Uitspraak · Bestuursrecht
Rechtbank Amsterdam, 15 juli 2026
ECLI:NL:RBAMS:2026:7252Zaaknummer AMS 25/1997
- Instantie
- Rechtbank Amsterdam
- Datum uitspraak
- 15 juli 2026
- Publicatiedatum
- 5 augustus 2026
- Zaaknummer
- AMS 25/1997
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Zittingsplaats
- Amsterdam
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
Afwijzing aanvraag om toestemming tot het voeren van een Nederlandse titel op grond van de WHW. Advies van Nuffic is inzichtelijk en concludent. Beroep ongegrond.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.H. van Haeften, rechter, in aanwezigheid van mr.C. Simonis, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 15 juli 2026.
| griffier | rechter |
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
RECHTBANK AMSTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummer: AMS 25/1997
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 15 juli 2026 in de zaak tussen
[eiseres], uit [woonplaats], eiseres
en
de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (Dienst Uitvoering Onderwijs), verweerder
(gemachtigde: mr. F. Hummel-Fekkes).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiseres om toestemming tot het voeren van een Nederlandse titel op grond van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijke onderzoek (WHW). Eiseres is het niet eens met de afwijzing van de aanvraag. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat verweerder de aanvraag van eiseres in redelijkheid heeft kunnen afwijzen. Eiseres krijgt dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Eiseres heeft een aanvraag ingediend om een Nederlandse titel te mogen voeren op basis van een door haar in het buitenland gevolgde opleiding. Verweerder heeft deze aanvraag met het besluit van 2 september 2024 afgewezen. Met het bestreden besluit van 26 februari 2025 op het bezwaar van eiseres is verweerder bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
De rechtbank heeft het beroep op 8 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan heeft de gemachtigde van verweerder deelgenomen. Eiseres heeft zich afgemeld voor de zitting.
Overwegingen
Achtergrond en besluitvorming
3. Eiseres heeft in Belarus (Wit-Rusland) in 2004 het Dyplom (Diploma) in de richting [studie] behaald, aan de [school]. De nominale studieduur van de opleiding was 5 jaar.
Op 10 juli 2024 heeft zij een aanvraag ingediend om op basis van deze opleiding een Nederlandse titel te mogen voeren.
Verweerder heeft advies gevraagd bij Nuffic. Uit het advies van Nuffic blijkt dat eiseres met het door haar in Wit-Rusland behaalde diploma, naar Nederlandse termen, een opleidingsniveau heeft bereikt van mastergraad in het hoger beroepsonderwijs. In Nederland bestaat echter geen titel voor een mastergraad behaald in het hoger beroepsonderwijs. Daardoor is het niet mogelijk om eiseres een Nederlandse titel te verlenen. Om die reden heeft verweerder de aanvraag afgewezen.
Eiseres heeft bezwaar gemaakt tegen de afwijzing. Bij haar bezwaarschrift heeft eiseres een Nederlandse vertaling aangeleverd van een document dat eerder alleen in de Wit-Russische taal was aangeleverd. Verweerder heeft daarom Nuffic verzocht een nieuw advies af te geven. In het nieuwe advies constateert Nuffic dat eiseres in het kader van haar opleiding drie praktijkstages heeft gevolgd met een omvang van in totaal 20 weken, een scriptie heeft geschreven, er tijdens de opleiding geen specialisatie plaatsgevonden heeft en er geen onderzoeksvakken zijn gevolgd. Daarnaast blijkt uit het advies dat in algemene zin kan worden gesteld dat in Wit-Rusland binnen het hoger onderwijs een mengvorm van hoger beroepsgericht en academisch georiënteerd onderwijs wordt verzorgd. Ondanks het feit dat er ook enkele theoretische vakken zijn gevolgd, blijkt uit het advies van Nuffic dat de door eiseres voltooide opleiding overwegend toepassingsgericht was. Nuffic ziet daarom geen aanleiding om terug te komen op het eerder uitgebrachte advies.
Op basis van de adviezen van Nuffic stelt verweerder dat de door eiseres gevolgde opleiding onvoldoende inhoudelijk vergelijkbaar is en onvoldoende hetzelfde doel heeft als een Nederlandse opleiding waarbij een titel wordt toegekend. Eiseres voldoet daarom niet aan artikel 4.1 onder b van de Beleidsregels[_a4d37bf0-b713-4345-b9bc-1cfb8ac088f5] voor verzoeken tot het voeren van Nederlandse titulatuur. Verweerder heeft het bezwaarschrift om die reden ongegrond verklaard.
Beoordeling door de rechtbank
4. De rechtbank begrijpt de aanvraag en het beroepschrift van eiseres zo, dat zij graag een Nederlandse titel of een internationale graad zou willen voeren op basis van de door haar gevolgde opleiding in Wit-Rusland.
5. De rechtbank overweegt allereerst dat artikel 7.10a van de WHW bepaalt dat het instellingsbestuur van een onderwijsinstelling[_760cefcf-92b1-43d5-bce0-37d1ba07378b] bevoegd is tot het verlenen van de graad Bachelor, Master of Associate degree. De minister is daartoe dus niet bevoegd. Voor zover eiseres heeft verzocht om toestemming om een mastertitel te mogen voeren, geldt dat deze bevoegdheid uitsluitend bij het instellingsbestuur berust waar het afsluitend examen is afgelegd. De minister heeft dit verzoek dan ook terecht niet ingewilligd, nu zij daartoe niet bevoegd is.
6. Voor zover eiseres verzoekt om toestemming tot het voeren van een Nederlandse titel overweegt de rechtbank het volgende. Artikel 7.20, eerste lid, van de WHW bepaalt dat degene die gerechtigd is een graad op basis van een masteropleiding in het wetenschappelijk onderwijs te voeren, ook gerechtigd is tot het voeren van een daaraan gekoppelde Nederlandse titel. Dit zijn de titels ir., mr. of drs. Op grond van artikel 7.23, derde lid, van de WHW kan verweerder, aan degene aan wie op grond van een examen aan een niet in Nederland gevestigde instelling voor hoger onderwijs een graad is verleend, toestaan om in Nederland in de plaats van die graad een van de titels, genoemd in artikel 7.20, in de eigen naamsvermelding tot uitdrukking te brengen, indien de opleiding op grond waarvan de graad is verleend, naar het oordeel van verweerder ten minste gelijkwaardig is aan een overeenkomstige Nederlandse opleiding. Deze beoordeling vindt plaats aan de hand van de Beleidsregels.
7. Verweerder heeft Nuffic verzocht om advies uit te brengen. Nuffic heeft in dit kader vastgesteld dat de door eiseres gevolgde opleiding inhoudelijk niet vergelijkbaar is met een wetenschappelijke master. De opleiding is vergelijkbaar met een hbo-master. De rechtbank overweegt dat Nuffic deskundige is op het gebied van diplomawaardering en dat verweerder om die reden in beginsel mag afgaan op het door die instantie gegeven oordeel over de gelijkwaardigheid van opleidingen, mits dit op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen. De rechtbank is van oordeel dat het advies van Nuffic inzichtelijk en concludent is. De conclusie dat er geen sprake is van een wetenschappelijke opleiding kan de rechtbank volgen. Zo blijkt volgens Nuffic uit de cijferlijst niet dat verdieping in een hoofdvak heeft plaatsgevonden en evenmin dat er specifiek aandacht is besteed aan methoden en technieken voor het verrichten van onderzoek. Verder is de opleiding overwegend toepassingsgericht en hoewel er ook enkele theoretische vakken zijn gevolgd, zijn er geen specialisatie- of onderzoeksvakken gevolgd. Daarnaast maakt het schrijven van een scriptie ook deel uit van de Nederlandse hbo-master opleiding, waardoor dit onvoldoende onderscheidend is.
8. Wat betreft eiseres haar standpunt dat afgestudeerden met een hbo-master wel recht hebben om de bijbehorende titels te voeren volgens de WHW overweegt de rechtbank als volgt. Er bestaan hbo-masteropleidingen in het Nederlandse onderwijssysteem, maar de WHW kent hieraan geen Nederlandse titel toe. Artikel 7.20 van de WHW spreekt voor het toekennen van een Nederlandse titel namelijk specifiek van een ‘masteropleiding in het wetenschappelijk onderwijs’. Een hbo-master opleiding valt hier niet onder, waardoor het verzoek op deze grond dan ook niet kan slagen. Verweerder handelt hiermee dus ook niet in strijd met het gelijkheids- en rechtszekerheidsbeginsel.
9. Wat betreft de stelling dat het handelen van verweerder in strijd zou zijn met het Verdrag inzake de erkenning van kwalificaties (Lissabon Erkenningsverdrag), heeft eiseres dit niet concreet onderbouwd en niet aangegeven welke bepalingen van het verdrag naar haar oordeel zijn geschonden. Hierdoor faalt deze beroepsgrond.
10. Tot slot heeft eiseres aangevoerd dat zij onnodige belemmeringen op de arbeidsmarkt ervaart en dat er sprake is van strijd met het proportionaliteitsbeginsel. Voor zover eiseres hiermee stelt dat zij niet aan werkgevers kan aantonen welke opleiding zij heeft voltooid, overweegt de rechtbank dat eiseres de mogelijkheid heeft om een diplomawaardering aan te vragen. Daarmee kan zij haar opleidingsniveau en de waarde van haar diploma officieel laten vaststellen.
Conclusie en gevolgen
11. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat verweerder de aanvraag van eiseres in redelijkheid heeft kunnen afwijzen. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.H. van Haeften, rechter, in aanwezigheid van mr.C. Simonis, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 15 juli 2026.
| griffier | rechter |
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Wetsartikelen in deze uitspraak
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.