Uitspraak · Verbintenissenrecht
Rechtbank Amsterdam, 1 juli 2026
ECLI:NL:RBAMS:2026:7024Zaaknummer 12095180 \ CV EXPL 26-1733
- Instantie
- Rechtbank Amsterdam
- Datum uitspraak
- 1 juli 2026
- Publicatiedatum
- 21 juli 2026
- Zaaknummer
- 12095180 \ CV EXPL 26-1733
- Rechtsgebied
- Civiel recht, Verbintenissenrecht
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudig, Mondelinge uitspraak, Proceskostenveroordeling, Proces-verbaal
- Zittingsplaats
- Amsterdam
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
Mondelinge uitspraak over de uitleg van een pensioenreglement.
2 De beslissing
De kantonrechter
wijst de vorderingen van [eiser 1] en [eiser 2] af,
veroordeelt [eiser 1] en [eiser 2] in de proceskosten van € 720,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [eiser 1] en [eiser 2] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
veroordeelt [eiser 1] en [eiser 2] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
verklaart deze beslissing wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Deze mondelinge uitspraak is gewezen door mr. A.J. Wesdorp en in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.
Dit proces-verbaal is opgemaakt en ondertekend door de kantonrechter.
Volledige tekst
RECHTBANK AMSTERDAM
Civiel recht
Kantonrechter
Zaaknummer: 12095180 \ CV EXPL 26-1733
Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van 1 juli 2026
in de zaak van
1 [eiser 1], 2. [eiser 2],
beiden wonende te [woonplaats],
eisende partijen,
hierna te noemen: [eiser 1] en [eiser 2],
gemachtigde: mr. R.G. Verheij,
tegen
de stichting
STICHTING PENSIOENFONDS VAN DE ABN AMRO BANK N.V.,
gevestigd te Amsterdam,
gedaagde partij,
hierna te noemen: Stichting Pensioenfonds ABN AMRO,
gemachtigde: mr. T. Huijg.
De zitting wordt gehouden in het gebouw van de rechtbank in Amsterdam.
De zaak wordt behandeld door mr. A.J. Wesdorp, kantonrechter, bijgestaan door mr. M.F. van Grootheest als griffier.
Aanwezig zijn:
- [eiser 1] en [eiser 2] (via een videobelverbinding) met mr. Verheij - aan de zijde van Stichting Pensioenfond ABN AMRO: [naam 1] en [naam 2] met mr. Huijg.
Partijen hebben op de zitting vragen van de kantonrechter beantwoord en hun standpunten mede aan de hand van spreekaantekeningen toegelicht. Vervolgens is de mondelinge behandeling gesloten en heeft de kantonrechter op de zitting in aanwezigheid van partijen mondeling uitspraak gedaan.
Waar gaat de zaak over
Het Fortis Concern heeft tot aan de fusie in september 2009 uit twee entiteiten bestaan.
Één van de entiteiten droeg ten tijde van de fusie de naam Fortis Bank (Nederland) N.V. (daarvoor VSB Bank N.V. geheten). [eiser 1] is, totdat zijn dienstverband na arbeidsongeschiktheid is geëindigd, werkzaam geweest voor deze entiteit.
De andere entiteit droeg ten tijde van de fusie de naam Fortis Bank (Nederland) Holding N.V. Deze entiteit heeft tijdelijk, te weten van april 1996 tot en met 24 juni 1999, de naam Fortis Bank Nederland N.V. gedragen en daarvoor de naam VSB Groep N.V.
Bij de fusie is Fortis Bank (Nederland) N.V. opgegaan in Fortis Bank (Nederland) Holding N.V. en is de naam van Fortis Bank (Nederland) Holding N.V. gewijzigd in Fortis Bank (Nederland) N.V. met onder meer als handelsnaam Fortis Bank Nederland. Die entiteit is vervolgens in juli 2010 gefuseerd met ABN AMRO N.V.
Op 1 januari 2013 heeft een collectieve waardeoverdracht plaatsgevonden van Stichting Pensioenfonds Fortis Bank Nederland naar Stichting Pensioenfonds ABN AMRO.
De discussie spitst zich toe op de uitleg van artikel 41 lid 6 van het pensioenreglement versie 2013 en 2014 van Stichting Pensioenfonds ABN AMRO daar waar staat Fortis Bank Nederland N.V.
1 De gronden van de beslissing
De vorderingen van [eiser 1] en [eiser 2] worden afgewezen. Daarvoor is het volgende redengevend.
De tekst in het pensioenreglement is duidelijk, maar roept vragen op als je conform de rechtspraak van de Hoge Raad naar de aannemelijkheid van de rechtsgevolgen kijkt.
Alleen uitgaan van de uitleg van [eiser 1], namelijk volledig woordelijk, zou dat betekenen dat in een reglement van 2013 wordt verwezen naar een entiteit die sinds 1999 in naam niet meer bestond.
Het staat wat de kantonrechter betreft buiten discussie dat ook de naamsopvolgers van deze N.V. onder die entiteit moet worden verstaan, en dat betekent dat dit ook werknemers betreft die na 1999 bij Fortis Bank Nederland (Holding) N.V. en Fortis Bank (Nederland) N.V. in dienst zijn getreden.
De werkgever van [eiser 1] is door juridische fusie op 1 september 2009 samengegaan met de anders genaamde, namelijk met haakjes, maar zelfde rechtspersoon) Fortis Bank Nederland N.V. Daar is hij niet achteraf bij in dienst getreden, maar dit is het gevolg van de juridische fusie onder algemene titel, waardoor [eiser 1] valt onder de definitie van artikel 41 lid 6 van het pensioenreglement, waarin staat dat dat artikel geldt ten aanzien van arbeidsongeschikten die ten tijde van de collectieve waardeoverdracht reeds uit dienst waren van Fortis Bank Nederland N.V.
Voor de aannemelijkheid speelt verder een rol, dat bij de letterlijke interpretatie van [eiser 1] een onderscheid zou gaan ontstaan tussen medewerkers van VSB Bank en/of VSB Groep (en haar – in naam – rechtsopvolgers) die na arbeidsongeschiktheid uit dienst zijn gegaan. Dat onderscheid is niet aannemelijk en een extra argument om de uitleg van [eiser 1] niet te volgen.
Bovenstaande betekent dat de vorderingen van [eiser 1] zullen worden afgewezen.
[eiser 1] en [eiser 2] zijn in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van Stichting Pensioenfonds van de ABN AMRO Bank N.V. worden begroot op:
| - salaris gemachtigde | € | 576,00 | (2 punten × € 288,00) |
| - nakosten | € | 144,00 | (plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing) |
| Totaal | € | 720,00 |
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
2 De beslissing
De kantonrechter
wijst de vorderingen van [eiser 1] en [eiser 2] af,
veroordeelt [eiser 1] en [eiser 2] in de proceskosten van € 720,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [eiser 1] en [eiser 2] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
veroordeelt [eiser 1] en [eiser 2] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
verklaart deze beslissing wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Deze mondelinge uitspraak is gewezen door mr. A.J. Wesdorp en in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.
Dit proces-verbaal is opgemaakt en ondertekend door de kantonrechter.
Wetsartikelen in deze uitspraak
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.