Uitspraak · Civiel recht
Rechtbank Amsterdam, 26 juni 2026
ECLI:NL:RBAMS:2026:7345Zaaknummer C/13/788892
- Instantie
- Rechtbank Amsterdam
- Datum uitspraak
- 26 juni 2026
- Publicatiedatum
- 21 juli 2026
- Zaaknummer
- C/13/788892
- Rechtsgebied
- Civiel recht
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudig, Kort geding, Mondelinge uitspraak, Proces-verbaal
- Zittingsplaats
- Amsterdam
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
Kort geding. Vordering in conventie tot verhoging van de kinderalimentatie vooruitlopend op de bodemprocedure wordt afgewezen bij gebrek aan een (spoedeisend) belang. Daarnaast zijn partijen het niet eens over wie welk deel van de schoolkosten betaalt. De vorderingen van de vrouw in reconventie, die erop neerkomen dat partijen 50/50 betalen, worden toegewezen.
3 De beslissing
De voorzieningenrechter
in conventie
weigert de gevraagde voorzieningen,
compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,
in reconventie
veroordeelt de man tot betaling aan de vrouw van € 5.881 op uiterlijk 30 juni 2026 en € 5.881 op uiterlijk 30 oktober 2026, beide voor zijn aandeel in de schoolkosten, met bepaling dat als de man niet (tijdig) aan deze veroordeling voldoet, de vrouw ook zijn aandeel in de schoolkosten voor haar rekening neemt, waardoor zij dan een vordering van dezelfde hoogte op de man verkrijgt, die moet worden voldaan uit het aan de man toekomende aandeel in de netto-opbrengst van de gezamenlijke woning, uiterlijk op de dag van de notariële levering aan de koper,
compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit proces-verbaal is opgemaakt en ondertekend door de voorzieningenrechter en de griffier.[_fb89e95a-caee-4b53-9f63-4a9ff9977e27]
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
RECHTBANK Amsterdam
Civiel recht, voorzieningenrechter
Zaaknummer: C/13/788892 / KG ZA 26-470 MdV/KH
Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak in kort geding van 26 juni 2026
in de zaak van
[de man],
te [woonplaats 1],
eisende partij in conventie bij dagvaarding van 5 juni 2026,
verwerende partij in reconventie,
hierna te noemen: de man,
advocaat: mr. R. de Falco,
tegen
[de vrouw],
te [woonplaats 2],
gedaagde partij in conventie,
eisende partij in reconventie,
hierna te noemen: de vrouw,
advocaat: mr. A.W. Morot.
Het kort geding wordt gehouden in de rechtbank Amsterdam.
De zaak wordt behandeld door mr. W.M. de Vries, voorzieningenrechter, bijgestaan door mr. K. Hogeman als griffier.
Aanwezig zijn, voor zover relevant:
- de man met [naam 1] (tolk Engels) en mr. De Falco,
- de vrouw met [naam 2] (tolk Engels) en mr. Morot.
1 De procedure
Tijdens de mondelinge behandeling op 26 juni 2026 heeft de man de dagvaarding toegelicht. De vrouw heeft mede aan de hand van een op voorhand ingediende conclusie van antwoord verweer gevoerd en heeft een eis in reconventie ingesteld, die de man heeft bestreden. Beide partijen hebben producties in het geding gebracht. De behandeling van de zaak is gesloten en de voorzieningenrechter heeft op de zitting in aanwezigheid van partijen mondeling uitspraak gedaan. Daarvan is dit proces-verbaal opgemaakt, dat op 26 juni 2026 aan partijen is afgegeven.
2 De beoordeling
Partijen hebben een relatie gehad en zij hebben samen drie kinderen: [minderjarige 1] (17 jaar), [minderjarige 2] (14 jaar) en [minderjarige 3] (12 jaar).
De kinderen zitten op een internationale school, [onderwijsinstelling] ([onderwijsinstelling]). Partijen hebben de daaraan verbonden kosten de afgelopen 13 jaar 50/50 verdeeld. De eerstvolgende betalingen aan [onderwijsinstelling] moeten uiterlijk op 1 juli 2026 en 31 oktober 2026 plaatsvinden.
De man vordert in dit kort geding onder meer (verhoging van de) kinderalimentatie, vooruitlopend op de uitkomst van de bodemprocedure die hij daarvoor heeft gestart. Deze vordering wordt afgewezen bij gebrek aan een (spoedeisend) belang. Er is hierover een bodemprocedure aanhangig en de vrouw betaalt momenteel al elke maand een bedrag. Niet aannemelijk is dat er een acute noodzaak is om in kort geding een voorschot op nog vast te stellen alimentatie toe te kennen.
Verder is aan de orde de vraag wie welk deel van de schoolkosten van de kinderen betaalt. Het is zorgwekkend dat deze zaak aan de voorzieningenrechter is voorgelegd en dat partijen als ouders niet in staat zijn gebleken het belang van hun kinderen voorop te stellen. Vaststaat dat de kinderen bij niet tijdige betaling van het schoolgeld van hun vertrouwde school af moeten. Dat is zonder meer niet in hun belang. Partijen hebben de schoolkosten 13 jaar lang 50/50 verdeeld. De man zegt nu dat hij zijn deel niet meer kan betalen en dat gelet op het inkomensverschil tussen partijen de vrouw 75% van de kosten moet betalen. De vrouw op haar beurt meent dat net als altijd partijen ieder de helft moeten blijven betalen.
Het standpunt van de vrouw wordt gevolgd. Het 50/50 delen van de schoolkosten is een bestendige afspraak. De man heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt dat hij door financieel onvermogen deze afspraak niet meer kan nakomen. Het enkele feit dat hij een WW-uitkering krijgt is daarvoor onvoldoende. Het valt in dit kort geding niet vast te stellen dat de man minder draagkracht heeft dan de vrouw. Bovendien is het zo dat, voor zover de man wel financieel klem zou zitten, de vrouw een uitweg heeft geboden. Zij heeft aangeboden het aandeel van de man in de schoolkosten voor te schieten en te verrekenen met de netto-opbrengst van de verkoop van de gezamenlijke woning van partijen. Ook dat draagt bij aan het oordeel dat geen sprake is van een financiële noodsituatie bij de man.
Voorgaande betekent dat de vorderingen van de man in conventie worden afgewezen. De vorderingen van de vrouw in reconventie worden toegewezen, in die zin dat de man wordt veroordeeld tot betaling aan de vrouw van € 5.881 op uiterlijk 30 juni 2026 en € 5.881 op uiterlijk 30 oktober 2026. Als de man deze bedragen niet (tijdig) voldoet, zal de vrouw ook zijn aandeel in de schoolkosten op zich nemen en verkrijgt zij daarmee een vordering van dezelfde hoogte op de man, die moet worden voldaan uit het aan de man toekomende aandeel in de netto-opbrengst van de gezamenlijke woning, uiterlijk op de dag van de notariële levering aan de koper.
Uitgangspunt in dit soort zaken is dat de proceskosten tussen partijen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt. Er is – in conventie en in reconventie – onvoldoende aanleiding om van dat uitgangspunt af te wijken.
3 De beslissing
De voorzieningenrechter
in conventie
weigert de gevraagde voorzieningen,
compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,
in reconventie
veroordeelt de man tot betaling aan de vrouw van € 5.881 op uiterlijk 30 juni 2026 en € 5.881 op uiterlijk 30 oktober 2026, beide voor zijn aandeel in de schoolkosten, met bepaling dat als de man niet (tijdig) aan deze veroordeling voldoet, de vrouw ook zijn aandeel in de schoolkosten voor haar rekening neemt, waardoor zij dan een vordering van dezelfde hoogte op de man verkrijgt, die moet worden voldaan uit het aan de man toekomende aandeel in de netto-opbrengst van de gezamenlijke woning, uiterlijk op de dag van de notariële levering aan de koper,
compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit proces-verbaal is opgemaakt en ondertekend door de voorzieningenrechter en de griffier.[_fb89e95a-caee-4b53-9f63-4a9ff9977e27]
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.