Uitspraak · Bestuursprocesrecht
Rechtbank Amsterdam, 26 juni 2026
ECLI:NL:RBAMS:2026:6532Zaaknummer AMS 26/3014
- Instantie
- Rechtbank Amsterdam
- Datum uitspraak
- 26 juni 2026
- Publicatiedatum
- 3 augustus 2026
- Zaaknummer
- AMS 26/3014
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht, Bestuursprocesrecht
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Zittingsplaats
- Amsterdam
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
Verzoek om een voorlopige voorziening toegewezen. Bestuurlijke boetes overtredingen Wav en WmL en openbaarmaking gegevens. Belangenafweging. Belang van verzoeker weegt zwaarder. Besluiten geschorst tot tien dagen na de beslissing op bezwaar.
Beslissing
De voorzieningenrechter:
- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening toe;
- schorst de bestreden besluiten tot tien dagen na bekendmaking van de beslissing op bezwaar;
- bepaalt dat verweerder het griffierecht van € 397,- aan verzoeker moet vergoeden;
- veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan verzoeker.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R. Hirzalla, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. J.C.M. Schilder, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 26 juni 2026.
| griffier | voorzieningenrechter |
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
RECHTBANK AMSTERDAM
Bestuursrecht
Zaaknummers: AMS 26/3014 en AMS 26/3015
uitspraak van de voorzieningenrechter van 26 juni 2026 in de zaken tussen
[verzoeker], voorheen h.o.d.n. [naam], uit [woonplaats], verzoeker
(gemachtigde: mr. J.M. Boonstoppel),
en
de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, verweerder (hierna: de minister)
(gemachtigde: mr. J. Boogaard).
Procesverloop
De minister heeft met de bestreden besluiten van 13 mei 2026 bestuurlijke boetes opgelegd aan verzoeker vanwege overtredingen van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag (WML) en de Wet arbeid vreemdelingen (Wav) en op grond van die wetten besloten tot openbaarmaking van de inspectiegegevens.
Verzoeker heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen. De minister heeft op het verzoek gereageerd met een verweerschrift.
De minister heeft op 11 juni 2026 bevestigd dat de inning van de boetes en de openbaarmaking overeenkomstig de WML en de Wav worden opgeschort tot een week na de uitspraak van de voorzieningenrechter.
De voorzieningenrechter heeft de verzoeken op 15 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoeker, de gemachtigde van verzoeker en A. Wazir als tolk. De minister heeft zich afgemeld voor de zitting.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
2. Verzoeker heeft verzocht de bestreden besluiten te schorsen tot tien dagen na de beslissing op bezwaar. Verzoeker heeft aangevoerd dat de boetebesluiten in rechte geen stand zullen houden. De openbaarmaking is daarmee evident onrechtmatig, in elk geval niet evident rechtmatig.
3. De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) alleen een voorlopige voorziening als "onverwijlde spoed" dat vereist. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in het bodemgeding niet. Verzoeker heeft voldoende aannemelijk gemaakt en onderbouwd met stukken dat hij in de financiële problemen komt indien hij de bestuurlijke boetes op korte termijn moet betalen. Daarnaast heeft de minister niet betwist dat de openbaarmaking onomkeerbaar is en verzoeker in zoverre spoedeisend belang heeft. De voorzieningenrechter gaat daarom uit van een spoedeisend belang bij het treffen van de gevraagde voorziening.
Rechtmatigheid
De vraag of de boetes terecht zijn opgelegd, vergt een toets waar deze voorlopige voorzieningenprocedure zich niet voor leent. Het betreft materie die in de bezwaarprocedure aan de orde komt. De voorzieningenrechter blijft gelet hierop weg van een voorlopig oordeel over de rechtmatigheid van de boetes.
Wat betreft de rechtmatigheid van de openbaarmaking schrijven de WML en de Wav dwingend voor dat het feit dat een bestuurlijke boete is opgelegd, maakt dat de inspectiegegevens openbaar worden gemaakt, behoudens bijzondere omstandigheden. Op dat niveau vindt ten aanzien van de openbaarmaking door de minister in beginsel geen individuele belangenafweging plaats. De voorzieningenrechter zal zich verder niet uitlaten over de rechtmatigheid van de openbaarmaking, dat zal in de bezwaarprocedures worden beoordeeld.
Belangenafweging
De voorzieningenrechter zal een oordeel over het verzoek geven op grond van een afweging van de betrokken belangen.
Het belang van de minister is gelegen in het algemeen belang van transparantie over de naleving van de wet en inzicht in de uitvoering van het toezicht, het informeren en beschermen van anderen.
Verzoeker voert aan dat zijn belang bij het opschorten van de openbaarmaking van de inspectiegegevens zeer groot is. Openbaarmaking van de inspectiegegevens is voor hem als natuurlijk persoon een zeer ingrijpend besluit dat onomkeerbaar is. Wanneer de inspectiegegevens op het internet staan, kan dit jaren aan verzoeker blijven kleven en zijn verdere leven ernstig bemoeilijken, terwijl hij al met pittige persoonlijke omstandigheden kampt. Verzoeker ziet niet in waarom de inspectiegegevens niet openbaar gemaakt kunnen worden na het nemen van een beslissing op bezwaar.
De voorzieningenrechter is van oordeel dat op dit moment het individuele belang van verzoeker dient te prevaleren boven het algemeen belang van de minister. Bekendmaking van de inspectiegegevens aan het publiek hangende de bezwaren kan onomkeerbare gevolgen hebben. Openbaarmaking van de boetebesluiten kan ernstige (reputatie)schade tot gevolg hebben. Dat bij openbaarmaking wordt aangegeven dat de boete nog niet onherroepelijk is, doet daar niet aan af.
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening toe en treft de voorlopige voorziening dat de bestreden besluiten van 13 mei 2026 zijn geschorst tot tien dagen na bekendmaking van de beslissing op bezwaar.
6. Omdat de voorzieningenrechter het verzoek toewijst, moet de minister het griffierecht aan verzoeker vergoeden. Verzoeker krijgt ook een vergoeding van zijn proceskosten. De minister moet deze vergoeding betalen. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt verzoeker een vast bedrag per proceshandeling. De gemachtigde heeft het verzoekschrift ingediend en aan de zitting deelgenomen. Dat zijn twee proceshandelingen. Elke proceshandeling heeft een waarde van € 934,-. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 1.868,-.
Beslissing
De voorzieningenrechter:
- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening toe;
- schorst de bestreden besluiten tot tien dagen na bekendmaking van de beslissing op bezwaar;
- bepaalt dat verweerder het griffierecht van € 397,- aan verzoeker moet vergoeden;
- veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan verzoeker.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R. Hirzalla, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. J.C.M. Schilder, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 26 juni 2026.
| griffier | voorzieningenrechter |
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.
Wetsartikelen in deze uitspraak
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.