Uitspraak · Personen- en familierecht
Rechtbank Amsterdam, 8 april 2026
ECLI:NL:RBAMS:2026:3874Zaaknummer C/13/784851 / KG ZA 26-186 MK/RL
- Instantie
- Rechtbank Amsterdam
- Datum uitspraak
- 8 april 2026
- Publicatiedatum
- 21 april 2026
- Zaaknummer
- C/13/784851 / KG ZA 26-186 MK/RL
- Rechtsgebied
- Civiel recht, Personen- en familierecht
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudig, Kort geding, Op tegenspraak
- Zittingsplaats
- Amsterdam
- Soort
- Uitspraak
Inhoudsindicatie
Kort geding. Afgifte minderjarige. Gevraagde voorziening geweigerd.
5 De beslissing
De voorzieningenrechter
weigert de gevraagde voorziening,
compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.L.S. Kalff, voorzieningenrechter, bijgestaan door mr. R.D. Lok, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 8 april 2026.
Coll: EB
Volledige tekst
Inhoud van de uitspraak
RECHTBANK Amsterdam
Civiel recht, voorzieningenrechter
Zaaknummer: C/13/784851 / KG ZA 26-186 MK/RL
Vonnis in kort geding van 8 april 2026
in de zaak van
[de moeder],
te [woonplaats 1],
eisende partij,
hierna te noemen: de moeder,
advocaat: mr. F.J.N. Hendriksen Rattan-Tewari,
tegen
[de vader],
te [woonplaats 2],
gedaagde partij,
hierna te noemen: de vader,
advocaat: mr. M.H. Schmidt.
1 De procedure
Tijdens de mondelinge behandeling van dit kort geding op 27 maart 2026 heeft de advocaat van de moeder de dagvaarding toegelicht. De vader heeft verweer gevoerd. Beide partijen hebben producties in het geding gebracht. Bij de mondelinge behandeling waren aanwezig de advocaat van de moeder en de vader met zijn advocaat. Op 1 april 2026 heeft de voorzieningenrechter een ‘kindgesprek’ gehouden met de zoon van partijen. Daarna is vonnis bepaald op vandaag.
2 De feiten
De moeder en de vader hadden een relatie. Op [geboortedag] 2013 is te Amsterdam [minderjarige] (de zoon) geboren. De vader heeft de zoon erkend.
De moeder en de vader hebben hun relatie op enig moment daarna verbroken. Zij hebben met behulp van een mediator afspraken gemaakt over de opvoeding van de zoon en die neergelegd in een door beiden op 15 december 2016 ondertekend ouderschapsplan.
Het ouderschapsplan bepaalt onder meer dat de moeder en de vader gezamenlijk het gezag hebben. Als bijlage bij het ouderschapsplan is een rooster van co-ouderschap gehecht. Daarin staat dat de zoon twee dagen bij de moeder doorbrengt, dan twee dagen bij de vader, vervolgens vijf dagen bij de moeder en daarna vijf dagen bij de vader, waarna dit schema weer van vooraf aan begint.
De afspraak over het gezag is niet doorgevoerd in het gezagsregister.
De moeder en de vader hebben tot eind 2024 in grote lijnen uitvoering gegeven aan het ouderschapsplan en het rooster van co-ouderschap.
Op 17 december 2024 hebben de moeder en de vader, onder begeleiding van dezelfde mediator, gesproken over onder meer een wijziging van het ouderschapsplan en het (rooster van) co-ouderschap. Zij zijn het toen niet met elkaar eens geworden. Nadien is het contact tussen de vader en de zoon verbroken en verbleef de zoon uitsluitend bij de moeder.
Op 3 december 2025 is de zoon vanuit school naar het huis van de vader toegegaan. De zoon heeft moeder die middag in [locatie] nog ontmoet, maar is uiteindelijk met de vader mee naar huis gegaan en verblijft sindsdien bij hem. Daarna is er geen contact meer geweest tussen de moeder en de zoon.
3 Het geschil
De moeder vordert om de vader te bevelen de zoon aan haar af te geven binnen twee dagen na dagtekening dan wel betekening van dit vonnis, op verbeurte van een dwangsom. Daarnaast vordert de moeder de vader te veroordelen in de kosten van deze procedure en de nakosten.
De moeder legt aan de vordering ten grondslag dat zij alleen het gezag heeft en dat de zoon bij haar zijn hoofdverblijf heeft. Zij heeft momenteel geen zicht op zijn welzijn, verzorging en ontwikkeling, terwijl zij als de met eenhoofdig gezag belaste ouder daarvoor verantwoordelijk is. Verder is het in het belang van de zoon dat hij bij haar terugkeert, aangezien hij sinds zijn verblijf bij de vader school, medische afspraken en sportactiviteiten mist.
De vader voert verweer. Volgens de vader is het de wens van de zoon om bij hem te blijven. Bovendien gaat het een stuk beter met hem sinds hij bij de vader verblijft. Het is dan ook niet in het belang van de zoon om hem te dwingen terug te keren naar de moeder.
4 De beoordeling
Vooropstaat dat het noodzakelijk is dat beide ouders contact hebben met hun zoon en tijd met hem doorbrengen. Dat is in het belang van de zoon. Dit wordt ook onderschreven door beide ouders, die stellen steeds te stimuleren dat de zoon contact heeft/herstelt met de andere ouder. Moeder zegt dat ze dat probeerde in de tijd dat de zoon alleen bij haar was en vader zegt dat hij dit nu probeert.
Los van wat er in dit kort geding wordt beslist, zullen moeder en vader afspraken moeten maken over welke zorg/contactregeling met de zoon past in 2026. Die situatie is anders dan in 2016 toen het ouderschapsplan werd opgesteld. De leeftijd van de zoon maakt dat ook zijn input onderdeel behoort te zijn van die afspraken, waarbij uitgangpunt in ieder geval is het belang van de zoon en contact met beide ouders. Als het de ouders niet onderling lukt om afspraken te maken, moeten zij een derde inschakelen die hen helpt of, tenslotte, de bodemrechter die een regeling vaststelt.
Bijzonder in deze zaak is dat nadat een co-ouderschap regeling langere tijd is uitgevoerd de zoon vanaf december 2024 circa een jaar alleen bij zijn moeder verbleef zonder contact met zijn vader. Vanaf december 2025 was dit omgekeerd: de zoon verbleef bij zijn vader zonder contact met zijn moeder. Alhoewel er debat is geweest over de vraag hoe het komt dat dit zo gelopen is, zijn partijen het niet op alle onderdelen eens en is dat voor de vraag die in dit kort geding voorligt niet van belang. Daar wordt dus verder niet op ingegaan.
In dit kort geding ligt de vraag voor of, zo lang de nieuwe afspraken niet gemaakt zijn, de zoon weer bij de moeder moet gaan wonen. Volgens moeder is onmiddellijke afgifte van de zoon aan haar op zijn plaats omdat zij formeel het gezag heeft en de vader niet.
Deze stelling wordt niet gevolgd. De moeder en de vader hebben op 15 december 2016 een ouderschapsplan ondertekend waarin staat dat zij beiden het gezag hebben. Aan het daarbij gevoegde rooster van co-ouderschap (zie 2.3 en 2.5) hebben zij geruime tijd uitvoering gegeven. Aangezien het ouderschapsplan jarenlang de staande praktijk is geweest geldt dit als uitgangspunt in dit kort geding, in het bijzonder ten aanzien van het gezamenlijk gezag.
De volgende vraag is of het in het belang is van de zoon om verplicht te worden nu terug te gaan naar moeder. De voorzieningenrechter is er niet van overtuigd dat dit in zijn belang is. Daarbij speelt de leeftijd van de zoon een rol, zijn wens om nu bij de vader te verblijven en de afwezigheid van zwaarwegende belangen die nopen tot onmiddellijk ingrijpen. Het voorgaande brengt mee dat de gevraagde voorziening wordt geweigerd.
Dit wil niet zeggen dat de huidige situatie, waarin de moeder en de zoon geen contact hebben, moet voortduren. Als eerder overwogen is het in het belang van de zoon dat het contact met de moeder wordt hersteld. Daartoe zal de zoon stappen moeten zetten, zo nodig met behulp van een derde.
Gelet op de relatie tussen partijen zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
5 De beslissing
De voorzieningenrechter
weigert de gevraagde voorziening,
compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.L.S. Kalff, voorzieningenrechter, bijgestaan door mr. R.D. Lok, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 8 april 2026.
Coll: EB
Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.