Uitspraak · Personen- en familierecht

Rechtbank Amsterdam, 12 maart 2026

ECLI:NL:RBAMS:2026:3310Zaaknummer C/13/783804 / FA RK 26/1514

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak
12 maart 2026
Publicatiedatum
7 april 2026
Zaaknummer
C/13/783804 / FA RK 26/1514
Rechtsgebied
Civiel recht, Personen- en familierecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig, Beschikking
Zittingsplaats
Amsterdam
Soort
Uitspraak

Inhoudsindicatie

Wvggz; verplichte zorg. Afwijzing zorgmachtiging omdat behandeling in het vrijwillige kader mogelijk is. Mogelijkheid van vrijwillige behandeling niet met betrokkene besproken. De rechtbank vindt dit niet juist. Verplichte zorg is een ultimum remedium en dient zo veel mogelijk te worden voorkomen. Door de mogelijkheid van vrijwillige behandeling niet eens met betrokkene te bespreken, zijn de behandelaren voorbij gegaan aan deze fundamentele toets.

De rechtbank:

wijst het verzoek af.

Deze beschikking is op 12 maart 2026 mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken door

mr. E. Dinjens, rechter, bijgestaan door mr. A.J.A. Diederen als griffier en op 26 maart 2026 schriftelijk uitgewerkt en ondertekend.

Tegen deze beschikking staat het rechtsmiddel van cassatie open.

Volledige tekst

Inhoud van de uitspraak
  1. 1 Procesverloop
  2. 2 Beoordeling
  3. 3 Beslissing

beschikking

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht Team Familie & Jeugd

zaaknummer / rekestnummer: C/13/783804 / FA RK 26/1514

kenmerk: ZM/IND/195191

Machtiging tot het verlenen van verplichte zorg

Beschikking van 12 maart 2026 van de rechtbank Amsterdam naar aanleiding van het door de officier van justitie ingediende verzoek tot het verlenen van een zorgmachtiging als bedoeld in artikel 6:4 van de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (Wvggz), ten aanzien van:

[betrokkene],

geboren op [geboortedag] 1976 te [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats], [adres 1],

verblijvende te [verblijfsplaats], [adres 2],

hierna te noemen: betrokkene,

advocaat: mr. J.M.M. Heilbron te Amsterdam,

zorgaanbieder: Arkin.

1 Procesverloop

1.1.

Het procesverloop blijkt uit het verzoekschrift met bijlagen, ingekomen ter griffie op 23 februari 2026.

De mondelinge behandeling van het verzoek heeft plaatsgevonden op 12 maart 2026 in het gebouw van de zorgaanbieder.

Ter zitting waren aanwezig en heeft de rechtbank de volgende personen gehoord:

- betrokkene;

- de raadsvrouw;

- [naam], arts.

Omdat de officier van justitie een nadere toelichting op of motivering van het verzoek niet nodig acht, is hij niet bij de mondelinge behandeling verschenen.

2 Beoordeling

2.1.

Betrokkene is bekend met een psychische stoornis, in de vorm van een schizoaffectieve stoornis en een stoornis in het gebruik van cannabis (hasj), nicotine en alcohol.

2.2.

De rechtbank is van oordeel dat uit de stukken en de mondelinge behandeling voldoende blijkt dat er sprake is van ernstig nadeel. Er is nog steeds sprake van een katatoon beeld en de behandelaren zijn nog zoekende naar de juiste behandeling voor de klachten van betrokkene. De rechtbank deelt dan ook de zorgen van de behandelaren over de toestand van betrokkene.

2.3.

Anders dan de arts naar voren heeft gebracht is de rechtbank van oordeel dat dit ernstige nadeel kan worden ondervangen door vrijwillige behandeling. Dat betrokkene in het verleden met zijn medicatie is gestopt en het middel lithium, dat in de toekomst zou kunnen worden voorgeschreven, misschien niet wil te slikken, is volgens de rechtbank onvoldoende reden om te veronderstellen dat hij op dit moment niet wil meewerken aan de behandeling. Betrokkene heeft tijdens de mondelinge behandeling naar voren gebracht open te staan voor zorg op vrijwillige basis. Betrokkene heeft last van de katatonie en wil graag verder herstellen van zijn klachten. Betrokkene is bereid afspraken te maken met de behandelaren, zich hieraan te houden en de medicatie in te blijven nemen. Betrokkene heeft tijdens de mondelinge behandeling inzicht getoond in zijn eerdere gedragingen, waaronder het staken van de medicatie. Bovendien heeft ook de arts tijdens de mondelinge behandeling bevestigt dat de samenwerking tijdens de huidige opname goed is. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding om aan deze bereidheid voor de behandeling te twijfelen.

2.4.

Tijdens de mondelinge behandeling is gebleken dat de mogelijkheid van vrijwillige behandeling niet met betrokkene is besproken. De rechtbank vindt dit niet juist. Met het oog op het karakter van de Wvggz is verplichte zorg een ultimum remedium. Het inzetten van verplichte zorg vormt een grote inbreuk op de autonomie en op de lichamelijke integriteit van een individu en dient daarom zo veel mogelijk te worden voorkomen. Door de mogelijkheid van vrijwillige behandeling niet eens met betrokkene te bespreken, zijn de behandelaren voorbij gegaan aan deze fundamentele toets. Dat klemt temeer nu de arts ter zitting heeft toegelicht dat de samenwerking goed is en dat betrokkene onderbouwd heeft aangegeven vrijwillig te willen meewerken aan behandeling.

2.5.

Gelet op het voorgaande is niet voldaan aan de criteria voor en doelen van verplichte zorg als bedoeld in de Wvggz. Het verzoek tot het verlenen van verplichte zorg zal om die reden worden afgewezen.

3 Beslissing

De rechtbank:

wijst het verzoek af.

Deze beschikking is op 12 maart 2026 mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken door

mr. E. Dinjens, rechter, bijgestaan door mr. A.J.A. Diederen als griffier en op 26 maart 2026 schriftelijk uitgewerkt en ondertekend.

Tegen deze beschikking staat het rechtsmiddel van cassatie open.

Wetsartikelen in deze uitspraak

Aangehaald in

Gepseudonimiseerd gepubliceerd door de Rechtspraak (open data, publiek domein). Bron: uitspraken.rechtspraak.nl. Dit is geen juridisch advies.