Uitspraak · Personen- en familierecht

Rechtbank Amsterdam, 5 juni 2026

ECLI:NL:RBAMS:2026:7909Zaaknummer C/13/788357 / JE RK 26-411

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
5 juni 2026
Publicatiedatum
7 augustus 2026
Zaaknummer
C/13/788357 / JE RK 26-411
Rechtsgebied
Civiel recht, Personen- en familierecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig, Beschikking
Zittingsplaats
Amsterdam
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Voorlopige ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing. De minderjarige heeft contact met (meerderjarige) mannen en ziet de risico’s van haar gedrag niet in. De kinderrechter ziet dat de moeder meewerkend is en begrijpt dat zij de voorkeur geeft aan hulp in een vrijwillig kader, maar dit is al geprobeerd en de zorgen zijn op dit moment te groot om nogmaals een poging te doen deze zonder dwangkader weg te nemen. Bovendien heeft de gemeente aangegeven dat de mogelijkheden binnen het vrijwillig kader zijn uitgeput.

6 De beslissing

De kinderrechter:

6.1.

stelt [minderjarige] voorlopig onder toezicht van Jeugdbescherming Regio Amsterdam tot 26 augustus 2026;

6.2.

verleent een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder tot 26 augustus 2026;

6.3.

verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beschikking is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 5 juni 2026 door mr. E.M. Devis, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. A.F. Hulskes als griffier, en op schrift gesteld op 17 juni 2026.

Tegen eindbeslissingen in deze beschikking over de machtiging tot uithuisplaatsing is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Amsterdam. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:

  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. 1 Het verloop van de procedure
  2. 2 De feiten
  3. 3 Het verzoek
  4. 4 Het verzoek
  5. 5 De beoordeling
  6. 6 De beslissing

RECHTBANK AMSTERDAM

Familie- en Jeugdrecht

Zaaknummer: C/13/1788357 / JE RK 26-411

Datum mondelinge uitspraak: 5 juni 2026

Beschikking van de kinderrechter over een voorlopige ondertoezichtstelling en een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing

in de zaak van

de Raad voor de Kinderbescherming,

regio Amsterdam,

hierna te noemen de Raad,

over

[minderjarige], geboren op [geboortedag] 2011 te [geboorteplaats],

hierna te noemen [minderjarige],

wonende te [woonplaats].

De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:

[de moeder],

hierna te noemen de moeder,

wonende te [woonplaats],

advocaat mr. N.D. ’t Zand te Amsterdam.

De kinderrechter merkt als informant aan:

de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Regio Amsterdam, gevestigd te Amsterdam, hierna te noemen de GI.

1 Het verloop van de procedure

1.1.

De kinderrechter neemt mee in de beoordeling:

  • het verzoekschrift van de Raad, ontvangen op 26 mei 2026;
  • de spoedbeschikking van de kinderrechter van deze rechtbank van 26 mei 2026;
  • het verweerschrift van de moeder, ontvangen op 5 juni 2026.
1.2.

De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 5 juni 2026. Daarbij

waren aanwezig:

  • de moeder bijgestaan door haar advocaat;
  • mevrouw [naam 1] namens de Raad;
  • mevrouw [naam 2] namens de GI.
1.3.

[minderjarige] is, gelet op haar leeftijd, in de gelegenheid gesteld om haar mening kenbaar te maken. [minderjarige] heeft, middels videobellen, een gesprek gehad met de kinderrechter. De kinderrechter heeft tijdens de zitting kort samengevat wat [minderjarige] heeft verteld, zodat partijen daarop hebben kunnen reageren.

2 De feiten

2.1.

De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige].

2.2.

[minderjarige] woont bij de moeder.

2.3.

De gegevens van de vader van [minderjarige] zijn niet bekend.

2.4.

Bij beschikking van 26 mei 2026 is [minderjarige] voorlopig onder toezicht gesteld van de GI voor de duur van twee weken en heeft de kinderrechter een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder verleend.

3 Het verzoek

3.1.

De Raad verzoekt [minderjarige] voorlopig onder toezicht te stellen voor de duur van drie maanden. Ook verzoekt de Raad een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder voor de duur van de ondertoezichtstelling en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. Van de drie maanden die zijn verzocht heeft de kinderrechter al twee weken verleend, zodat nog beslist dient te worden over het resterende gedeelte.

4 Het verzoek

De Raad

4.1.

De Raad heeft ter zitting gepersisteerd bij de verzoeken. [minderjarige] is in drie weken tijd meermaals weggelopen. [minderjarige] heeft contacten met (meerderjarige) mannen via Snapchat. Zij kan zich niet verweren en neemt haar anticonceptie zonder regelmaat. [minderjarige] ziet de risico’s van haar gedrag niet in en blijft zichzelf constant in gevaar brengen. Ook is bij [minderjarige] sprake van een forse telefoonverslaving.

De moeder is liefdevol, maar de interactie tussen [minderjarige] en de moeder is onvoldoende van kwaliteit. Zo heeft de moeder weinig controle op het telefoongebruik door [minderjarige] en onvoldoende zicht op de personen met wie [minderjarige] omgaat. De moeder staat achter intensieve hulpverlening voor hen beiden, maar dit kan niet meer binnen het vrijwillig kader. [minderjarige] is namelijk ambivalent ten opzichte van hulpverlening en de gemeente heeft aangegeven dat de mogelijkheden binnen het vrijwillig kader zijn uitgeput. Ook inzet van diagnostiek en behandeling is van belang, maar dat ziet [minderjarige] niet in.

Daarnaast moet de moeder tijd en ruimte over hebben om haar relatie met [minderjarige] weer op te kunnen bouwen. De besluiten ten aanzien van de woonplek van [minderjarige] moeten dan ook niet bij de moeder liggen.

De zorgen bij de Raad over de acute en directe veiligheid van [minderjarige] zijn groot, zodat de ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing noodzakelijk zijn.

De GI

4.2.

De GI is het eens met het verzoek van de Raad. De eerste dag dat [minderjarige] op de woongroep verbleef is zij, toen zij eigenlijk naar school moest, zelfstandig naar [naam 2] afgereisd. Naar aanleiding daarvan is besloten dat [minderjarige] op de woongroep blijft en online toetsen afneemt. [minderjarige] probeert momenteel op eigen verantwoordelijkheid haar telefoongebruik te verminderen. De woongroep neemt namelijk geen telefoons in. Het gaat prima met [minderjarige] bij de woongroep. Zij is open over wat zij onderneemt. Toch heeft zij de gevaren van haar eigen handelen niet door. Het lijkt erop dat [minderjarige] een steunend vaderfiguur mist en daarom contact zoekt met mannen.

De GI acht het vrijwillig kader niet passend en sluit daarbij aan bij hetgeen door de Raad is aangevoerd.

De moeder en haar advocaat

4.3.

De moeder deelt de zorg van de Raad dat [minderjarige] contacten heeft met meerderjarige mannen en zich herhaaldelijk in gevaarlijke situaties heeft gebracht. [minderjarige] is kwetsbaar en heeft een laag zelfbeeld. Zij is ook verkracht. De moeder heeft geen grip meer op haar.

De moeder wenst dat, naast het diagnostisch onderzoek, [minderjarige] ook wordt behandeld voor haar trauma, telefoonverslaving en lage zelfbeeld.

Toch acht de moeder het mogelijk om, met de juiste ondersteuning in het vrijwillige kader, de verantwoordelijkheid voor de opvoeding te dragen. De huidige terugval wordt door de moeder serieus genomen. De conclusie dat het vrijwillig kader definitief is uitgeput, is echter niet verder onderbouwd. De moeder wil graag dat [minderjarige] bij haar thuis komt wonen, maar zij is bang dat [minderjarige] weer zal weglopen. Daarom gaat de moeder akkoord met het verblijf van [minderjarige] op de woongroep.

Primair stelt de moeder dat de zaak binnen het vrijwillig kader kan blijven, omdat de moeder instemt met de uithuisplaatsing. Subsidiair is de moeder akkoord met de ondertoezichtstelling, nu de benodigde intensieve begeleiding snel van start kan gaan. Een machtiging tot uithuisplaatsing blijft dan alsnog een zware maatregel, terwijl de moeder meewerkt en instemt. De moeder wenst dat, indien de machtiging tot uithuisplaatsing wordt verleend, dit gepaard gaat met een concreet terugplaatsingsperspectief, dagelijkse belmomenten en een contactregeling in het weekend. Ook dient er een hulpverleningsplan opgesteld te worden dat actief werkt aan de terugkeer naar huis.

5 De beoordeling

5.1.

Op grond van de overgelegde stukken en de zitting is de kinderrechter van oordeel dat aan de voorwaarden voor een voorlopige ondertoezichtstelling is voldaan (artikel 1:257 van het Burgerlijk Wetboek (BW)). Er is een ernstig vermoeden dat de ontwikkeling van [minderjarige] acuut en ernstig wordt bedreigd. De voorlopige ondertoezichtstelling is noodzakelijk om die bedreiging weg te nemen.

5.2.

Gelet op de stukken en hetgeen tijdens de zitting is besproken, is de kinderrechter ook van oordeel dat het noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding, onderzoek van haar geestelijke toestand en onderzoek van haar lichamelijke toestand dat [minderjarige] uit huis wordt geplaatst (artikel 1:265b, eerste lid, BW).

5.3.

De zorgen die ten tijde van de spoedbeschikking aanwezig waren, zijn nog steeds aanwezig. [minderjarige] heeft contact met (meerderjarige) mannen en ziet de risico’s van haar gedrag niet in. Daardoor brengt zij zichzelf in gevaar. Daarnaast is bij [minderjarige] sprake van een forse telefoonverslaving. De moeder heeft geen grip meer op haar.

De komende periode moet in kaart worden gebracht waar dit gedrag van [minderjarige] vandaan komt en welke hulpverlening daarbij ingezet moet worden. De kinderrechter ziet dat de moeder meewerkend is en begrijpt dat zij de voorkeur geeft aan hulp in een vrijwillig kader, maar dit is al geprobeerd en de zorgen zijn op dit moment te groot om nogmaals een poging te doen deze zonder dwangkader weg te nemen. Dat zou een herhaling van zetten worden. Bovendien heeft de gemeente aangegeven dat de mogelijkheden binnen het vrijwillig kader zijn uitgeput. De kinderrechter heeft geen reden hieraan te twijfelen. De GI moet regie gaan voeren en de Raad moet onderzoek doen naar de problematiek van [minderjarige] en naar wat zij nodig heeft om uiteindelijk duurzaam veilig op te groeien. Het is verder aan de GI om een contactregeling tussen de moeder en [minderjarige] vorm te geven en afspraken te maken met [minderjarige] over haar telefoongebruik.

5.4.

Gelet op het voorgaande, acht de kinderrechter het in het belang van [minderjarige] dat zij voorlopig onder toezicht wordt gesteld en de machtiging tot uithuisplaatsing wordt verleend voor de duur van drie maanden.

6 De beslissing

De kinderrechter:

6.1.

stelt [minderjarige] voorlopig onder toezicht van Jeugdbescherming Regio Amsterdam tot 26 augustus 2026;

6.2.

verleent een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder tot 26 augustus 2026;

6.3.

verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beschikking is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 5 juni 2026 door mr. E.M. Devis, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. A.F. Hulskes als griffier, en op schrift gesteld op 17 juni 2026.

Tegen eindbeslissingen in deze beschikking over de machtiging tot uithuisplaatsing is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Amsterdam. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:

  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Wetsartikelen in deze uitspraak

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.