Uitspraak · Verbintenissenrecht
Rechtbank Amsterdam, 9 juni 2026
ECLI:NL:RBAMS:2026:6366Zaaknummer 11459164 \ CV EXPL 24-16231
- Instantie
- Rechtbank Amsterdam
- Datum uitspraak
- 9 juni 2026
- Publicatiedatum
- 26 juni 2026
- Zaaknummer
- 11459164 \ CV EXPL 24-16231
- Rechtsgebied
- Civiel recht, Verbintenissenrecht
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudig, Verstek
- Zittingsplaats
- Amsterdam
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
Verstek. Ambtshalve toetsing consumentenrecht. Beding over te laat inleveren van huurauto is oneerlijk. Daardoor is een deel van de vordering niet toewijsbaar. Andere deel van de vordering is wel toewijsbaar, omdat dit is gebaseerd op een transparant beding met betrekking tot de prijs. Incassokostenbeding is oneerlijk. Daarom geen buitengerechtelijke incassokosten.
3 De beslissing
De kantonrechter
veroordeelt [gedaagde] tot betaling aan [eiser] van € 48,98 aan hoofdsom, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 25 november 2024 tot de dag van algehele betaling,
compenseert de proceskosten en bepaalt dat partijen ieder hun eigen kosten dragen,
verklaart de veroordeling uitvoerbaar bij voorraad,
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. C.W. Inden en in het openbaar uitgesproken op 9 juni 2026.
991
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
RECHTBANK AMSTERDAM
Civiel recht
Kantonrechter
Zaaknummer: 11459164 \ CV EXPL 24-16231
Vonnis van 9 juni 2026
in de zaak van
[eiser],
wonende te [woonplaats 1],
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser],
gemachtigde: H.G. Zeiger,
tegen
[gedaagde],
wonende te [woonplaats 2],
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde],
niet verschenen.
1 De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 8 juli 2025,- de akte van [eiser].
Hoewel daartoe in de gelegenheid gesteld, heeft [gedaagde] niet gereageerd op de akte van [eiser].
Ten slotte is vonnis bepaald.
2 De verdere beoordeling
Bij voornoemd tussenvonnis is [eiser] in de gelegenheid gesteld zich bij akte uit te laten over de vermoedelijke oneerlijkheid van de bedingen met betrekking tot de prijs, het te laat inleveren van een gehuurde auto en de buitengerechtelijke incassokosten.
[eiser] heeft bij akte aangevoerd dat de algemene voorwaarden zijn opgesteld met maatschappelijke partijen zoals de consumentenbond. Artikel 6 lid 5 van de algemene voorwaarden (over het te laat inleveren van een gehuurde auto) is volgens [eiser] niet van toepassing, omdat [gedaagde] de auto niet een dagdeel, maar een dag te laat heeft ingeleverd. Het bevreemdt [eiser] dat de kantonrechter bedingen in de algemene voorwaarden als oneerlijk aanmerkt, omdat [gedaagde] zich niet heeft gehouden aan de huurperiode. [eiser] heeft een normaal bedrag in rekening gebracht voor een extra dag huur. Artikel 8 lid 7 van de algemene voorwaarden (over de buitengerechtelijke incassokosten) wijkt niet af van de wet en de eisen van de Hoge Raad. Nu de kantonrechter in het tussenvonnis heeft vastgesteld dat is voldaan aan de informatieplichten, kan het beding met betrekking tot de prijs niet oneerlijk zijn. De prijs betreft immers een essentiële informatieplicht, aldus – steeds – [eiser].
Vooropgesteld wordt dat in het tussenvonnis is overwogen dat de kantonrechter er vanuit gaat dat is voldaan aan de informatieplichten, omdat dit niet door [gedaagde] is weersproken. Het ambtshalve onderzoek van de kantonrechter strekt echter verder dan stellen en niet weerspreken, zeker in het kader van de beoordeling van bedingen op oneerlijkheid in de zin van Richtlijn 93/13 EG (hierna: de richtlijn). Als dat anders zou zijn, zou dat ernstig afbreuk doen aan de door deze richtlijn beoogde consumentenbescherming. Dat het beding met betrekking tot de prijs vanwege de overweging in het kader van de informatieplichten meer niet oneerlijk kan zijn, zoals [eiser] heeft aangevoerd, is dan ook niet juist.
De kantonrechter volgt [eiser] niet in haar standpunt dat artikel 6 lid 5 van de algemene voorwaarden niet aan de vordering ten grondslag ligt of had kunnen liggen. Het betreffende beding regelt expliciet de situatie als hier aan de orde, namelijk de situatie waarin de auto een dag (of zelfs meerdere dagen) later wordt ingeleverd. In dat geval moet het beding op oneerlijkheid worden getoetst. Ingevolge de arresten van het Europese Hof van Justitie van 27 januari 2021, C-229/19, ECLI:EU:C:2021:68 (Dexia) en 8 december 2022, C-625/21, ECLI:EU:C:2022:971 (Gupfinger) moet de kantonrechter immers, ook als [eiser] zich in de procedure niet beroept op het betreffende beding in de overeenkomst, ambtshalve onderzoeken of het beding waarop zij zich had kunnen beroepen niet oneerlijk is in de zin van de richtlijn. Indien dat beding als oneerlijk wordt aangemerkt, zal haar vordering op dit punt moeten worden afgewezen
Het beding wordt als oneerlijk aangemerkt, op de in het tussenvonnis genoemde gronden. Dat geen (dag)huurprijs in de huurovereenkomst is opgenomen, maakt het beding des te oneerlijker, nu het beding op basis van de huurprijs de hoogte van de boete vaststelt in verband met het te laat inleveren van de auto. Dat [gedaagde] zich niet heeft gehouden aan de huurperiode en (de rechtsvoorganger van) [eiser] een normaal bedrag in rekening heeft gebracht, is voor de beoordeling van het oneerlijke karakter van het beding niet relevant. Die beoordeling vindt namelijk plaats op het moment van sluiting van de overeenkomst, ongeacht de wijze waarop daaraan uitvoering is gegeven of hoe partijen zich na het sluiten van de overeenkomst hebben gedragen.
Het gedeelte van de hoofdsom dat in de onderliggende factuur ziet op ‘Inzet huurauto klasse C - Ongeoorloofd langer gebruik’ is op grond van het voorgaande niet toewijsbaar.
Het andere gedeelte van de hoofdsom, in de onderliggende factuur aangeduid als ‘Verlaging eigen risico per dag (NL)’ is gebaseerd op een beding dat ziet op het eigenlijke voorwerp van de overeenkomst. Nu dat beding op duidelijke en begrijpelijke wijze in de huurovereenkomst staat, is verdere toetsing aan de richtlijn niet aan de orde. Dit gedeelte van de hoofdsom is daarom toewijsbaar.
Het voorgaande leidt tot toewijzing van € 48,98 aan hoofdsom (€ 38,00 exclusief btw, vermeerderd met 21% btw). Het meerdere wordt afgewezen.
Nu een lager bedrag aan hoofdsom toewijsbaar is dan gevorderd, is het gevorderde bedrag aan wettelijke rente berekend op basis van een te hoog bedrag en daarom niet toewijsbaar. De wettelijke rente is toewijsbaar over € 48,98 vanaf de datum van verzuim. Nu deze datum in de dagvaarding niet is gesteld, wordt de wettelijke rente toegewezen vanaf de datum van betekening van de dagvaarding.
De gevorderde buitengerechtelijke incassokosten worden afgewezen, omdat het beding in artikel 8 lid 7 van de algemene voorwaarden, waarop [eiser] een beroep had kunnen doen, oneerlijk is. In het tussenvonnis is uitgelegd waarom. Wat [eiser] daar bij akte tegenin heeft gebracht maakt dit oordeel niet anders. De formulering van het beding voldoet niet aan de eisen waaraan een aanmaning volgens de Hoge Raad moet voldoen.
Nu partijen over en weer gedeeltelijk in het ongelijk zijn gesteld, [eiser] in overwegende mate nu het grootste gedeelte van de vordering is afgewezen, wordt aanleiding gezien de proceskosten te compenseren. Partijen dragen ieder hun eigen kosten.
3 De beslissing
De kantonrechter
veroordeelt [gedaagde] tot betaling aan [eiser] van € 48,98 aan hoofdsom, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 25 november 2024 tot de dag van algehele betaling,
compenseert de proceskosten en bepaalt dat partijen ieder hun eigen kosten dragen,
verklaart de veroordeling uitvoerbaar bij voorraad,
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. C.W. Inden en in het openbaar uitgesproken op 9 juni 2026.
991
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.