Uitspraak · Socialezekerheidsrecht
Rechtbank Amsterdam, 28 juli 2026
ECLI:NL:RBAMS:2026:7851Zaaknummer 25/3103
- Instantie
- Rechtbank Amsterdam
- Datum uitspraak
- 28 juli 2026
- Publicatiedatum
- 13 augustus 2026
- Zaaknummer
- 25/3103
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht, Socialezekerheidsrecht
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Zittingsplaats
- Amsterdam
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
Beroep ongegrond. Wet WIA. De rechtbank heeft geen twijfel over de medische grondslag van het bestreden besluit. Eiseres heeft ter zitting toegelicht dat zij op termijn op zoek wil gaan naar een functie die bij haar past. De rechtbank begrijpt dat het voor eiseres belangrijk is om werkzaamheden te vinden die aansluiten bij haar interesses en voorkeuren. De beoordeling in het kader van de Wet WIA ziet echter niet op de vraag welke functie eiseres zelf het meest passend of wenselijk vindt, maar op de vraag welke arbeid zij, gelet op haar medisch vastgestelde belastbaarheid zoals opgenomen in de FML, kan verrichten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.M. Hansen-Löve, rechter, in aanwezigheid van mr. N.J.A. van Eck, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 28 juli 2026.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingediend bij de Centrale Raad van Beroep binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. De indiener van het hoger beroep kan de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening te treffen.
Het indienen van een hogerberoepschrift kan digitaal via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl of door verzending per post aan de Centrale Raad van Beroep.
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
RECHTBANK AMSTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummer: AMS 25/3103
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 28 juli 2026 in de zaak tussen
[eiseres] , uit [woonplaats] , eiseres
(gemachtigde: mr. Y.M. Venderbos),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, verweerder
(gemachtigde: mr. A.A.H. Ibrahim).
Inleiding
In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen de voor haar vastgestelde mate van arbeidsongeschiktheid.
Met het primaire besluit van 1 oktober 2024 heeft verweerder aan eiseres met ingang van 21 mei 2024 een WIA-uitkering[_91ccd7f8-5ef1-4b87-b339-e82dd2ef88c7] toegekend naar de mate van arbeidsongeschiktheid van 41,13%. Met het bestreden besluit van 15 april 2025 heeft verweerder het bezwaar van eiseres daartegen gegrond verklaard en het arbeidsongeschiktheidspercentage gewijzigd vastgesteld op 43,09%.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 juli 2026. Eiseres was aanwezig, bijgestaan door mr. S.I. Schinkel als waarnemer van de gemachtigde van eiseres. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Totstandkoming van de besluiten
Eiseres is laatstelijk werkzaam geweest als studiecoördinator voor gemiddeld 17,93 uur per week. Op 24 mei 2022 heeft zij zich vanuit de werkloosheidswet ziekgemeld. Na het doorlopen van de wachttijd heeft zij op 4 april 2024 een WIA-uitkering aangevraagd.
Met het primaire besluit heeft verweerder eiseres vanaf 21 mei 2024 voor 41,13% arbeidsongeschikt geacht. Verweerder heeft aan eiseres een WIA-uitkering toegekend omdat zij minder dan 65% kan verdienen van het loon dat zij verdiende voordat zij ziek werd. Verweerder heeft aan dit besluit een rapport van de verzekeringsarts van 9 september 2024 en een rapport van de arbeidsdeskundige van 1 oktober 2024 ten grondslag gelegd. De verzekeringsarts heeft de beperkingen van eiseres neergelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 30 september 2024.
Met het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van eiseres gegrond verklaard. Verweerder heeft aan dit besluit een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep van 19 februari 2025 en een rapport van een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van 7 april 2025 ten grondslag gelegd. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft naar aanleiding van het bezwaar een aantal aanvullende beperkingen opgenomen in een nieuwe FML van 19 februari 2025. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft vervolgens ingeschat of de eerder geduide functies nog passend zijn. Daarbij heeft zij enkele eerder geduide functies verworpen en nieuwe functies geselecteerd. Volgens de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep is eiseres per 21 mei 2024 voor 43,09% arbeidsongeschikt.
Beoordeling door de rechtbank
De rechtbank beoordeelt of verweerder de mate van arbeidsongeschiktheid van eiseres per 21 mei 2024 (de datum in geding) juist heeft vastgesteld. Daartoe moet de rechtbank aan de hand van de aangevoerde beroepsgronden toetsen of verweerder de medische beperkingen van eiseres per die datum correct heeft vastgesteld en of eiseres, rekening houdend met deze beperkingen, op die datum in staat was de geselecteerde functies te verrichten.
De rechtbank stelt voorop dat verweerder eiseres vanaf 21 mei 2024 gedeeltelijk arbeidsongeschikt heeft geacht. Hoewel partijen van mening verschillen over de mate van arbeidsongeschiktheid, erkent verweerder uitdrukkelijk dat eiseres gezondheidsklachten heeft en heeft hij vanwege die klachten aanzienlijke beperkingen aangenomen. Daarbij is onder meer aangenomen dat van eiseres niet kan worden verwacht dat zij voltijds werkt. Ook de rechtbank twijfelt er niet aan dat eiseres gezondheidsklachten ervaart die haar functioneren belemmeren. Ter zitting heeft zij toegelicht dat haar gezondheid wisselend is, met zowel betere als mindere dagen. Daarnaast heeft zij verklaard dat zij nog onvoldoende vertrouwen heeft om zonder medicatie of middelengebruik weer aan het werk te gaan. De rechtbank merkt op dat het een positieve ontwikkeling is dat eiseres inmiddels gedurende enige tijd geen verslavende middelen meer gebruikt en dat zij de intentie heeft om, zodra haar gezondheid dat toelaat, weer aan het arbeidsproces deel te nemen. Dat eiseres zich desondanks op dit moment nog niet in staat acht om te werken, is op zichzelf onvoldoende voor de conclusie dat zij op 21 mei 2024 als volledig arbeidsongeschikt moet worden aangemerkt. In het kader van de Wet WIA is immers beslissend of iemand op basis van objectief-medische gegevens bezien– als rekening wordt gehouden met alle beperkingen – alsnog bepaalde werkzaamheden kan verrichten.
Verweerder mag zijn besluiten over arbeidsongeschiktheid in principe baseren op rapporten van zijn verzekeringsartsen en arbeidsdeskundigen. Deze rapporten moeten dan wel aan een aantal voorwaarden voldoen: zij moeten op zorgvuldige wijze tot stand zijn gekomen, ze mogen geen tegenstrijdigheden bevatten en de conclusies moeten logisch voortvloeien uit de rapporten. Het is aan eiseres om aannemelijk te maken dat de rapporten die over haar zijn opgesteld niet aan deze vereisten voldoen. De rechtbank beoordeelt of de rapporten die in deze zaak zijn opgesteld, voldoen aan de hierboven genoemde voorwaarden.
De medische grondslag van het bestreden besluit
De rechtbank is van oordeel dat het medisch onderzoek met de vereiste zorgvuldigheid is verricht. De primaire verzekeringsarts heeft eiseres op 2 augustus 2024 tijdens het spreekuur psychisch onderzocht. In de bezwaarfase is eiseres vervolgens door twee verzekeringsartsen bezwaar en beroep onderzocht, waarbij tevens een uitgebreid lichamelijk onderzoek heeft plaatsgevonden. Daarnaast hebben de verzekeringsartsen dossieronderzoek verricht en de door eiseres overgelegde medische informatie bij hun beoordeling betrokken. Ook het in de beroepsfase overgelegde aanvullende medische stuk is in de beoordeling meegenomen. De rechtbank ziet geen aanknopingspunten voor het oordeel dat relevante medische informatie buiten beschouwing is gelaten of dat nader medisch onderzoek aangewezen was.
De rechtbank volgt eiseres niet in haar stelling dat zij psychisch verdergaand beperkt is dan door de verzekeringsarts bezwaar en beroep is aangenomen. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep in de FML al verschillende, vergaande beperkingen op het gebied van persoonlijk en sociaal functioneren heeft opgenomen. Zo is eiseres onder meer aangewezen op een werksituatie zonder veelvuldige storingen en onderbrekingen en zonder deadlines of productiepieken. Voor zover eiseres heeft aangevoerd dat ten onrechte niet meer beperkingen zijn aangenomen omdat zij zich niet goed kan concentreren, is de rechtbank van oordeel dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep afdoende heeft gemotiveerd waarom hij daartoe geen aanleiding ziet. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft onder verwijzing naar de Basisinformatie CBBS toegelicht dat een beperking op dit aspect is voorbehouden aan situaties waarin sprake is van ernstige psychiatrische, neurologische of ontwikkelingsstoornissen. Daarbij gaat het om stoornissen die zich ook in het dagelijks functioneren manifesteren, bijvoorbeeld in de zelfverzorging of het sociale functioneren. Uit de beschikbare medische informatie blijkt niet dat daarvan bij eiseres sprake is. Weliswaar blijkt uit de medische gegevens dat eiseres problemen ervaart met haar concentratie, maar de verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft voldoende toegelicht dat hiermee rekening is gehouden door eiseres aangewezen te achten op eenvoudige werkzaamheden. Ook ten aanzien van het inschatten van het eigen kunnen heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep voldoende gemotiveerd waarom geen beperking is aangenomen. Daarbij heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep toegelicht dat een dergelijke beperking is aangewezen wanneer sprake is van een stoornis die leidt tot een verminderde realiteitstoetsing van de eigen mogelijkheden tot functioneren. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft geen aanwijzingen gezien dat hiervan bij eiseres sprake is. De rechtbank ziet in wat eiseres heeft aangevoerd geen aanleiding deze motivering voor onjuist te houden.
De rechtbank volgt eiseres evenmin in haar standpunt dat de in de FML opgenomen beperkingen op enkele aspecten zwaarder hadden moeten worden vastgesteld. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft voldoende gemotiveerd dat de aangenomen beperkingen aansluiten bij de medische situatie van eiseres op 21 mei 2024. Daarbij heeft hij toegelicht dat de belastbaarheid van eiseres mede afhankelijk is van de aard en complexiteit van de werkzaamheden. Hoewel eiseres als gevolg van haar psychische klachten beperkingen ervaart, wordt zij in staat geacht om bepaalde, met name mentaal minder complexe werkzaamheden te verrichten. Bij deze beoordeling is ook betrokken dat eiseres in het dagelijks leven nog in enige mate sociale contacten onderhoudt. Daarnaast is rekening gehouden met haar beperkte belastbaarheid door een urenbeperking van maximaal 20 uur per week en maximaal 4 uur per dag aan te nemen. De combinatie van het verrichten van eenvoudige, mentaal minder belastende werkzaamheden en het werken gedurende een beperkt aantal uren biedt voldoende ruimte om haar psychische klachten te ondervangen. De rechtbank acht deze toelichting toereikend. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiseres niet aannemelijk gemaakt dat de reeds aangenomen beperkingen op de betreffende aspecten onvoldoende zwaar zijn vastgesteld.
De rechtbank heeft gelet op hetgeen hiervoor is overwogen geen twijfel over de medische grondslag van het bestreden besluit. De rechtbank gaat uit van de juistheid van de FML van 19 februari 2025.
De arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit
Eiseres heeft ter zitting toegelicht dat zij op termijn op zoek wil gaan naar een functie die bij haar past. De rechtbank begrijpt dat het voor eiseres belangrijk is om werkzaamheden te vinden die aansluiten bij haar interesses en voorkeuren. De beoordeling in het kader van de Wet WIA ziet echter niet op de vraag welke functie eiseres zelf het meest passend of wenselijk vindt, maar op de vraag welke arbeid zij, gelet op haar medisch vastgestelde belastbaarheid zoals opgenomen in de FML, kan verrichten. Aan de hand van het CBBS wordt beoordeeld of functies beschikbaar zijn waarvan de belasting binnen de door de verzekeringsarts vastgestelde mogelijkheden blijft en die gelet op onder meer de opleiding en taalvaardigheid van eiseres voor haar geschikt worden geacht. Deze functies worden niet geselecteerd met het doel om eiseres daadwerkelijk in een van deze functies te plaatsen, maar dienen ter bepaling van het inkomen dat eiseres theoretisch nog zou kunnen verdienen. Op basis daarvan worden het verlies aan verdiencapaciteit en daarmee de mate van arbeidsongeschiktheid in de zin van de Wet WIA vastgesteld. Dat deze functies mogelijk niet aansluiten bij de persoonlijke voorkeuren of interesses van eiseres, betekent niet dat zij niet als passend kunnen worden aangemerkt.
Zoals de gemachtigde van eiseres ter zitting heeft bevestigd, blijven de geduide functies binnen de vastgestelde belastbaarheid van eiseres. De rechtbank heeft hiervoor reeds overwogen dat de FML van 19 februari 2025 op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen en dat de daarin opgenomen beperkingen aansluiten bij de medische situatie van eiseres. Vanuit deze belastbaarheid heeft verweerder de arbeidskundige beoordeling verricht. De rechtbank is van oordeel dat verweerder, gelet op de inzichtelijke arbeidskundige onderbouwing en de daarbij betrokken medische informatie, voldoende heeft gemotiveerd dat de belasting in de geselecteerde functies de in de FML vastgestelde belastbaarheid van eiseres niet overschrijdt. Voor zover bij de functieselectie signaleringen zijn opgenomen, heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep deze beoordeeld en voldoende inzichtelijk toegelicht waarom deze geen aanleiding geven om de functies als niet passend aan te merken. Daarbij is gemotiveerd waarom de betreffende aspecten binnen de belastbaarheid van eiseres blijven. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding voor het oordeel dat de geduide functies niet passend zijn. Deze functies mochten dan ook aan de schatting ten grondslag worden gelegd en konden worden gebruikt voor de berekening van de mate van arbeidsongeschiktheid.
Conclusie en gevolgen
Het beroep is ongegrond. Verweerder heeft het arbeidsongeschiktheidspercentage van eiseres per 21 mei 2024 terecht vastgesteld op 43,09%.
Omdat het beroep ongegrond is, krijgt eiseres het griffierecht niet terug. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat bij deze uitkomst geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.M. Hansen-Löve, rechter, in aanwezigheid van mr. N.J.A. van Eck, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 28 juli 2026.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingediend bij de Centrale Raad van Beroep binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. De indiener van het hoger beroep kan de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening te treffen.
Het indienen van een hogerberoepschrift kan digitaal via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl of door verzending per post aan de Centrale Raad van Beroep.
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.