Uitspraak · Bestuursprocesrecht

Rechtbank Amsterdam, 24 juni 2026

ECLI:NL:RBAMS:2026:6412Zaaknummer AMS 26/3076

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
24 juni 2026
Publicatiedatum
3 augustus 2026
Zaaknummer
AMS 26/3076
Rechtsgebied
Bestuursrecht, Bestuursprocesrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats
Amsterdam
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Verzoek om een voorlopige voorziening toegewezen. Bezwaar redelijke kans van slagen. Verweerder heeft de afwijzing van de aanvraag om een evenementenvergunning voor een braderie onvoldoende gemotiveerd.

Beslissing

De voorzieningenrechter:

- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening toe;

- schorst het bestreden besluit tot de beslissing op bezwaar;

- bepaalt dat verzoekster mag handelen alsof de evenementenvergunning voor [evenement] op [locatie] op [datum 3] 2026 en [datum 4] 2026 is verleend zoals aangevraagd;

- bepaalt dat verweerder het griffierecht van € 397,- aan verzoekster moet vergoeden;

- veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan verzoekster.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R. Hirzalla, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. J.C.M. Schilder, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 24 juni 2026.

griffiervoorzieningenrechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. Marbo Promotions, uit Rotterdam, verzoekster
  2. Procesverloop
  3. Beoordeling door de voorzieningenrechter
  4. Beslissing
  5. Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht

Zaaknummer: AMS 26/3076

uitspraak van de voorzieningenrechter van 24 juni 2026 in de zaak tussen

Marbo Promotions, uit Rotterdam, verzoekster

(gemachtigde: mr. R. Sahin),

en

de burgemeester van Amsterdam, verweerder

(gemachtigden: mr. C.S. Kruissink en [gemachtigde 1]).

Procesverloop

1.1.

Verzoekster heeft een aanvraag ingediend voor een evenementenvergunning voor het evenement ‘[evenement]’ op [locatie] op [datum 1] 2026, [datum 2] 2026, [datum 3] 2026 en [datum 4] 2026. Verweerder heeft deze aanvraag met het besluit van 24 maart 2026 (het bestreden besluit) afgewezen. Verzoekster heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.

1.2.

De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 15 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: [de persoon 1] en [de persoon 2] namens verzoekster, de gemachtigde van verzoekster en de gemachtigden van verweerder.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

2. Met het bestreden besluit heeft verweerder de aanvraag afgewezen op grond van artikel 2.43, onder c en f, van de Algemene Plaatselijke Verordening 2008. Verweerder stelt zich hierbij op het standpunt dat het niet wenselijk is om een evenementenvergunning te verlenen voor het houden van een braderie op een zondag op een locatie waar al wekelijks van dinsdag tot en met zaterdag een gemeentelijke warenmarkt plaatsvindt. Op het moment dat een braderie op zondag wordt toegestaan, ontstaat er namelijk een onverantwoorde druk op het [locatie] en haar omgeving, aldus verweerder.

3. Verzoekster voert aan dat de weigering van de evenementenvergunning wegens een vermeende ‘onverantwoorde druk’, elke feitelijke en objectieve grondslag ontbeert. Uit het bestreden besluit blijkt volgens verzoekster op geen enkele wijze wanneer een reguliere verkeers- of bezoekersstroom omslaat in ‘onverantwoorde druk’. Er is geen verwijzing naar een vastgesteld locatieprofiel dat zondagsevenementen op dit plein uitsluit, noch liggen er concrete capaciteitsberekeningen, geluidsmetingen of negatieve politieadviezen ten grondslag aan het bestreden besluit.

4. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft verweerder de afwijzing van de aanvraag onvoldoende gemotiveerd. In het bestreden besluit is niet toegelicht waarom het ‘niet wenselijk’ is om een evenementenvergunning te verlenen voor het houden van [evenement]. Dat er sprake zou zijn van een ‘onverantwoorde druk’ is daartoe niet voldoende omdat deze conclusie niet is onderbouwd. De gemachtigde van verweerder heeft op de zitting toegelicht dat elke aanvraag voor een evenement op [locatie] op zondag afzonderlijk wordt beoordeeld en dat wordt afgewogen of deze wel of geen doorgang kan vinden. Verweerder heeft echter nagelaten concreet te motiveren hoe deze beoordeling plaatsvindt en welke relevante feiten, omstandigheden en/of beleidsmatige inzichten een afwijzing van de aanvraag rechtvaardigen.

5. Gelet op het voorgaande is de voorzieningenrechter van oordeel dat het bezwaar van verzoekster een redelijke kans van slagen heeft en wijst daarom het verzoek om een voorlopige voorziening toe. De voorzieningenrechter treft de voorlopige voorziening dat het besluit van 24 maart 2026 is geschorst en dat verzoekster mag handelen alsof de evenementenvergunning voor [evenement] op [locatie] op [datum 3] 2026 en[datum 4] 2026 is verleend. Dit betekent dat [evenement] mag doorgaan op [datum 3] 2026 en [datum 4] 2026 op [locatie] in Amsterdam, zoals aangevraagd.

6. Omdat de voorzieningenrechter het verzoek toewijst, moet verweerder het griffierecht aan verzoekster vergoeden. Verzoekster krijgt ook een vergoeding van haar proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt verzoekster een vast bedrag per proceshandeling. De gemachtigde heeft het verzoekschrift ingediend en aan de zitting deelgenomen. Dat zijn twee proceshandelingen. Elke proceshandeling heeft een waarde van € 934,-. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 1.868,-.

Beslissing

De voorzieningenrechter:

- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening toe;

- schorst het bestreden besluit tot de beslissing op bezwaar;

- bepaalt dat verzoekster mag handelen alsof de evenementenvergunning voor [evenement] op [locatie] op [datum 3] 2026 en [datum 4] 2026 is verleend zoals aangevraagd;

- bepaalt dat verweerder het griffierecht van € 397,- aan verzoekster moet vergoeden;

- veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan verzoekster.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R. Hirzalla, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. J.C.M. Schilder, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 24 juni 2026.

griffiervoorzieningenrechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.