend bij de griffie van het gerechtshof te Amsterdam.

Wetsartikelen in deze uitspraak

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.