Uitspraak · Civiel recht
Rechtbank Amsterdam, 4 maart 2026
ECLI:NL:RBAMS:2026:6009Zaaknummer C/13/783072 / KG ZA 26-99
- Instantie
- Rechtbank Amsterdam
- Datum uitspraak
- 4 maart 2026
- Publicatiedatum
- 18 juni 2026
- Zaaknummer
- C/13/783072 / KG ZA 26-99
- Rechtsgebied
- Civiel recht
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudig, Kort geding, Proceskostenveroordeling, Proces-verbaal, Op tegenspraak
- Zittingsplaats
- Amsterdam
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
Kort geding. Mondeling vonnis. Voorschot op geleden schade vanwege fraude door voormalig medewerker
3 De beslissing
de voorzieningenrechter
in conventie
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 80.000,00, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW, met ingang van 13 februari 2026, tot de dag van volledige betaling,
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 8.554,46, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
wijst het meer of anders gevorderde af,
in reconventie
weigert de gevraagde voorziening,
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van [eiser], tot op heden begroot op nihil.
Waarvan is opgemaakt dit proces-verbaal, dat door de voorzieningenrechter en de griffier is vastgesteld en ondertekend.[_a3dd54eb-c4d0-4d94-a58e-6bda97352a4a]
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
RECHTBANK Amsterdam
Civiel recht, voorzieningenrechter
Zaaknummer: C/13/783072 / KG ZA 26-99 NB/EvK
Proces-verbaal van mondelinge uitspraak in kort geding van 4 maart 2026
in de zaak van
[eiser] B.V.,
te [vestigingsplaats],
eisende partij in conventie bij dagvaarding van 13 februari 2026,
verwerende partij in reconventie,
hierna te noemen: [eiser],
advocaat: mr. G.J.F. Voss,
tegen
[gedaagde],
te [woonplaats],
gedaagde partij in conventie,
eisende partij in reconventie,
hierna te noemen: [gedaagde],
advocaat: mr. J.I. Vervest.
Het kort geding wordt gehouden in de rechtbank Amsterdam.
De zaak wordt behandeld door mr. N.C.H. Blankevoort, voorzieningenrechter, bijgestaan door mr. E.H. van Kolfschooten, griffier.
Aanwezig zijn:
- [naam], bestuurder van [eiser],
- mr. Voss,
- [gedaagde],
- mr. Vervest.
1 De procedure
Tijdens de mondelinge behandeling op 4 maart 2026 heeft [eiser] de dagvaarding toegelicht. [gedaagde] heeft verweer gevoerd en een eis in reconventie (tegenvordering) ingesteld. [eiser] heeft de tegenvordering bestreden. [eiser] heeft producties in het geding gebracht en beide partijen een pleitnota. De behandeling van de zaak is gesloten en de voorzieningenrechter heeft na een korte schorsing vervolgens in aanwezigheid van partijen mondeling uitspraak gedaan. Daarvan is dit proces-verbaal opgemaakt, dat op 6 maart 2026 aan partijen is afgegeven.
2 De beoordeling
[eiser] stelt dat [gedaagde] in de uitoefening van haar voormalige functie bij [eiser] als senior financieel medewerker bedragen van in totaal € 424.625,33, heeft overgeboekt naar haar privérekening. [eiser] vordert daarom in dit kort geding een voorschot op de door haar geleden schade, ter hoogte van € 424.625,33, althans een door de voorzieningenrechter in redelijkheid te bepalen voorschot, als gevolg van deze door [gedaagde] gepleegde verduistering in dienstbetrekking. [eiser] heeft conservatoir beslag gelegd op de bankrekening op naam van [gedaagde] onder de ABN AMRO Bank en op de auto op naam van [gedaagde], een Mercedes EQA 50+.
[gedaagde] voert verweer tegen deze vordering en heeft (ter zitting) een tegenvordering (eis in reconventie) ingediend, inhoudende opheffing van het conservatoire beslag op de Mercedes. Zij stelt deze auto nodig te hebben om werk te zoeken.
De conclusie is dat de vordering van [eiser] wordt toegewezen tot een bedrag van € 80.000, met veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten, en dat de vordering van [gedaagde] in reconventie wordt afgewezen, vanwege de volgende redenen.
[gedaagde] heeft drie verweren gevoerd tegen de vordering van [eiser]: de aannemelijkheid van de vordering, het restitutierisico en het ontbreken van spoedeisend belang.
Ten aanzien van de aannemelijkheid van de vordering geldt het volgende. Aan de stelplicht van de eiser worden hogere eisen gesteld naarmate het verweer beter is uitgewerkt. In dit geval is tegenover de gedetailleerde stellingen van [eiser] – met overzichten uit haar administratie waaruit blijkt dat vanaf haar rekening € 424.625,33 is overgemaakt naar de bankrekening van [gedaagde] – een niet gemotiveerd verweer gevoerd. Ook bij navraag op zitting aan [gedaagde] over wat er precies is gebeurd en waarom er een bedrag van ruim € 424.000 naar haar rekening is overgemaakt, heeft [gedaagde] alleen gezegd dat er geen bedrag van € 424.000 op haar rekening heeft gestaan en dat zij niet alleen bevoegd is tot overmaking. [gedaagde] heeft echter niet toegelicht welk bedrag er dan wel naar haar rekening is overgemaakt; zij heeft daar niks over willen verklaren. Verder is het verweer van [gedaagde] dat zij geen rechten had tot het overboeken van gelden niet relevant omdat het geld op haar rekening terecht is gekomen. De onderbouwing van de vordering is dan ook wel voldoende gemotiveerd gelet op de summiere betwisting van [gedaagde], zeker gezien het feit dat [gedaagde] eerder tegenover Hoffmann bedrijfsrecherche wel heeft toegegeven betrokken te zijn geweest bij de verduistering.
Het restitutierisico is in dit geval gering nu geen inhoudelijk verweer is gevoerd tegen de vordering en bovendien beperkt tot het bedrag dat bij uitwinning kan worden verkregen. Dat bedrag is gerelateerd aan de objecten waar nu beslag op ligt: de bankrekening waarop een bedrag van bijna € 30.000 is geraakt en de waarde van de in beslag genomen Mercedes. Het is niet precies bekend hoeveel de Mercedes waard is, volgens [eiser] heeft deze auto een handelswaarde van ongeveer € 30.000, maar mogelijk is de auto ook meer waard. Om te voorkomen dat als de auto meer opbrengt dan € 30.000 dit weer terug vloeit naar [gedaagde], wordt een ruime marge gehanteerd voor de opbrengst van de Mercedes en wordt nu een bedrag van € 80.000 bij wijze van voorschot toegewezen. Over het restant van de vordering moet vervolgens in de bodem worden geprocedeerd.
[eiser] heeft ook voldoende spoedeisend belang bij toewijzing van een gedeelte van haar vordering, omdat zij daarmee kan overgaan tot uitwinning. De vordering is, in elk geval tot € 80.000, voldoende aannemelijk en van [eiser] kan, bij gebreke van een gemotiveerd verweer, niet worden verwacht dat zij eerst een kostbare bodemprocedure moet voeren. [eiser] heeft voldoende onderbouwd dat zij op dit moment een spoedeisend belang omdat zij door de verduistering in liquiditeitsproblemen is gekomen. Voor toewijzing van het restant van de vordering ontbreekt thans voldoende spoedeisend belang, omdat er niet meer onder het beslag ligt.
Uit de gedeeltelijke toewijzing in conventie volgt dat de vordering in reconventie wordt afgewezen, het beslag op de Mercedes wordt niet opgeheven.
Tot slot geeft de voorzieningenrechter mee dat [gedaagde] vandaag op zitting voor het eerst haar aansprakelijkheid heeft betwist. Mocht zij handen en voeten aan haar verweer geven, dan is het raadzaam dat partijen proberen er in onderling overleg uit te komen. Doorprocederen is voor alle betrokkenen een kostbare aangelegenheid, terwijl de verhaalsmogelijkheden vooralsnog beperkt lijken.
[gedaagde] wordt in conventie in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiser] worden begroot op:
| - kosten van de dagvaarding | € | 126,46 | |
| - griffierecht | € | 7.062,00 | |
| - salaris advocaat | € | 1.177,00 | |
| - nakosten | € | 189,00 | (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing) |
| Totaal | € | 8.554,46 |
[gedaagde] wordt ook in reconventie in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiser] in reconventie worden echter gelet op de samenhang met de vorderingen in conventie begroot op nihil.
3 De beslissing
de voorzieningenrechter
in conventie
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 80.000,00, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW, met ingang van 13 februari 2026, tot de dag van volledige betaling,
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 8.554,46, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
wijst het meer of anders gevorderde af,
in reconventie
weigert de gevraagde voorziening,
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van [eiser], tot op heden begroot op nihil.
Waarvan is opgemaakt dit proces-verbaal, dat door de voorzieningenrechter en de griffier is vastgesteld en ondertekend.[_a3dd54eb-c4d0-4d94-a58e-6bda97352a4a]
Wetsartikelen in deze uitspraak
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.